Tsead Bruinja

bruinjaTsead Bruinja – Hingje net alle klean op deselde kapstôk / Hang niet alle kleren aan dezelfde kapstok  (2018)

Tsead Bruinja (1974) is een dichter die vanaf zijn debuut in 1998 zijn gedichten afwisselend in het Nederlands en Fries publiceert. Zijn laatste Friese bundels verschenen met een Nederlandse vertaling erbij, zo ook deze nieuwe bundel, zijn elfde in totaal.

De bundel is opgedeeld in vijf hoofdstukken of cycli. De openingscyclus is geschreven als een in memoriam voor Titus Brandsma, geboren in 1881 als Anno Sjoerd Brandsma. Brandsma was een maatschappelijk betrokken Friese priester die zich tegen de nazi’s verzette en in 1942 in Dachau omkwam. Het zijn haast bezwerende gedichten in die cyclus, met herhalingen en ritmes die het bij een voordracht, maar ook bij het lezen, goed doen. Het meest indrukwekkende gedicht uit de bundel komt uit deze cyclus:

se skopten anno sjoerd en se skopten titus

se skopten anno sjoerd en se skopten titus
oant de pater blette en de bliedende sei

wy sille foar dy minsken bidde
sadat se ta ynsjoch komme

kollektive earmoed soe
de saak keare kinne

it kastiel fan de siel
krigen de learzens net stikken

yn in brilledoaze ûnder syn oksel
bewarre er de hosty dêr’t it hiele kamp
mei segene waard

hy wegere te leauwen
dat de toare grûn
gjin frucht drage koe

se skopten titus en se skopten anno sjoerd
yn myn eagen in riedsel
dat in riedsel ferflokt

se skopten om skuon dy’t te smoarch
in bêd dat net kreas genôch

betrouwen yn it hege
in smelle ikker foar de ien
ûnwrikber fûnemint
foar de oar

hy wist wat er by him droech
dat wat yn alles sit

ek yn de broeder dy’t him
lapen om `e swolmen

ûnder de fuotten bûn *

Het zijn in zekere zin geëngageerde gedichten, niet alleen in de eerste, aan Titus Brandsma opgedragen cyclus, maar in de hele bundel. Het zijn minder persoonlijke gedichten dan in de vorige bundels van Bruinja. Het gaat vaak over de ander, met soms de nadruk op de ander die moeite doet iets goed te doen. In de tweede afdeling, die de titel van de bundel heeft ‘hinje net alle klean op deselde kapstok’, is de dichter nog het meest persoonlijk en doet hij moeite de ander te bereiken. Dat gaat niet altijd gemakkelijk (“ik moat muoite foar dy dwaan/ my nei dy ta lêze”) en het gaat er, in een volgend gedicht, soms fel aan toe:

alle dagen skriuw ik
oer it stjurre bloed

ik bin in beam
en do stiest te razen
oan de oare kant

dat ik dit switbad
ferskinje moat

ik raas werom
dat ik yn myn fel sit
at ik net strûpt bin

Even verderop eindigt de dichter een gedicht met de regels: “ik tocht dat wy it oprêde soenen / ik hearde mar net fan dy.”

Het titelgedicht van de cyclus en de hele bundel besluit deze afdeling. Het begint met de strofe:

wy kinne it ûntkenne
sy rinne mei ús mei
fijannen bûnsgenoaten
betinke it alle kearen op `e nij

en er spelen een vader, moeder en kind een rol in. Het gedicht eindigt met de twee strofen:

lit de heit de buks leegje op de hazze
as dy de mem yn it sicht rint
oars brekke wy it bern it antlit
slút mûle min om spien

rânebetingsten en foarskriften
rôp de leechte op
dy’t ik taspruts

De derde afdeling is ‘Foarlopich lân / Voorlopig land’. Deze niet gemakkelijk te doorgronden cyclus was onderdeel van een project dat in februari/maart 2018 op de Leeuwarder Oldenhove geprojecteerd werd in het kader van ‘Lân fan Taal’ en Leeuwarden Culturele Hoofdstad 2018. Bruinja werkte voor dit project samen met zanger/caberetier Herman van Veen en beeldend kunstenaar Jules van Hulst. Opvallend in de projectie was de prominente rol van de hazen die in deze gedichten niet voorkomen, maar in andere gedichten van de bundel wel, zoals ook in eerder werk van Bruinja.

In de vierde afdeling, ‘Swannedrifter/zwanendrifter’ staan ook weer behoorlijk raadselachtige gedichten. Apart is hier dat er ook gedichten in staan waarin de dichter met de lay-out speelt door bij sommige regels extra in te springen of zinnen helemaal in hoofdletters op te schrijven. Ook op andere manieren maakt de dichter de gedichten wat luchtiger. In het gedicht ‘moneymanmonkeyman’ speelt de dichter behalve met de lay-out ook nog op andere manieren:

moneymanmonkeyman

wêr wolst him del ha
mei syn brike bek
smoarige wytkop
binnenstebûtenkearde aap
spook

by it hite wetter fan de stêd del

smoarige wytkop
binnenstebûtenkearde app (moaie tikfoet hin?)

wat sil hy dêr by de ein ha?
mei syn brike aap            brike bek

hy sil achter it grutte jild oan
hy wol it yn him deltraapje litte **

De laatste afdeling van de bundel, ‘sy kaam foar in houlik’, bestaat uit een serie gedichten die samen een mythisch of sprookjesachtig verhaal vertellen dat zich afspeelt in een kleine agrarische gemeenschap. Vreemde schepsels figureren in het verhaal. De simpele “jopie fan jan en klaske” die op zijn fiets zonder versnellingen de trekkers van het loonbedrijf volgt en onverstaanbaar praat, is zo’n beetje de hoofdfiguur. Drie roeken figureren in de cyclus en overleggen in een boom waar ze hun ontbijtje zullen halen. Er is een ‘johan’, die meestal ‘de amsterdammer’ wordt genoemd en af en toe op een slecht startende scooter naar de stad gaat:

foar kraslotten sei de iene
om in fiskje sei de oare
nei de hoeren miskien

En dan duiken er ineens uit zee een moeder en een kind op, allebei met rood haar en een sproetenneus. Twee dagen slapen ze en niemand weet wie ze zijn en waar ze vandaan komen. daarna geeft de vrouw een verklaring die begint met “wy komme út see” en die voor de bewoners en voor de lezer behoorlijk raadselachtig blijft. Jopie fietst naar het graf van zijn moeder die bij een ongeluk om het leven gekomen is en poetst daar de Bijbelse tekst op de grafsteen schoon: “de mosk it sweltsje fynt in wente / har jongen binne yn feilichheid”.

Het verhaal kent geen happy end en als er niks meer te redden is, zegt de verteller, “dan vergeef ik het de moeder die de wet van de natuur naar haar hand zet en het water roept. En met de woorden van die moeder eindigt deze cyclus en de hele bundel:

ik kaam út see foar in houlik
jo witte wêr’t jo oandiel yn ha
de rinte wurdt meikoarten útkeard

ik kaam foar in houlik fan twa lichems
foar de wrede fermoedsoening
fan wetter mei lân

wat foar de iene in ramp is
betsjut fruchtber begjin foar de oar

ik kaam mei in boeket fan wier en asters
smiet it achter my op `e weagen
en gie ûnder de beam lizzen

ik kaam foar in houlik

lit jim no de hantekening sette ûnder it dokumint
dat jim sels skreaun ha ***

Het zijn op zijn minst intrigerende gedichten te noemen in deze nieuwe bundel van Tsead Bruinja, die meer vragen oproepen dan er antwoorden in te lezen zijn. Dat vereist herlezen, misschien ook wel hardop lezen, maar dat is bij deze gedichten helemaal geen probleem. Op de Nederlandse vertalingen (op de rechterbladzijde) van de oorspronkelijke Friese versies (links) is niet veel aan te merken; dat was bij vorige bundels nog wel eens anders. Toch is het moeilijk om de Nederlandse versies net zo mooi te krijgen als de Friese versies. Door het gemis van de tweeklanken en soms door een andere woordvolgorde gaat er hoe dan ook iets van het melodieuze ritme van de Friese gedichten verloren. Daarom citeer ik in dit stukje dan ook bewust de Friese versies.

* ze schopten anno sjoerd en ze schopten titus

ze schopten anno sjoerd en ze schopten titus
tot de pater bloedde en de bloedende zei

wij zullen voor die mensen bidden
zodat ze tot inzicht komen

collectieve armoede zou
de zaak kunnen keren

het kasteel van de ziel
kregen de laarzen niet kapot

in een brillendoos onder zijn oksel
bewaarde hij de hostie waar het hele kamp
mee gezegend werd

hij weigerde te geloven
dat de dorre grond
geen vrucht kon dragen

ze schopten titus en ze schopten anno sjoerd
in mijn ogen een raadsel
dat een raadsel vervloekt

ze schopten om schoenen die te smerig
een bed dat niet netjes genoeg

vertrouwen in het hoge
een smalle akker voor de een
onwrikbaar fundament
voor de ander

hij wist wat hij bij zich droeg
dat wat in alles zit

ook in de broeder
die lappen om de zweren

onder zijn voeten bond

 

** moneymanmonkeyman

waar wil je hem langs hebben
met zijn scheve bek
smerige witkop
binnenstebuitengekeerde aap
spook

bij het hete water van de stad langs

smerige witkop
binnenstebuitengekeerde app (mooie tikfoet hè?)

wat zal hij daar uitvoeren?
met zijn scheve aap       scheve bek

hij gaat achter het grote geld aan
hij wil het in zich neer laten trappen

*** ik kwam uit zee voor een huwelijk
u weet waar u aandeel in heeft
de rente wordt binnenkort uitgekeerd

ik kwam voor een huwelijk van twee lichamen
voor de wrede verzoening
van water met land

wat voor de één een ramp is
betekent vruchtbaar begin voor de ander

ik kwam met een boeket van wier en asters
wierp het achter me op de golven
en ging onder de boom liggen

ik kwam voor een huwelijk

laat jullie nu de handtekening zetten onder het document
dat jullie zelf geschreven hebben

 

bruinjastofzuigerzangers
Tsead Bruinja – Stofsûgersjongers/Stofzuigerzangers Mei etsen fan Mirka Farabegoli en muzyk fan Femke IJlstra (2013)

Het is een prachtig boek geworden, dit samenwerkingsverband tussen de dichter Tsead Bruinja, beeldend kunstenares Mirka Farabegoli en saxofoniste Femke IJlstra. Deze drie kunstenaars zijn alle drie in Friesland geboren, verhuisd naar een stad, maar raakten Friesland niet helemaal kwijt. Uitgangspunt van hun samenwerking was een poging om een gevoel uit te beelden van weemoed naar vroeger en het ‘thuiskomen in de breedste zin van het woord’. Dat is bijzonder goed gelukt.

Alleen al in de verschillende muziekstukken van Femke IJlstra klinkt er genoeg weemoed door. Bij elk van de zes stukken op de cd geeft IJlstra in het boek een kleine toelichting, maar dat is nauwelijks nodig om te begrijpen wat de stukken verbeelden. Zo staat er bij het derde nummer ‘Femke en la Gran Ciudad’, een compositie van Guillermo Lago voor sopraansaxofoon en tape, dat het op swingende wijze de tweestrijd tussen de grote stad en het Friese platteland toont. In de toelichtingen bij de andere stukken staan verder woorden als ‘heimwee’, ‘terugkeer naar de natuur en stilte in Friesland’, ‘ouderlijk huis’, ‘oude slaapkamerraam’, ‘afscheid’. Dat zijn allemaal herkenbare elementen die op een sprankelende en spannende manier in deze muziek zitten, maar de beste typering geeft IJlstra ook zelf, als ze zegt dat de stukken haar veel vrijheid geven om te doen wat ze graag wil met haar muziek: verhalen uitbeelden.

Dat is ook wat Tsead Bruinja doet in de Fries-Nederlandse gedichten in deze bundel: verhalen vertellen en dan vooral veel verhalen over vroeger. Dat is niets nieuws, dat deed hij in zijn poëzie vaker. Tegelijkertijd zitten er ook heel veel lijntjes naar het heden in de gedichten. Het eerste gedicht, dat aan de zes afdelingen in de bundel voorafgaat, begint haast homerisch (en als ik citeer, citeer ik de Friese versie en voor wie dat niet kan lezen: koop deze tweetalige gebonden dichtbundel met 37 gedichten in het Fries en uiteraard net zoveel in het Nederlands, met elf etsen paginagroot (25 x 20 cm) afgedrukt en dan ook nog herhaaldelijk details uitvergroot, plus een cd met unieke nummers voor slechts 22,50 en lees de Nederlandse vertalingen):

bonken fertel my fan de siel
dy’t om jim hinne plakt sit

fan it pún
fan de huzen
fan de fijannen

fan de swalker
dy’t om jin hinne rust

wêr’t er begûn is
wat er fernield hat
wat byinoar brocht

Dan volgt de eerste afdeling ‘Boartersplak’, met veel herinneringen aan de jeugd van de dichter, bij pake en beppe bijvoorbeeld, maar de titel ‘boartersplak’ is behoorlijk misleidend. Kun je het ‘kealleleafdeleafdessfertriet’ nog wel humoristisch opvatten, bij de werkloosheid van heit is dat al lastiger en de dan nog jonge dichter is in het gedicht ‘Fennema’ bepaald niet blij dat er een nieuwe familie het huis van zijn gezin komt overnemen. Bij dit gedicht staat een mooi dreigende ets van Mirka Farabegoli waarin ze het gedicht niet alleen invult, maar ook aanvult, zoals in veel van de etsen het geval is.

Het gedicht ‘walkman’ begint heel speels met ‘wy hienen in spultsje betocht / by eltse ramp of oarloch dienen wy / wa’t it hurdste laitsje koe’, maar in de laatste strofe ‘fergie it laitsjen ús / waard de wrâld grutter / de pine djipper / it hert lytser’. Het gedicht ‘beafeart’ is ronduit grimmig waar het gaat over een borstenbegraafplaats voor afgezette borsten, de pijn van de moeders, zusters, vrouwen en de machteloosheid van de zonen, broers en vaders. Opvallend is dat bij dit gedicht een van de lieflijkste etsen van dit boek is afgedrukt.

De gedichten zijn lang niet allemaal in hetzelfde lettertype en in dezelfde kleur afgedrukt. Het gedicht ‘aksint’ is zelfs lastig leesbaar, omdat de letters verticaal zijn afgedrukt in plaats van horizontaal. Het gedicht gaat over het Friese accent dat de dichter wilde kwijtraken en weer terugvond, maar legt vooral bloot waar de dichter niet over wilde/durfde schrijven. Het eindigt met een mooi eenvoudig en tegelijk groots beeld: ‘der streamde in sleat yn my dy’t in rivier wurde woe / in sleat dy’t dreamde fan oseanen’. Die variatie in lettertypen en kleuren werkt wonderwel in deze bundel; bij dit gedicht geeft het onder andere de problematiek van het opschrijven van iets pijnlijks aan. Bij andere gedichten kan ik eerlijk gezegd niet altijd goed verklaren waarom een afwijkend lettertype of kleur werkt en wat het dan precies doet.

Ook in de andere delen van de bundel gaat het veel over vroeger, maar bijna altijd is er ook de verbinding met het heden. Moeiteloos verbindt de dichter in het gedicht ‘Achter op in âlde fyts’ een verhaal over een ophefmakende opmerking van zijn oma met de eerste ontmoeting van zijn eigen geliefde en rondt dat af met ‘beppe soe it sûnder mis allegearre prachtig fûn ha’. Vooral in het derde deel staan van dat soort gedichten, hoewel de dichter zelf die verbinding tussen dingen van vroeger en nu soms te ver vindt gaan en niet altijd vindt passen: ‘eins fyn ik dat dit net kin nammen ut ‘e popwrâld / yn in frysk fers sa neist pake en beppe of heit en mem’.

Tot nu toe vond ik Bruinja’s gedicht ‘leave nimmen wit hoe’t wy yn eardere libbens’ (uit De wizers yn it read, 2000) het mooiste Friese liefdesgedicht dat ik kende, maar in deze bundel staat het gedicht ‘bêd’ dat daar wel heel dicht bij in de buurt komt, misschien wel omdat dat gedicht ook nog speelt met de twee talen waarin de dichter leefde/leeft: zijn moedertaal, het Fries, en de taal waarin hij nu al weer zo lang leeft en die de taal van zijn geliefde is, het Nederlands. Het gedicht begint zo:

‘de nammen dy’tst brûkst
foar it iten it bestek en it servys op tafel
binne net de earste nammen

dy’t ik learde foar iten bestek en servys
(…)

en eindigt met:

‘foar dy dingen dingen brûkst no
deselde nammen

dyn bêd en tuten
alle jierren wurde se
langer

Ongetwijfeld speelt bij mijn waardering voor dit gedicht ook een rol dat ik inmiddels de geliefde van de dichter een soort antwoord op dit gedicht heb horen voordragen, een uiteraard Nederlandstalig gedicht met de veelzeggende Friese titel ‘Hûs’ (Huis).

De laatste afdeling van de bundel ‘by in freon del gean’ laat nog weer eens goed de werkwijze van de dichter zien. Als in een raamvertelling begint deze afdeling met een gedicht over opa die blokken aan de trappers heeft gemaakt, zodat de kleinzoon op de te grote ‘derdehands’ herenfiets kan fietsen en eindigt deze ook weer met een gedicht dat begint met ‘pake sloech spikers troch de trapers sadat ik op de hearefyts koe’, waarin verschillende elementen uit de bundel terugkomen. Tussen deze twee gedichten in staan vier gedichten die zich in deze tijd afspelen en waarvan de eerste drie beginnen met de zin ‘ûnder it bêd yn it nije hûs / fan myn bêste freon en syn frânske frou / stean fjouwer klossen’ en het vierde gedicht begint met een variant daarop.

Na eerste lezing vond ik deze nieuwe gedichten van Tsead Bruinja een beetje tegenvallen. Ze leken me minder beelden te bevatten dan zijn vorige poëzie. Bij nader inzien valt dat wel mee. Misschien zijn deze gedichten wel iets makkelijker toegankelijk dan een deel van Bruinja’s vorige poëzie, maar ik kan me ook voorstellen dat dat een bewuste keus geweest is van de dichter, omdat de beelden van de muziek en de etsen een belangrijke rol spelen. Bovendien is het vooral de grote samenhang tussen deze gedichten in deze bundel en de combinatie van de gedichten, de muziek en de vaak toch ook wat raadselachtige beelden van de etsen die van deze uitgave een juweeltje maken.

bruinja-tsead-angel
Tsead Bruinja – Angel Met 6 paginagrote bijdragen van de beeldend kunstenaars Mowaffk Al-Sawad, Roos Custers, Anne Feddema, Joep van der Made, Ramon Verberne en Hans Wap. (2008)

De vijfde Friese dichtbundel van Tsead Bruinja (1974), Angel, die eind 2008 verscheen, is op zijn minst apart. Dat begint al bij de vorm, want je kunt je zelfs afvragen of je dit wel een dichtbundel kan noemen. Van Dale zegt dat een dichtbundel een verzameling gedichten is die in een boekdeel zijn verzameld. En Bruinja’s nieuwe ‘bundel’ verschijnt als een krant op tabloidformaat.

Die verschijning biedt wel nieuwe mogelijkheden. Meestal staan er twee gedichten op een pagina (geflankeerd door een Nederlandse vertaling). Als je deze gedichten uit zou knippen en zou vouwen, zou je er bijna een bundeltje op ‘normaal’ formaat van kunnen maken. Maar er zijn ook twee gedichten die in een forser lettergrootte zijn afgedrukt en zo de hele krantenpagina nodig hebben (met op de pagina ernaast de vertaling), naast gedichten die zo lang zijn dat ze in de normale lettergrootte al de hele bladzij beslaan. In een ‘gewone’ dichtbundel zou zo’n gedicht over verschillende bladzijden verdeeld worden, wat niet hoeft in dit formaat. Bovendien staan er afbeeldingen van diverse kunstenaars tussen de gedichten en de verschillende afdelingen in de bundel, die nu op een flink formaat afgedrukt kunnen worden.

Dankzij het krantenformaat is ook de prijs van deze dichtbundel opvallend te noemen, want het gebeurt niet vaak dat je een nieuwe bundel met een vrij normaal aantal (een veertigtal) gedichten kunt kopen voor € 4,50. Bovendien was de bundel op 18 december, de dag van de presentatie in het Amsterdamse Perdu, gratis te downloaden. Volgens de site van De Contrabas van 19 december is dat 1100 keer gebeurd!

Naast de Friese gedichten en hoofdstuktitels staan Nederlandse vertalingen en ook het colofon is tweetalig, bijvoorbeeld ‘Foarmjouwing / Vormgeving’ (natuurlijk Gerrit Jan Slagter) of ‘Byld / Beeld’. In de informatie op zijn eigen site staat dat Bruinja de gedichten in het Fries schreef en daarom noemde ik hierboven deze bundel dan ook een Friese bundel van deze dichter die afwisselend in het Fries en het Nederlands publiceert. Over de Nederlandse vertalingen kan ik deze keer overigens wat moeilijk echt enthousiast zijn.*

Opvallend genoeg wordt de titel niet vertaald, wat blijkbaar aangeeft dat we hier te maken hebben met het woord ‘angel’ dat in het Fries hetzelfde betekent als in het Nederlands, namelijk het steekorgaan van wespen en bijen. Gezien de soms stekelige inhoud van de gedichten is die betekenis van de titel logisch, hoewel ik best even gedacht heb aan de betekenis ‘hengel’, gezien ook het gedicht in de bundel dat begint met de regels ‘hy hat de angel / twa kear útsmiten / en ynhelle’ (‘hij heeft de hengel / twee keer uitgeworpen / en ingehaald’, p. 11).

De bundel is afwisselend, klankrijk en krachtig; wat dat betreft herken je de dichter die graag voorleest, of liever: voordraagt. De gedichten variëren in lengte, van het lange gedicht over het pesten van een klasgenoot tot een kort gedicht waarvan de zes regels, of liever de strofen, alleen bestaan uit drie woorden die een keer herhaald worden. De bundel is ook mooi opgebouwd. De eerste afdeling begint met de programmatische titel ‘lit de ûnderhandelings begjinne’ (‘laat de onderhandelingen beginnen’). De eerste gedichten lijken aanvankelijk alleen wat sfeerbeschrijvingen te zijn: ‘septimber / de bijen binne noch net útiten’ (begin van het eerste gedicht: ‘september / de bijen zijn nog niet uitgegeten’), terwijl het tweede gedicht begint met: ‘it ljocht fan de fjoertoer / strykt oer de hûzen / en de tsjerke’ (‘het licht van de vuurtoren / strijkt over de huizen / en de kerk’). Maar beide gedichten eindigen in een ontkenning: ‘myn hân is in kûmke / gjin latte’ (‘mijn hand is een kommetje / geen lat’) en ‘ik ha gjin flibe mear’ (‘ik heb geen spuug meer’). Dat zet al een beetje de toon voor het derde gedicht dat eindigt met het bloed dat de dichter aan zijn vingers heeft. Er sluipt steeds meer woede in de gedichten van deze afdeling, die eindigt met de regels ‘flymskerp / de wrâld / de râne’ (‘vlijmscherp / de wereld / de rand’ p.13).

In de volgende afdelingen wordt die woede nog manifester. Niet voor niets zegt de uitgever dat Angel een bundel is ‘over agressie, schuld en woede, woede als wraak, maar ook woede die in de genen zit’. Bruinja zelf schreef in zijn zijn Volkskrantblog: ‘Angel gaat over mij, mijn woede en over het gezin waar ik uit kom. Het is een bundel waarin ik mezelf en de mensen om me heen niet ontzie (…)’. Toch, hoewel de woede overduidelijk aanwezig is, vind ik het gezien deze woorden nog wel meevallen. Jazeker, de familie wordt wel aangevallen, bijvoorbeeld in: ‘it soe famylje west ha kind / in wurd dat as in grouwe reedrider / myn beferzen tong spjalte’ (‘het had familie geweest kunnen / een woord dat als een loodware schaatser / mijn bevroren tong spleet’, p.6). Maar nergens raakt de dichter de nuance kwijt en zo agressief is die woede nu toch ook weer niet. In de afdeling ‘it boek en de dea’, ingeleid door een tekening van Roos Custers, gaat het bovendien over schuld in vier prachtige gedichten, waarin zowel ‘skuld’ (‘schuld’) als de ‘dea’ (‘dood’) heel mooi gepersonifieerd worden. In die gedichten komen ‘schuld’ en ‘de dood’ bij de dichter op bezoek, met een boek waarvan het linnen van de rug gescheurd is en dat met een elastiek bij elkaar gehouden wordt. Als ze weggaan weet de dichter dat hij met ‘dat boek’ aan de gang moet. Hij legt de schuld zeker niet bij iemand anders.

Zo valt die woede en agressie naar anderen dus vooral wel mee omdat de dichter zichzelf totaal niet ontziet: ‘moaie skriuwer bin ik’ (‘mooie schrijver ben ik’, p.23) zegt hij, als hij in de derde afdeling geen hiernamaals kan bedenken, of zich niet voor kan stellen hoe hij erbij loopt als hij tachtig is. Hij maakt zichzelf niet beter dan hij is, als hij beschrijft hoe hij vroeger een klasgenootje pestte in het gedicht dat eindigt met: ‘wy fielden uacute;s lekker // wy wienen gemeen’ (‘wij voelden ons lekker // wij waren gemeen’, p.24). Hij weet niet of hij verrader of verzetsman zou zijn in een oorlogssituatie, onderdaan of onderdrukker (p.25). En in de volgende afdeling beziet hij zichzelf als dertiger die ’s avonds het liefst op de bank zit met een glas wijn: ‘wat ûntwyk ik? // it grutte? / it wichtige? / it aventoer?’ (‘wat ontwijk ik? // het grote? / het belangrijke? / het avontuur?’, p.29).

Bovendien wordt de woede en de agressie ook nog eens ruimschoots gecompenseerd door ontroering. De afdeling ‘nee der is gjin lân om grutsk op te wêzen’ (‘nee er is geen land om trots op te zijn’) bestaat uit twee gedichten, waarvan de eerste begint met ‘buorfamke / at dyn tún baarnt // lit ik dy dan stikke / of bring ik dy de lytse dea’ (‘buurmeisje / als je tuin in brandt staat // laat ik je dan stikken / of breng ik je de kleine dood’). Het tweede gedicht eindigt met de regels: ‘buorfamke / at dyn tún / wer baarnt // nim ik in suske mei / in mem / en in beppe’ (‘buurmeisje / als je tuin /weer in brand staat // neem ik een zusje mee / een moeder / en een oma’, p. 20). Maar het meest ontroert het slot van de bundel, ingeleid door een motto uit een songtekst van Marillion: ‘Why did you hurt the very one / That you should have protected?’. Het is het enige gedicht in de bundel dat een titel heeft: ‘Gjin bertekaartsje’ (‘Geen geboortekaartje’). Daarin kondigt de dichter aan dat hij het er niet bij laat zitten. Hij blijft de tanden van zijn zaag slijpen, maar geeft ondertussen wel raad om goed voor vrouw en kinderen te zorgen en eindigt met de oproep ‘lit har net allinnich / lit my net allinnich // skriuw in boek’ (‘laat haar niet alleen / laat mij niet alleen // schrijf een boek’. Wat een prachtige krant met gedichten.

* De Nederlandse vertalingen bij de Friese gedichten heeft Tsead Bruinja ongetwijfeld zelf gemaakt, zoals dat bij hem meestal het geval is. Van het Fries naar het Nederlands vertalen gaat deze dichter meestal goed af, al frons ik een enkele keer wel eens mijn wenkbrauwen. Nu is het niet zo moeilijk om over vertalingen van poëzie te zeuren, want óf de vertaling is niet poëtisch genoeg, wat nog wel eens het gevolg kan zijn van te letterlijk vertalen, óf de vertaling is te vrij zodat lezers die de oorspronkelijke taal niet kennen ‘om de tuin geleid worden’.

Dat laatste beweert bijvoorbeeld Cornelis van der Wal van vertalingen van Jabik Veenbaas in de Spiegel van de Friese poëzie in zijn weblog van 28 december 2008. Hij vindt dat de redactie daar wat kritischer naar had moeten kijken. Vervolgens plaatst Van der Wal wel op 8 januari op zijn weblog zonder commentaar een gedicht van Arthur Rimbaud met een (prachtige!) Nederlandse vertaling van Paul Claes, die omwille van metrum en rijm soms veel verder gaat dan wat Veenbaas doet. Maar goed, Van der Wal raakt in zijn kritiek wel aan mijn gevoel bij deze vertalingen van Bruinja’s gedichten: misschien had Bruinja wat kritischer naar zijn eigen vertalingen moeten kijken of iemand anders dat moeten laten doen.

Zoals ik al zei weet Bruinja over het algemeen zijn eigen (en soms ook andermans) gedichten adequaat van het Fries naar het Nederlands om te zetten, maar hier gebeurt dat mij net even te vaak niet goed genoeg. Soms blijft hij mij te dicht bij het Friese origineel; ‘ik jou net genôch om dy film / om derhinne’ wordt letterlijk vertaald in wat onhandig Nederlands met: ‘ik geef niet genoeg om die film / om erheen’ (p.4). De mooie dubbelzinnigheid van het Friese ‘wat sykje ik / yn de frede’ valt weg door de letterlijke vertaling ‘wat zoek ik / in de vrede’ (p.23). Aan de andere kant ontstaat er door de vertaling in het Nederlands soms een dubbelzinnigheid (‘terwijl ik het nest opnam’, p. 30) die er in het Fries niet staat (‘wylst ik it nêst opkrige’).

Opvallend zijn ook enkele afwijkingen van het origineel op plaatsen waar dat niet nodig lijkt: ‘in ko dy’t yn ‘e stront / stiet’ wordt naar stijf Nederlands vertaald met ‘een koe die in eigen stront / staat’ (p. 6). Soms lijkt de vertaling onnodig uit te leggen; ‘de winterklean / skansearre’ wordt dan bijvoorbeeld: ‘de wintervacht / beschadigd’ (p.11). En waarom niet het ook in het Nederlands gebruikelijke ‘aanslaan’ van een hond gebruiken, maar vertalen ‘bang voor de hond die blaft’ als er in het Fries staat: ‘bang foar de hûn dy’t oanslacht’ (p. 20)? Of waarom een niet in het Fries woordenboek voorkomende samenstelling ‘skûlliif’ te gemakkelijk vertalen met ‘buik’? En misschien maakt het voor de betekenis van het gedicht verder niet uit dat ‘de konsjerzje’ ‘een conciërge’ (p. 24) wordt, of ‘de kij’ gewoon ‘koeien’ (p. 35), maar toch.

Gemakzuchtig lijkt het ook als in een prachtig gedicht op p. 25 zowel het Friese ‘ferdiel ik mysels’ als drie strofen verder ‘ferpatsje ik mysels’ vertaald wordt met ‘deel ik mezelf op’. Ronduit lelijk vind ik ‘de andere zijn neus zit vol / en zijn lever is stuk’ voor ‘de oare hat de noas fol / en de lever stikken’ (p. 28). En is het slordigheid (typfout? zetfout?) om ‘sinajazzmuzyk’ te vertalen met ‘chinamuziek’ (p. 29)? Net zoals het hopelijk slordigheid is dat ‘spitigernôch baarnt der gjin twivel / leit der gjin ark’ afgezwakt wordt tot: ‘jammer genoeg ligt er geen twijfel / ligt er geen gereedschap’ (p. 35) en een strofe verder ‘gjin fûsten / om wat foarfallen is / rjocht te breidzjen’ in het Nederlands wordt:’geen gereedschap of vuisten / om wat er gebeurd is / recht te breien’.

bruinja-geboortezwartepaard
Tsead Bruinja – De geboorte van het zwarte paard/De berte fan it swarte hynder Een keuze uit de Friese gedichten, bewerkt en vertaald door de dichter (2008)

Enkele moderne Friese dichters als Cornelis van der Wal en Abe de Vries waren Tsead Bruinja al voorgegaan met een tweetalige bloemlezing, maar nu is er zeer terecht ook één verschenen van zíjn Friese poëzie. Bruinja is door een paar Nederlandstalige bundels en door opvallende optredens al bij het Nederlandse poëziepubliek bekend, maar nu kan dat publiek ook kennis nemen van zijn Friestalige werk. Bruinja koos de gedichten zelf en maakte (op één na) de vertalingen. Daarbij rangschikte hij de gedichten in afdelingen als ‘vader en moeder’ of ‘opa en oma’, met veel gedichten uit zijn eerste bundels, en ‘liefste niemand weet’ (waarvan het titelgedicht het mooiste liefdesgedicht van deze eeuw is) of ‘grasmeisje’ met gedichten uit zijn latere werk, waardoor ook een ontwikkeling in zijn dichten te zien is. Jammer dat nergens staat uit welke bundels de gedichten komen of dat Bruinja enkele gedichten enigszins herschreef. Soms maakte hij ze bondiger, voorzag ze van een titel of voegde twee gedichten tot één gedicht samen. Het levert alles bij elkaar wel een prachtig overzicht op van bijna tien jaar poëzie van één van Frieslands beste dichters van dit moment.

bruinjagersdatlaket Tsead Bruinja – Gers dat alfêst laket (2005)

Deze vierde, mooi vormgegeven, Friese bundel van Bruinja, die ook in het Nederlands dicht, bevestigt zijn reputatie als dichter. De gedichten worden via doordacht gebruikte herhalingen, alliteraties, assonanties en door het ritme uiterst leesbaar en verklaren waarom Bruinja een regelmatige gast is bij poëzie-optredens. Niet dat de gedichten makkelijk in een keer te begrijpen zijn. Je moet er als lezer wel moeite voor doen, vooral ook om de verbanden tussen de gedichten te ervaren. Zo is al in de eerste van de vijf afdelingen te zien hoe de gedichten door woorden en zinswendingen met elkaar verbonden worden. De vraag in het zesde gedicht naar wie het nieuwe gras is, doet je terugbladeren naar het tweede gedicht, dat ermee eindigt dat elk woord dat neergelegd wordt op het nieuwe gras een woord teveel is, dat lacht. Het lachende woord op zijn beurt wordt verbonden met de lachende opa en het lachende gras zelf. De gedichten gaan over taal, maar ook over de liefde en het is mooi om te zien hoe vaak deze naar de grote stad verhuisde dichter hier gebruikt maakt van beelden van het platteland.

bruinja-gegrommel
Tsead Bruinja – Gegrommel fan satyn Gedichten (2003)

De beide eerste Friese dichtbundels van Bruinja werden door de critici niet heel positief ontvangen, zeker niet vergeleken met het onthaal van Bruinja als optreeddichter. Om de gedichten te begrijpen moet de lezer vaak wel ook wat moeite doen. In het eerste gedicht (‘Lethe’) kan de lezer zich nog wel voorstellen dat de tranen om de verloren geliefde een stroom worden, groot genoeg om mee te douchen. Maar soms gaat de beeldspraak verder, associeert de dichter er flink op los, of begint een gedicht juist bijna als kinderliedje, zoals in het zeseneenhalve bladzijden tellende gedicht ‘Wat docht er’. Je moet als lezer van verrassing houden, want de gedichten zijn niet altijd logisch van taal of inhoud. Het zijn ‘toevalstreffers’, die dan wel weer een waarschuwing zijn, staat er in het gedicht ‘Wat docht er’. Toch gaan de gedichten wel degelijk ergens over: over het dichten zelf bijvoorbeeld, over de mens in de moderne maatschappij en veel over liefde en liefdesverdriet. Daar schrijft Bruinja misschien niet erg traditioneel over, maar wel krachtig, met vaart en met een onmiskenbaar eigen geluid.

Een Nederlandse vertaling van de gedichten uit Gegrommel fan satyn is te vinden op deze plaats.

Thússide Tsead Bruinja