Johanneke Liemburg

schurerJohanneke Liemburg – Fedde Schurer 1898-1968. Biografie van een Friese koerier (2010)

Twaalf jaar lang werkte Johanneke Liemburg (1952, oud-Tweede-Kamerlid voor de PvdA en sinds 2000 burgemeester van Littensaradiel)* aan deze biografie van Fedde Schurer, de Friese taalstrijder, dichter, onderwijzer, politicus en hoofdredacteur van de Friese Koerier. Met de studie over deze markante Friese persoonlijkheid promoveerde Liemburg eind april aan de Rijksuniversiteit van Groningen. De Friese Pers bracht een handelseditie van dit proefschrift op de markt.

Liemburg geeft het hele boek door verhelderende achtergronden bij het leven van Schurer. Zo schetst ze uitvoerig het gereformeerde arbeidersmilieu waar Fedde Schurer (1898-1968) uit voortkwam en waardoor hij gevormd werd, eerst in Drachten en vanaf 1904 in Lemmer. Na de lagere school werd hij timmermansknecht, maar hij las veel, zowel literatuur als brochures over zaken als christendom en oorlog. Via de christelijke jongelingsvereniging in Lemmer werd hij bevriend met onderwijzer Inne de Jong en in 1917 volgde hij zelf de opleiding tot onderwijzer, zodat hij in 1919 als volontair op zijn oude lagere school in Lemmer kon beginnen. Als Schurers belangstelling voor het Fries gewekt is en hij in 1918 in aanraking komt met de geschriften van ‘Jongfries’ Douwe Kalma kiest hij bewust voor aansluiting bij de Friese beweging. Bezig zijn met het Fries was ondenkbaar zonder het bestaan van een Friese beweging, die mensen bewust wilde maken van de betekenis van hun eigen taal, stelt Liemburg. Ook hier schetst ze weer uitvoerig de voorgeschiedenis van die in de negentiende eeuw ontstane beweging en de onderlinge verdeeldheid die terug te leiden is op godsdienstig-politieke stromingen binnen die beweging, generatieconflicten en de karakters van de personen die in de beweging een rol speelden.

In dezelfde periode, in 1924, trouwt Schurer en een jaar later debuteert hij in boekvorm met de dichtbundelFersen. Hoewel het Liemburgs oorspronkelijke doel was om alleen de politieke en journalistieke kanten van Fedde Schurer te belichten, kwam ze erachter dat het onmogelijk was de persoon, de politicus en de dichter Schurer te scheiden. Daarom schenkt ze in deze biografie ook aandacht aan de dichter Schurer. Toch is het opvallend hoe miniem die aandacht is, want hoewel hij in onze tijd steeds meer weggezet wordt als een volksdichter in plaats van een literair dichter, werd Schurer tot het eind van de 20e eeuw toch beschouwd als één van de belangrijkste Friese dichters van die eeuw. Maar Liemburg typeert zijn dichtbundels wel héél beknopt en schrijft bijvoorbeeld nauwelijks over de contemporaine ontvangst van zijn poëzie.

Schurer hield zich in de jaren twintig niet alleen actief bezig met de Friese beweging en de literatuur. Hij was ook betrokken bij de kerkelijke gemeenschap en bemoeide zich met de christelijke politiek. Liemburg maakt duidelijk hoe hij in de loop van die jaren zijn geloof in ‘de ware Gereformeerde Kerk’ verloor (niet zijn christelijk geloof!), zijn pacifistische denkbeelden ontwikkelde en hoe dat in 1930 leidde tot zijn ontslag als onderwijzer op de christelijk-nationale school in Lemmer, een akkefietje dat landelijke publiciteit kreeg.

Hoe moeilijk het voor een biograaf is om allerlei feiten en meningen van en over een persoon in een goed verband op papier te krijgen, blijkt uit Liemburgs relaas over Schurer in de jaren dertig, nadat hij van Lemmer naar Amsterdam verhuisd was. Overzichtelijk rafelt ze Schurers diverse bezigheden in aparte paragrafen uit elkaar om een goed beeld van de man te blijven behouden. Allereerst zijn er natuurlijk zijn werkzaamheden als onderwijzer op een Amsterdamse volksschool. Daarnaast zijn activiteiten voor de kleine, links-christelijkeCDU waarvoor hij in 1935 als lid van de Provinciale Staten geïnstalleerd werd, maar waaruit hij zich al snel teleurgesteld terugtrok. In dezelfde periode breidde Schurer zijn vriendenkring in Amsterdam uit, publiceerde hij een tweede en derde dichtbundel, onderhield hij banden met de Friese beweging, zat hij in de redactie van diverse Friese literaire tijdschriften, was hij bezig de psalmen in het Fries te vertalen, schreef hij toneelstukken en adopteerde het kinderloos gebleven echtpaar Schurer een jongetje dat als zijn zoon zou opgroeien. Geen wonder dat Fedde Schurer een korte periode overspannen was.

Degelijk beschrijft Liemburg ook de problematische rol van de Friese Beweging in de Tweede Wereldoorlog, de tegenstellingen die dat opriep, dwars door vriendschappen en familieverbanden heen en Schurers, onverdachte, rol daarin. Twijfels waren er op sommige punten wel bij hem. Waarom, zo overwoog Schurer, zou je wel ‘meedoen’ met de bezetter door distributiekaarten op te halen en niet door te tekenen voor de Kultuurkamer. Voor een schrijver als Schurer was dat ook een levensbehoefte, maar uit solidariteitsbesef met de anderen, zo zegt hij zelf, tekende hij niet. Hij was behulpzaam in het verzet, zonder een echte verzetsman te zijn en schreef onder andere verzetspoëzie. Ook schreef hij op verzoek van Anton van Duinkerken toen de oorlog ten einde was enkele liederen, zoals het welkomstlied voor de Canadezen, die bij bevrijdingsconcerten in juni 1945 gezongen werden in het Amsterdamse Concertgebouw en daarna overal in het land.

Met deze periode, Schurer is bij de bevrijding bijna 47, zitten we inmiddels halverwege de zeer prettig leesbare biografie: zeven hoofdstukken in tweehonderd bladzijden beschrijven het eerste deel van het leven van Fedde Schurer, dat samenvalt met de eerste helft van de twintigste eeuw tot en met de Tweede Wereldoorlog. In net zoveel hoofdstukken en bladzijden beschrijft Liemburg op even aangename wijze de laatste dertig jaar van zijn leven. Dezelfde elementen komen daarin terug: zijn persoonlijk leven; zijn werk, nu als hoofdredacteur van de Heerenveense Koerier (later Friese Koerier); zijn voortgaande strijd voor de positie van het Fries, met als hoogtepunt ‘Kneppelfreed‘ (vrijdag 16 november 1951); zijn politieke activiteiten als Kamerlid voor de Partij van de Arbeid en zijn literaire werk, onder andere als redacteur van De Tsjerne.

Zoals ik hierboven al opmerkte, is één van de verdiensten van deze biografie dat bij alle onderwerpen die Liemburg aansnijdt zoveel nuttige achtergrondinformatie staat, zonder dat de biografie daardoor saai wordt. Zo wordt Schurers intrede in de krantenwereld voorafgaan door enkele bladzijden geschiedenis van de Friese kranten vlak voor, in en na de Tweede Wereldoorlog, of de verschijning van Schurers Friese vertaling van de berijmde psalmen begeleid door informatie over eerder Friese psalmvertalingen.

Mooi is de titel van hoofdstuk 11, ‘De eerste krassen’. Daarin laat Liemburg zien dat hoewel Schurers werklust onverminderd is, de eerste verwijdering van de jongere generatie zich aandient via de breuk met Anne Wadman die ook in de redactie van De Tsjerne zat. Die afstand wordt niet minder als Schurer door zijn Kamerlidmaatschap (1956-1963) steeds minder tijd heeft voor De Tsjerne. Ook in de Friese beweging diende zich een generatiekloof aan: Schurer moest niets hebben van de Fryske Nasjonale Party die in 1961 werd opgericht en waarin hij alleen maar verspintering zag.

Hoewel Schurer na zijn pensionering een publiek figuur blijft (hij verschijnt zelfs in Nederlandse televisieprogramma’s), kan hij zijn draai maar moeilijk vinden. De kloof met de jongere literaire generatie wordt alleen maar groter en bovendien gaat het niet altijd goed met zijn gezondheid. De ruzie met zijn opvolger bij de Friese Koerier, Laurens ten Cate, over de rol van de Friese beweging, heeft hem ook geen goed gedaan. In maart 1968 sterft hij door een hartaanval.

In een laatste hoofdstuk blikt Liemburg terug op het leven van Schurer. Ze probeert daarin ook zijn plaats in de Friese literatuur, de Friese beweging en de Friese krantenwereld te bepalen. Helder beschrijft ze Schurers successen, maar even eerlijk zijn tekortkomingen en verkeerde inschattingen, met name op het gebied van de ontwikkeling van de positie van de Friese taal en cultuur. In haar slotzinnen doet Liemburg een terechte oproep om het omvangrijke poëtische werk van Schurer eens goed onder de loep te nemen, ‘opdat het kaf het zicht niet langer beneemt op het bloeiende koren’. Degene die deze handschoen oppakt, heeft met deze biografie in ieder geval uitstekende achtergrondinformatie ter beschikking.

Hoewel Liemburg het probeert uit te leggen, begrijp ik niet helemaal en vind ik het vooral erg jammer dat deze prachtige biografie niet in het Fries geschreven is. Wel is er een Friese en een Engelse samenvatting, en uiteraard een omvangrijk notenapparaat, een lijst met bronnen en geraadpleegde literatuur en een namenregister.

* Twaalf jaar! Het is dus vrij goedkoop om opmerkingen te maken, zoals Han van der Horst en Paul Arnoldussen in hun babbelradiobespreking van de biografie (OVT, 28 maart 2010), dat het burgemeesterschap van Littenseradiel niks kan voorstellen als je tegelijkertijd zo’n dik boek kan schrijven. Overigens net zo goedkoop om, zoals Huub Mous in zijn bij vlagen nogal kinderachtige blog van 27 februari 2010, te spreken van Schurer als ‘het grote idool’ van Liemburg. Uit niets in deze biografie blijkt iets van enige idolatrie bij Liemburg, en trouwens ook niet uit het vraaggesprek met Liemburg op Omrop Fryslân over dit onderwerp.