Paul van Dijk

Paul van Dijk – Famke fan snie (2018)

Een creatieve duizendpoot wordt Paul van Dijk (Workum, 1981) wel genoemd. Naast zijn baan als leraar Engels schreef hij kinderboeken, waaronder het ‘aksjeboek foar bern’ 2014, en theaterteksten, onder andere voor zijn eigen kindertheatergezelschap. Hij illustreert, schrijft muziek en is muzikant. In het voorjaar publiceerde Van Dijk zijn eerste dichtbundel, Famke fan snie, en dat is beslist een zeer verdienstelijk debuut.

‘Famke fan snie’ is niet alleen de titel van de bundel, maar ook van het een na laatste gedicht uit de eerste afdeling. Het laat zich raden dat in dit gedicht het hoofdmotief van de bundel te vinden is, namelijk het verlies van een pasgeboren kind. De dichter heeft daarover in interviews verteld en ook de achterflap vermeldt expliciet dat de gedichten in de bundel een schrijnende poging zijn om zich te verzoenen met het verlies van een meisje. Het gedicht ‘Famke yn snie’ laat dat ook zien:

Famke fan snie

ik tink oan it famke
dat yn myn hânpalm
feroare yn snie

in tel
lei se as in spegelstille mar
yn myn hannen
oant se my foargoed
tusken de fingers troch dripte

winterstjerren struie
kâld ljocht troch it rút
ik doch de brutsen doar
fan har keammerke ticht

de koesters, de knuffels
it ledikant, alles
mei snie tadutsen

In dit gedicht slaagt de dichter er heel behoorlijk in om het onnoemelijke verdriet op een poëtische manier uit te dragen. Via de ‘gebroken deur’ zien we de gebroken vader en via het goedgekozen beeld van sneeuw die smelt zien we de pasgeborene wegglippen. Aan het eind van het gedicht is alles overdekt met de dood.

In de meeste gedichten die direct refereren aan het verdriet – en die staan met name in de eerste en laatste afdeling van de bundel – weet de dichter dat verdriet, net als in het gedicht ‘Famke fan snie’ op poëtische wijze te verbeelden. Terecht wijst Abe de Vries in zijn – overigens positieve – recensie in het Friesch Dagblad erop dat Van Dijk daar niet altijd in slaagt. Soms ook maakt deze debuterend dichter de beeldspraak wel erg groot, zoals in het laatste gedicht van de eerste afdeling, ‘Progresje’. Dat begint met de strofe:

de wolken gûle ljocht,
in swimmer bin ik
yn in mistreastich akkoord
in grutte djipte, in stoarmjend tsjuster
spoeket yn ‘e mar om
komt my benei

De bundel bestaat uit drie delen die alle drie een muziekakkoord als titel hebben. Het is uiteraard niet vreemd dat de eerste afdeling (‘Dm’) in mineur staat. Dat accepteert de dichter zelf, al laat hij in het eerste gedicht al zien dat hij niet bij zijn verdriet wil stilstaan, maar ermee verder wil. Hij is onderweg, maar wel met het geduld van oude bomen, hij weet dat hij veel tijd nodig heeft. En gelukkig heeft hij zijn gevoel van humor nog, al is dat noodgedwongen wel eens wrange humor. In het derde gedicht, ‘Yn it skaad’ beschrijft de ik-figuur zijn verdriet terwijl de wereld gewoon verder gaat. Hij ruikt ‘s ochtends vroeg de geur van brood en beseft dat de bakkers gewoon doorgegaan zijn met het bakken van brood. Als hij uiteindelijk ‘yn it skaad’ in slaap gevallen is, wordt hij wakker gebeld door een vreemde vrouw die hem belt over een blije doos. Zijn antwoord in de slotstrofe is prachtig geformuleerd:

ik lis út dat ik net mear bin
wa’t ik sis dat ik bin
dat ik mei har ferdwûn bin

De tweede afdeling heeft als titel het muziekakkoord ‘G7’, G septiem. In een septiemakkoord zit vergeleken met een gewoon akkoord een extra noot, op zo’n manier dat een dergelijk akkoord muziektechnisch ‘om een oplossing vraagt’, zoals dat heet. Zo’n septiemakkoord wordt daarom wat ‘spannender’ ervaren dan een gewoon akkoord. Dat uit zich in deze dichtbundel misschien onder andere doordat de thematiek anders is en in ieder geval meer verscheidenheid kent dan in de eerste afdeling. Ook staan er meer gedichten in, veertien tegenover acht in de eerste afdeling.

In deze afdeling gaat het over bomen (die komen we trouwens ook in de andere afdelingen tegen), het landschap – voornamelijk Zuidwest-Friesland, maar ook het Bildt – en muziek. Ook is er, net als overigens in het eerste deel, af en toe een verwijzing naar de schilderkunst (“in ûnferwachts plak / om te ferdwalen / tusken sopgrien / en Turner syn giel”). Een enkele keer zou je ook in figuren uit de gedichten van deze afdeling wel het beeld van een (gestorven) kind kunnen herkennen, bijvoorbeeld in het gedicht ‘Paradys efter de dyk’ of in ‘Oer muzyk’, maar dat hoeft niet per se.

Want ‘Oer muzyk’ gaat natuurlijk in ieder geval ook over de kracht van muziek. In andere gedichten beschrijft de dichter op aangenaam poëtische en soms licht-humoristische wijze bijvoorbeeld wat de moeilijkheden kunnen zijn bij muziek maken, zoals de linkerhand die niet met de rechterhand mee kan komen – in ‘It geheim fan links’ – maar bijvoorbeeld ook de schijnbare zinloosheid van muziek die niet gehoord wordt. In het begin van het gedicht ‘Djippe gat’ staat:

it is seis oere op de âldedyk
ierebetiid stjoert in bariton-saks

in sliert trioalen fia dûzeljende treppens de loft yn
yn ‘e bedelte fan it djippe gat gûnzet bebop

hoe kin Warkum sliepe wylst op dit plak
in tel ferlein wurdt?

Even ogenschijnlijk simpel als fraai is het gedicht ‘Etude yn ‘e rein’ waarin de ik-figuur “mei âlde noaten ûnder de earm” in de stromende regen naar zijn muziekleraar gaat en daar buiten in de regen blijft luisteren naar het vioolspel van de oudere man die eigenlijk nooit meer speelt, omdat hij zijn handen niet meer vertrouwt. Door goed te begrijpen en treffende beeldspraak verheft de dichter een anekdote tot poëzie:

nea earder haw ik him spyljen heard
efter de doar harkje ik nei it lûd fan ien
dy’t al in libben lang Bach bedjippet
en noch altyt toarst hat

mei de hannen yn ‘e bûse wachtsje ik
oant de lêste noat as in dikke drip
fersûpt yn in allesferswolgjende puozze

De titel van de derde en laatste afdeling van de bundel is ‘Cmaj7’, C majeur 7 of majeur septiem. Een dergelijk akkoord is in de muziekwereld een logisch en oplossend gevolg van het G7-akkoord. Dat zien we dan ook in deze dichtbundel terug. In het eerste gedicht van de derde afdeling, getiteld ‘Beammebern’, herkennen we het hoofdthema van de bundel (het verdriet om een gestorven kind) samen met het belangrijke motief van de bomen. De ik-figuur staat aan de rand van een bos, een gebied dat bescherming biedt, maar aan de rand ervan voelt hij zich kwetsbaar (“myn kostúms binnen ien foar ien fuortwaaid / ik stean mei in neakene bast”). Toch durft hij het aan om het open terrein tegemoet te stappen.

In het volgende gedicht, ‘Puur linnen’ zoekt hij naar schildersmateriaal en als hij dat door zijn handen laat gaan constateert hij: “ik leau dat dit gelok is / in takomst op in kier”. Voor wie dat een te zoetsappige oplossing vindt: het verdriet of de wanhoop zijn daarmee nog niet in één keer weg. Dat bewijst het gedicht ‘Taflecht’, waarin de ik-figuur een half dode zwaluw bij de achterdeur vindt. Hij stopt het vogeltje in een wit Ikea-doosje dat “net allinnich foar swellen” kan dienen. Dan volgt het mooi-tragisch tweede deel van het gedicht, met onder andere de regels “en ik ferlies mysels / yn âlder wurden sûnder har”. Of wat te denken, of beter te voelen, bij de beginregels van het tweeluik ‘Tichtby’: “ik bin in weesman en do in weesfrou / wa limet dyn brutsen memmehert?”.

De dichtbundel heeft, zo zou je kunnen zeggen, een happy end. In het een na laatste gedicht hoort de dichter de stem van zijn gestorven dochtertje:

ik wit wol datsto it net
bist, mar it âlde wyfke
sleept dyn skaad efter har oan

De dichter praat met het oude vrouwtje en het gedicht eindigt met de strofe:

ik bin heit wurden
fan in jonkje, sis ik
ja, it giet goed

In het laatste gedicht van de bundel zet het jongetje een stap “en noch ien / en lit syn earste spoaren achter”.

Hoe autobiografisch de bundel ook mag zijn, Paul van Dijk slaagt er grotendeels in om het particuliere te ontstijgen door van gedachten en gevoelens poëzie te maken. Daarbij roept hij soms ook de hulp in – en zowel Abe de Vries als Elmar Kuiper wijzen daar in hun recensies ook op – van bovennatuurlijke elementen die je ook in fabels of sprookjes aantreft. Zo kunnen seizoenen trommelend waarschuwen voor het gouden gewaad van de ‘Erlkeninginne’ of eksters voor de gevaren van het open veld, hebben mensen af en toe papieren vleugels en kan een vos in een rode jas tegen een boom leunend dingen zeggen “dy’t myn wurge earen net hearre kinne”. Ook andere vormen van beeldspraak en meer goed ingezette poëtische middelen als tegenstellingen waar deze debuterende dichter op gepaste manier gebruik van maakt, werken mee om Famke fan snie een geslaagde dichtbundel te noemen.