Elske Schotanus

Elske Schotanus – Wurk (2017)

Het gegeven mag misschien wat clichématig zijn: een keurige zakenman wordt op zijn werk opzij gezet, neemt de trein, pakt zomaar een fiets en staat even later op een kruispunt: “Hjir stean ik, tinkt er, en ik kin alle kanten op. Letterlik en figuerlik”. Dat gegeven is in de nieuwe roman van Elske Schotanus, Wurk, op een geslaagde manier intelligent en speels uitgewerkt.

Eén van de speelse elementen is het vervlechten van de gedachten van de hoofdpersoon, meestal herinneringen, in het verhaal. Door zijn plotselinge vlucht en de vrijheid die hij daarmee creëert, reflecteert Jasper voortdurend op wie hij is en wat hij bereikt heeft. Daarbij schieten hem steeds fragmenten van zijn verleden door het hoofd. Dat varieert van gebeurtenissen op de lagere school, via zijn studietijd (HEAO) tot aan dingen die we als lezer zelf eerder meebeleefd hebben. Die gedachten van Jasper staan in een lichte kleur gedrukt direct tussen de gebeurtenissen uit het heden.

Jasper heeft een goede baan in het bedrijfsleven, hij is zestig en heeft een veel jongere vriendin, Marianne. Hij heeft het idee dat hij zijn werk prima doet en haalt dan ook veel opdrachten binnen. Tot hij, zonder dat hij het ziet aankomen, gepasseerd wordt. Dan blijkt ook al snel hoe hij zijn werk eigenlijk met tegenzin gedaan heeft en hoeveel woede hij opgebouwd heeft tegen het wereldje waarin hij werkte en leefde. Ook ziet hij in dat hij veel signalen heeft gemist dat men hem op het werk steeds minder nodig heeft gehad.

Tot dat inzicht komt Jasper al tekenend en schetsend, want op zijn vlucht heeft hij een schetsboek en tekenpotloden gekocht. Een van zijn eerste herinneringen is het tekenen op de basisschool en een van de eerste vragen die hij zichzelf stelt, is: “Wat as er nei de HAVO yndied in keunstoplieding dien hie?” Maar de kunstacademie kreeg hij thuis niet voor elkaar en het werd de HEAO: “Dat artistikerige gedoch, dat wie mear wat foar lju út Amsterdam. Yn saken, dát soe wat wêze. De wite board om, altiten skjinne hannen en in knap stik brea fertsjinje. De âldelju hiene it bêste mei him foarhân en oant op beskate hichte wie it slagge.”

Speels zijn de hoofdstuktitels, zoals ‘Net wurkje, netwurkje’ voor een hoofdstuk waarin Jasper galeries bezoekt, of ‘Cambuur of It Hearrenfean’ voor het hoofdstuk waarin een gleriehouder hem duidelijk maakt dat hij niet zomaar bij een andere galerie kan exposeren. Een aardig element is ook de figuur van Sytse Cavalier. Na een paar dagen in de vogelkijkhut hoort Jasper iemand in een soort halfdroom hem Sytse Cavalier noemen. En hoewel Jasper zich afvraagt of er werkelijk iemand bij hem in de hut geweest is, is er dan opeens wel een thermosfles met warme thee en er zijn droge kleren. Sytse Cavalier is de vrijbuiter die beschreven wordt in het bekende boek van Rink van der Velde Pake Sytse (1975), een van de best verkochte Friese romans ooit. In het boek van Van der Velde laat deze Sytse Cavalier rond 1930 plotseling huis en haard in de steek om ruim veertig jaar later ook zomaar weer terug te keren.

Even speels als intelligent is ook de rol die de kunst speelt in Wurk. Op de eerste dag van zijn vlucht uit het werk komt Jasper al in museum Belvedere en galerie Het Gemaal en komt hij in aanraking met het werk van de schilder Sjoerd de Vries. Hij hoort dan in zijn herinneringen oud-collega’s uit de zakenwereld over kunst praten in een hoofdstuk dat niet voor niets ‘Bladybladybla’ heet. De vriendin van Jasper heeft hem tevergeefs aan de Friese poëzie geprobeerd te krijgen, maar verder dan het in de boekenkast zetten van de verzamelde gedichten van Obe Postma is hij niet gekomen. Grappig zijn de speelse verwijzingen naar poëzie, zoals in de alinea waarin Marianne na Jaspers ontslag zegt dat zij wel contact opneemt met Jakob, zijn baas, omdat zij wel goed met hem kan opschieten:

‘Do dochst mar’, bromt er, op ‘e nij irritearre.

Wat se yn ‘e kop hat, hat se net yn ‘e kont, tinkt er as se de doar út is, mar it sit hem net lekker. Jakob en Marianne … Jasper krijt de tekening, by ûngelok falt it ilestykje op ‘e grûn. It liket wol in skjirke sa’t it dêr ynelkoar kringele leit, in stoffich griengriis skjirke. Marianne en Jakob … Hy flokt binnensmûlsk, om it idee dat sy Jakob … dat Jakob har … en om it papier dat, no’t it oer de flier leit, stiifkoppich hieltyd wer opkrollet.

“Hy kin net werom”, staat er een keer in het boek en dat slaat op verschillende zaken. Als Jasper zich rot voelt, denkt hij aan de gelukkige dagen in de vogelkijkhut waar hij zich bevrijd gevoeld heeft van zijn werk, maar waar hij denkt niet meer naar terug te kunnen. Hij kan al helemaal niet meer terug naar de zakenwereld. Niet alleen door zijn leeftijd, maar ook omdat hij zich daar geestelijk los van gemaakt heeft. En hij kan niet anders dan zich vastbijten in het schilderen en tekenen en het is mooi om te zien hoe hij zich daarin ontwikkelt en worstelt om een eigen stijl te vinden en ploetert om zijn werk aan de man te brengen. Mooi is ook hoe de ambachtelijke en creatieve ontwikkeling van Jasper in schril contrast staat met de geestdodende wereld van ambtelijke werkeloosheid- en uitkeringsinstanties met formulieren die ingevuld moeten worden en hun zogenaamde ‘op maat gesneden tips’.

Schotanus laat in dit boek een realistisch aandoend en weinig fraai beeld zien van de commerciële zakenwereld, waarin men zich met veel poeha beweegt. Het aardige is dat ze van de kunstenaarswereld vrijwel hetzelfde beeld schetst. Als Jasper zich tot kunstenaar ontwikkeld heeft, krijgt hij in de kunstwereld met dezelfde mechanismen te maken als in de poeha-cultuur van de zakenwereld waaruit hij ontsnapt is. Dat wordt er natuurlijk niet beter op als zakenmensen, onder wie de ex-baas van Jasper, zich in de kunstwereld bewegen, maar kunstrecensenten kunnen er ook wat van. “Brette hoannen”, zo concludeert Jasper zelf, “paradearje net allinne yn ‘e top fan it bedriuwslibben om.”

Schotanus weet het verhaal van Jasper in de kunstwereld naar een bevredigend einde toe te schrijven. Een open einde, dat wel, want het is maar de vraag hoe het verder zal gaan met Jasper. Wurk is geschreven in een even heerlijke literaire stijl als haar vorige boek, In kop as in almenak (2013), en ook de inhoud is zeker zo pakkend als in dat boek. Wurk is, kortom, een voortreffelijke roman.

 

Schotanus

Elske Hindriks – In kop as in almenak (2013)

Beeldend kunstenaar en auteur Elske Schotanus (1957) is geboren in Terbant. Na enkele jaren studie psychologie in Groningen ging ze werken in de geestelijke gezondheidszorg. Nu tekent ze en schrijft ze onder andere regelmatig journalistiek werk en columns voor het cultureel tijdschrift De Moanne. Na een Friese verhalenbundel in 2004 verscheen in 2007 haar eerste roman, Skrik, die zich afspeelt in een psychiatrische inrichting.

Het motto van haar nieuwe boek In kop as in almenak, geschreven onder het pseudoniem Elske Hindriks, is een citaat uit het Bijbelboek Prediker: “Der is gjin oantinken fen ‘e foarâlden; en de kommende slachten dy’t wêze scille, dêr scil ek gjin oantinken fen wêze by dyjingen dy’t letter wêze scille.” De auteur citeert uit de Friese Bijbelvertaling van Wumkes uit 1943 en het is wat kaal om daar (vanwege de begrijpelijkheid) de modernste Nederlandse vertaling tegenover te zetten: “De vroegere generaties zijn vergeten, en ook de komende zullen weer worden vergeten.” Want hoewel het goed één van de bedoelingen van dit boek weergeeft, mis je in het moderne citaat de sfeer die het boek ook oproept: de sfeer van voorbije tijden.

Veelzeggend voor het boek is het fragment op ongeveer eenderde van het boek. Dat fragment begint met “mist de grutte line … mar wat taskreaun … wêr’t je net altiten wat mei kinne … oansetten dy’t drama’s ûnthite wurdt neat mei dien … net trochsichtig …” en dan volgen er nog meer dan tien van dit soort opmerkingen. Een deel daarvan spookte op dat moment inderdaad door mijn hoofd. Ik was zelfs al een keer opnieuw in het boek begonnen omdat ik de draad niet meer kon volgen. Dat lag overigens niet alleen aan het boek, want ik probeerde dit boek te lezen door het af en toe eens te pakken tussen allerlei ander werk en andere boeken door. En dat is nogal onverstandig met zo’n fragmentarisch opgebouwd boek.

Want als je er even goed voor gaat zitten, is het helemaal niet zo’n moeilijk te volgen boek. Ja, het is behoorlijk fragmentarisch opgebouwd, is bepaald niet chronologisch en het perspectief wisselt zodat je wel eens na moet denken over wie wat zegt, maar het verhaal is al met al duidelijk. Er is een vertelster, een vrouw van middelbare leeftijd, die het verhaal in de tweede persoon enkelvoud vertelt, en beschrijft hoe haar moeder steeds vergeetachtiger wordt. De moeder, Sjoerdtsje, is zich daar ook wel van bewust en maakt zich er vanaf door te zeggen dat je ook wel een kop als een almanak moet hebben om maar alles te onthouden. Door de aftakeling van de moeder wil de vertelster vastleggen wat zij weet over het leven van zowel de moeder als de vader. Maar niet alleen de moeder, ook die vertelster weet niet alles en heeft geen kop als een almanak, zodat het boek een mooi moeizaam opgebouwde reconstructie is en niet een simpelweg vertelde waargebeurde geschiedenis.

Die reconstructie bestaat uit een vaak haperende aaneenschakeling van allerlei losse verhalen, aan de hand van wat de moeder nog weet (de vader is al overleden), maar ook via brieven, foto’s, krantenartikelen en verhalen van anderen, en gaat zelfs terug tot het leven van de grootouders van de vertelster. Zo wordt een beeld geschetst van een ruim honderd jaar omvattende familiegeschiedenis. Die staat natuurlijk niet los van de geschiedenis van de omgeving en je krijgt dan ook af en toe een glimp van hoe de maatschappij in Friesland zich in de twintigste eeuw ontwikkelde. Van boerenwerk ging het naar fabriekswerk, de losse halve liter melk, door de melkboer gebracht, werd een fles en uiteindelijk een pak melk, en katoenen lappen veranderden in synthetisch maandverband en later tampons.

Centraal in In kop as in almenak staat de moederfiguur en dat wordt direct duidelijk ingezet met het tweede hoofdstukje, dat ook een Bijbelcitaat als motto heeft (‘Eer uw vader en uw moeder’, Exodus 20 vers 12 – en niet vers 17 zoals in het boek staat) en dat een prachtig eerbetoon is aan die moeder. Het begint met: “Dizze frou hat dy droegen, dy berne, dy oan it boarst hân.” De anderhalve bladzij opsomming van wat ‘deze vrouw’ allemaal voor ‘je’ gedaan heeft, eindigt met: “Dizze frou hat op de gong fan it sikehûs wachte oant de dokter nei bûten komme soe en tocht: ‘As ik har mar hâlde mei.’ Se hat dy holden: dizze frou hat dy grutbrocht.”

Die vrouw is Sjoerdtsje, dochter van Klaas en Elske Hornstra. Hornstra was schipper op een skûtsje waarop Sjoerdtsje haar jeugd doorbracht. Haar vijf jaar oudere zus Tryntsje groeide deels op bij haar opa en oma, omdat ze door gebrek aan vitamine D last kreeg van de Engelse ziekte en moeilijk liep. Ze heeft een jonger broertje, Jeen. Sjoerdtsje trouwde in 1956 met Hindrik Hindriks uit Terbant die, niet afkomstig uit een schippersfamilie, in de oorlog een opleiding deed tot schippersknecht bij de Rijn- en kustvaart. Na de oorlog werd hij stuurman op de ‘Kleine Handelsvaart’ en voer onder andere op Scandinavië en Engeland, waar hij vlak bij het eiland Wright zelfs een schipbreuk overleefde. Sjoerdtsje ging alleen naar school als het schip van haar vader ergens langer stil lag; ze ging dan naar de schippersschool, in Leeuwarden, maar ook in Zwolle of Groningen. Verder werkte ze als jong meisje veel op het skûtsje. In de oorlog was het al niet makkelijk om vracht te krijgen, na de oorlog werd dat op een gegeven ogenblik onmogelijk.

Als Sjoerdtsje trouwt, woont het jonge echtpaar eerst bij zijn ouders in: er is woningnood en Hindrik is toch vaak op zee. Als na een dochter, de vertelster van het boek, ook een zoon geboren wordt, wil Hindrik meer thuis zijn en hij krijgt een baan aan de wal, maar daar ligt zijn hart niet en hij gaat weer varen. Eerst als kapitein-eigenaar op een coaster, later heeft hij een rondvaartboot in Friesland. Pas later in het boek krijgt de lezer (net als de vertelster na actieve naspeuringen zelf overigens) pas redelijk zicht op hoe de opleiding tot schippersknecht in de oorlog in zijn werk ging.

Behalve de geschiedenis van de moeder en de vader, komt ook de worsteling van de vertelster met het verhaal naar voren. Hoe te zoeken naar meer informatie en vooral hoe die te verwerken? Maar ook de huidige politiek, onder andere met betrekking tot de zorg of sociale zaken, wordt aangestipt, net als gedoe met verzekeringen, nutsvoorzieningen of in het onderwijs. Voor een deel heeft dat ook te maken met de plaats die de vertelster voor zichzelf zoekt in het verhaal. Als puber bijvoorbeeld zat ze op de mavo en meao niet goed op haar plek en in hoeverre is dat haar ouders aan te rekenen?

Zo geeft dit boek aan de ene kant veel feiten en ware gebeurtenissen, al dan niet ingekleurd door de hele of halve herinneringen. Aan de andere kant zijn er de gissingen en de vragen die opgeroepen worden, ook misschien wel bij de lezer ten aanzien van zijn eigen geschiedenis. En dan maakt het niet uit of je dit boek leest als een geschiedenisboek of als een roman: deze particuliere familiegeschiedenis heeft ook voor anderen betekenis.