Imke Müller-Hellman – Verdwenen in Duitsland

Imke Müller-Hellman – Verdwenen in Duitsland. Levensverhalen van slachtoffers van concentratiekamp Engerhafe. Een zoektocht door Europa. Vertaling: Jantsje Post. (2018)

Pieter van der Weij, geboren in 1910, werd net als twee van zijn broers drukker in het familiebedrijf dat zijn vader in Huizum runde. In de Tweede Wereldoorlog werden er verzetskranten in het bedrijf gedrukt. De drie broers en hun vader werden in 1944 door de Duitsers opgepakt en naar Duitsland getransporteerd. Pieter stierf op 15 december 1944 in het concentratiekamp Engerhafe, gelegen tussen Embden en Aurich in het Duitse Oost-Friesland.

Concentratiekamp Engerhafe, een zogeheten buitenkamp van het beruchte concentratiekamp Neuengamme, bestond slechts twee maanden, van eind oktober tot eind december 1944. Doel van het kamp was om arbeidskrachten te leveren voor de bouw van de ‘Friesenwall’, een verdedigingslinie langs de Noordzeekust. De omstandigheden voor de dwangarbeiders waren abominabel. Er was te weinig sanitair en vooral te weinig voedsel. De mannen moesten dagelijks een paar kilometer naar de trein lopen, na een treinreis weer een stuk lopen om vervolgens metersdiepe geulen te graven. Op de terugweg moesten ze bijna elke dag hun dode kameraden meeslepen. In die twee maanden kwamen ten gevolge van deze verschrikkingen 188 mannen van dertien verschillende nationaliteiten om het leven, onder wie 68 Polen en 47 Nederlanders.

Tussen 1940 en 1948 woonde de grootmoeder van Imke Müller-Hellman, Elli, in Engerhafe. Ze was een jonge vrouw die twee maanden lang elke dag de vreselijke stoet uitgemergelde, uitgeputte, geslagen mannen terug zag lopen naar het kamp, de doden met zich meeslepend. “Die stoet heeft ze gezien en is ze nooit meer vergeten, daar vertelde ze steeds weer over.” Ook aan haar kleindochter die in 2005 met haar oma het kerkhof in Engerhafe bezoekt. Daar raakt de kleindochter geïntrigeerd door het monument op het kerkhof en ze leest de namen die op een plaquette staan hardop voor. Haar oma, dan 88, kan het niet aan en loopt weg, kleindochter Imke leest alle 188 namen.

Daarna bezoekt Imke Müller-Hellman de tentoonstellingsruimten van het concentratiekamp Neuengamme en besluit op zoek te gaan naar de verhalen achter de 188 namen van de gestorvenen in Engerhafe. Ze vindt nabestaanden, zoekt die op en vraagt naar de levensverhalen van hun familieleden. Elf van die verhalen, te beginnen met het verhaal van de Huizumer Pieter van der Weij, staan in het boek Verschwunden in Deutschland dat Müller-Hellmann in 2014 publiceerde en dat nu in een vertaling van Jantsje Post in een keurige gebonden uitgave in het Nederlands verschenen is: Verdwenen in Duitsland.

“Kom vanavond met verhalen / hoe de oorlog is verdwenen, / en herhaal ze honderd malen: / alle malen zal ik wenen” schreef de dichter Leo Vroman, die de oorlog in Nederland ontvluchtte, maar in een jappenkamp terecht kwam. En zo’n zeventig jaar na afloop van de Tweede Wereldoorlog duiken er nog steeds nieuwe verhalen op, vaak van min of meer gewone mensen in die oorlog. En in het boek Verdwenen in Duitsland zijn het, hoe de mannen ook van elkaar verschilden, eigenlijk allemaal dezelfde verhalen met dezelfde trieste afloop. En het heeft zin die te herhalen, niet alleen het verhaal van Pieter van der Weij, maar ook dat van Rients Westra, een zaadhandelaar uit Sexbierum die in een knokploeg zat. Na verraad werd hij door de Duitsers opgepakt en wegens terrorisme ter dood veroordeeld. Via Amsterdam, Vught en Neuengamme kwam Rients in Engerhafe terecht, waar hij aan dysenterie en uitputting bezweek.

Of het verhaal van Jaap Hamming, geboren in Hellevoetsluis, die bij Philips in Eindhoven ging werken. Diens zoon Dolf Hamming, later jarenlang directeur van uitgeverij de Bezige Bij – een uitgeverij die in 1944 illegaal werd opgericht – was negen toen zijn vader opgepakt werd door de Duitsers en uiteindelijk eind 1944 in Engerhafe overleed aan ‘bloedige dysenterie’. Imke Müller-Hellman spreekt met Dolf Hamming, zoals ze ook spreekt met nabestaanden van Gerrit Edzes, een boekhandelaar uit Groningen, of van de Deen Henry Sørensen, de Fransman André Coste, de Pool Witold Pyrek, de Spanjaard Manuel Canto Guerrero en anderen.

Een tikje extra wrang is het verhaal van de Poolse Henryk Godlewski. Müller-Hellman spreekt met diens zoon Ryszard, die zegt dat Müller-Hellman voor hem de brug is tussen hem en het graf van zijn vader in Engerhafe, dat hij nooit bezocht heeft. Als ze later alle documenten naar de kleindochter van Ryszard stuurt, blijkt dat het om een andere Henryk Godlewski moet gaan: “Godlewski is een veelvoorkomende naam in Polen”. Misschien nog wranger is het verhaal in de epiloog over Elsche (Elli) Müller, de oma van de auteur. Elli trouwde drie maal en overleefde al haar mannen. De laatste stierf in 2000 en met hem had ze dertien jaar samengeleefd. Kleindochter Imke schetst die laatste echtgenoot als een holocaustontkenner en een nazi in hart en nieren en ze noteert: “Als het ter sprake kwam, zei Elli dat ze niet uit liefde bij hem was maar uit angst voor eenzaamheid. Veranderde dat iets aan het feit dat ze met een nazi kon en wilde samenleven?”

Het boek begint met korte hoofdstukken over Engerhafe en Neuengamme. Het hoofdstuk over Engerhafe eindigt met de opsomming van de 188 namen op het monument op het kerkhof van Engerhafe. Achter in het boek staat de namenlijst van de 188 slachtoffers nog eens, nu niet alleen met hun volledige naam, maar ook met hun geboortedatum, geboorteplaats, beroep, sterfdatum en datum van begraven. Een indrukwekkende lijst, ook door de zorgvuldigheid waarmee de gegevens bijeengebracht zijn. Daarvóór nog zit een fotokatern met foto’s die letterlijk een gezicht geven aan deze elf slachtoffers van de wreedheden uit de Tweede Wereldoorlog.