Waling Dykstra

Waling Dykstra – Duvelskeunstner. Gedichten. Besoarge en ynlaat troch Abe de Vries. (2019)

In de reeks ‘Minsken en boeken’ – een reeks bio- en bibliografische uitgaven van de Fryske Akademy – verscheen als nummer 27 deze bloemlezing van gedichten van de negentiende-eeuwse Friese auteur Waling Dykstra (1821-1914). De ‘onbekendste bekende poëzie in de Friese literatuur’ noemt bezorger Abe de Vries dit poëtische werk.

Daar zou hij best eens gelijk in kunnen hebben. Waling Dykstra kent iedereen die maar een beetje weet heeft van de Friese cultuur- of literatuurgeschiedenis. Hij werd in de tweede helft van de negentiende populair door de veelvuldig georganiseerde en druk bezochte voordrachtsavonden, die bekend werden als het zogenaamde ‘Winterjounenocht’. Daarnaast was hij in opdracht van de provincie Friesland samensteller- eindredacteur van het Friesch Woordenboek dat eind negentiende, begin twintigste eeuw in vier delen verscheen. Eind negentiende eeuw publiceerde hij ook in twee delen Uit Friesland’s volksleven van vroeger en later, een zeer uitgebreide verzameling Friese volksverhalen.

Bekend bij menig Fries is ook wel Dykstra’s proza, met name de herhaaldelijk herdrukte novelle De silveren rinkelbel (eerste uitgave 1856, al in 1857 in het Nederlands vertaald) of liedteksten waarvan ‘Simmermoarn’, met de beginregel “Wat bistû leaflik, rizende simmermoarn” tot de canon van de Friese liedkunst behoort.  Maar juist zijn talrijke gedichten, zo benadrukt Abe de Vries in zijn ‘Foarwurd’ en inleiding, zijn altijd in de luwte van de belangstelling gebleven. Zijn gedichten zijn niet of nauwelijks gebloemleesd en de schrijvers van Friese literatuurgeschiedenissen hadden geen aandacht voor het poëtische oeuvre van Dykstra. Deze uitgave is zelfs de eerste bloemlezing met alleen maar gedichten van Waling Dykstra.

In zijn inleiding over de poëzie van Waling Dykstra pleit De Vries, zoals hij dat ook elders bij minder bekende negentiende-eeuwse en vroeg twintigste-eeuwse Friese auteurs al deed, voor een ‘historistische’ benadering van Dykstra’s werk, een werkwijze die het werk nadrukkelijk plaatst in de tijd waarin het geschreven is en die rekening houdt met het doel en het publiek waarvoor het geschreven is. Te veel, zo verwijt De Vries Douwe Kalma en latere literatuurgeschiedschrijvers, is het werk van Dykstra met een ‘historisistische’ blik bekeken, gebruik makend van literaire maatstaven uit de twintigste en nu zelfs 21e eeuw. En ja, aan díe maatstaven voldoet de poëzie van Waling Dykstra niet. Zo kreeg Dykstra het etiket ‘volksschrijver’ opgeplakt, wat hem diskwalificeerde als ‘literaire auteur’.

Opgegroeid in een bakkersgezin werd ook Waling Dykstra al heel jong bakker, maar als dertiger werd hij eerst koopman en al snel schakelde hij over naar het vak van boekhandelaar/uitgever en begon hij voordrachten te houden waar hij geld mee verdiende. Vanaf zijn tienertijd schreef hij gedichten. Zijn eerste gedicht, ‘De wintermerke by Harns op ‘e see’ verscheen in Suringar’s Friesche Almanak van 1840. Dykstra schreef het gedicht in 1838 toen hij zeventien jaar oud was. Het is ook het eerste gedicht in deze bloemlezing, want Abe de Vries heeft gekozen voor een chronologische volgorde.

De Vries deelt het poëtische werk van Waling Dykstra op in drie periodes die samenvallen met de plek waar Dykstra dan woont. In het eerste deel, ‘Froubuorren/Spannum, 1838-1855’, is hij bakker en De Vries laat zien hoe hij voorzichtig de overstap maakt van romantische, verhalende gedichten maar meer realistische gedichten, geschreven in een – voor díe tijd – opmerkelijk ‘gewoon’ spreektalig Fries en met een sterk ritmische, klassieke strofebouw. Uit alles blijkt dat de gedichten van Dykstra voornamelijk geschreven werden om voorgedragen te worden.

Waling Dykstra is, zo zegt De Vries, met Harmen Sytstra, de grondlegger van het ‘Fries realisme’ en hij legt dat uit als een combinatie van taalstrijd, ‘secundaire oraliteit’ en romantisch realisme. Het is volgens De Vries een combinatie die in de Nederlandse literatuur van de negentiende bijvoorbeeld niet voorkomt, maar wel in andere minderheidstalige literaturen zoals het Platduits. Dykstra wil met zijn schrijfwerk de Friese burgerij zelfbewuster maken en is economisch en sociaal progressief als hij standsverschillen, onrecht en onderdrukking aanklaagt. Daarnaast is hij soms ook sociaal en moreel conservatief als hij teruggrijpt op bijvoorbeeld een romantisch, Fries-nationaal gevoel.

De gedichten in de tweede periode, ‘Frjentsjer, 1855-1861’, verschillen niet zoveel van die in de eerste periode. Wel wijst De Vries op het gegeven dat Dykstra het in die periode ook druk heeft met de redactie van een jaarboekje en een tweemaandelijks tijdschrift. Dykstra schrijft misschien wel meer dan goed is voor zijn naam, zo formuleert De Vries het vriendelijk, al wijst hij ook op enkele ‘pareltjes’. Die bewijzen dat hij ‘de jongeren, de lyriek en de humor’ niet vergeten is.

Uit die periode dateert bijvoorbeeld het ‘Aaisikersliet’ en ‘Ealses klachte’. In dat laatste gedicht vertelt Ealse over zijn hopeloze verliefdheid op ene Maaike. Hij is er helemaal door van slag, maar durft niet aan zijn moeder te vertellen wat hem dwars zit. Die laat hem Urbanuspillen slikken, een middel dat in die tijd veel werd aangeprezen in advertenties en onder andere zorgde voor een betere stoelgang. Ealse hoopt op het eind dat Maaike er spijt van krijgt dat ze hem in de kou laat staan, maar hij zal toch maar vanwege die kou zijn duffelse jas aantrekken.

In 1860-1861 verandert er veel voor Waling Dykstra. In die periode begint hij met zijn Winterjounenochten én hij verhuist naar Holwert waar hij een groot gezin onderhoudt met zijn werk als voordrager, schrijver en boekhandelaar. Volgens Abe de Vries lijdt Dykstra’s poëzie ook in deze periode aan een gebrek aan concentratie die het schrijven voor het Winterjounenocht met zich meebracht. De beste gedichten van Dykstra zijn dan in tijdschriften te vinden en hij slaat daarin een wat conservatieve, beschouwende en filosofische toon aan. Als voorbeeld noemt De Vries ‘Oertinkings op ‘e spoarwei’.

Dat is een gedicht uit 1863 van ruim honderd korte gepaard rijmende versregels, dat stond in de Friesche Volks-Almanak van 1865. Aanleiding is een reisje van Leeuwarden naar Franeker: “It is ferlyn in wike twa, / Doe woe ‘k fan Ljouwert nei Frjentsjer ta”. Anders dan anders pakt de ik-figuur in dit gedicht niet de trekschuit waarmee de reis zo langzaam gaat dat je er vaak slaperig van wordt. Dat hoeft ook niet meer zo, want:

Der leit in iiz’ren wei nou klear,
Dêr rint in iiz’ren hynder op,
Dat lûkt, mei ’n feart as yn galop,
In hiele rige weinen fuort,
En yn in tiidstip mâle koart
Nei Harns ta, dat it wier en wis
Foar mannichien in wonder is.

Maar als hij de schaapjes weg ziet rennen, opgeschrikt door het lawaai van de trein en de dampen die deze uitstoot, vraagt hij zich af of met de komst van de trein er niet veel meer gaat verdwijnen. Hoe zal het bijvoorbeeld gaan met de Friese taal en het “âlde Fryske sljucht en rjucht”? Hij werpt dan zelf zijn zorgen van zich af: iedereen is toch blij met de spoorweg en niet alles kan nu eenmaal blijven zoals het is. Daarbij: al het nieuwe wordt ook weer oud. En hij spreekt zichzelf moed in: er zullen toch altijd wel mensen zijn bij wie het Friese bloed zo diep zit dat ze er wel voor zullen zorgen dat de Friese taal in stand blijft. Voor de zekerheid doet hij aan het eind nog een aanbeveling:

Wy achtsje ’t dêrom fan belang,
Dat Fryslâns taal noch iuwen lang
Bestean bliuwt yn dit Fryske lân,
Wat nijs hjir ek komt ta stân,
En elk dy’t Fries is, hoopje wy,
Draach ta dit doel graach sines by.”

Het is opvallend, zo zegt De Vries, dat Dykstra juist midden in de periode van de Friese economische hoogconjunctuur zich in dit gedicht zorgen maakt over de vooruitgang, omdat die vooruitgang wel eens ten koste zou kunnen gaan van de Friese cultuur.

In latere gedichten, zo laat De Vries zien, zal Dykstra vaker politiek-filosofisch schrijven met de vooruitgang als thema en die gedichten, waaronder een strijdlied als ‘De Fryske taal’(uit 1877) leggen deels de fundamenten voor het Friese taalnationalisme van het laatste kwart van de negentiende eeuw. Het eerste couplet van dat lied:

Jimmer moat ik smeulend hearre:
Fryslâns sprake moat fergean
En oan ferfal fan krêften stjerre;
Hja is tenein en kin net mear bestean.

En het refrein:

Mar ik sil stride
Sa lang ik stride kin,
Foar Fryslâns taal
En frije Fryske sin.
Fryslâns taal, Fryslâns taal,
Fryslâns taal hâld ik yn eare;
Fryslâns taal, Fryslâns taal,
Fryslâns taal, sa fol fan krêft en praal.

De beginregel van het refrein van dit lied zou de titel worden van uitgave nummer 13 uit de reeks ‘Minsken en boeken’, een boek over ‘persoon, leven en werk van Waling Dykstra, uitgegeven ter gelegenheid van zijn honderdvijftigste geboortedag’ in 1971. In dat boek (p. 42-52) heeft Jan Wybenga een stuk over de poëzie van Waling Dykstra geschreven, waar De Vries nergens naar verwijst. Wybenga vraagt zich in 1971 ook al wel af of het oordeel van Douwe Kalma en van Tjitte Piebenga in zijn overzicht van de Friese literatuurgeschiedenis over de poëzie van Dykstra wel klopt. Hij doet in tien bladzijden een klein onderzoekje naar de poëzie van Dykstra en gebruikt daarvoor een – zo zegt hij zelf – beperkte en sterk persoonlijke keuze uit diens gedichten.

Hij is bepaald niet te spreken over Dykstra’s epigrammen. Dat is dan ook precies het genre gedichten dat Abe de Vries – die ze omschrijft met de zin ‘bij tijdschriftredacteur Dykstra veelal gebruikt als opvulling als er op een bladzij wat ruimte over is’ –  geheel achterwege laat. Wybenga kijkt naar de inhoud van andere gedichten en constateert dat vaak – en hij suggereert té vaak – een grappig gegeven te breed uitgemeten wordt. Ook wijst hij erop dat de stof voor de verhalende gedichten nogal eens ergens anders vandaan komt. Soms zet Waling Dykstra dat er zelf bij, vaak ook niet. Wat wel opvalt, volgens Wybenga, is dat ondanks de slappe verhaaltjes in de gedichten wel een aardig beeld naar voren komt van Friese mensen in de negentiende eeuw.

Toch is ook het algemeen beeld van Wybenga over de poëzie van Dykstra niet erg positief. Net als literatuurgeschiedschrijvers als Kalma, Piebenga en Klaes Dykstra noemt Wybenga Dykstra een vakman in het schrijven van lange, berijmde stukken, maar hij lijkt het woord ‘dichter’ wel te vermijden. Hij moet té veel zoeken in het omvangrijke oeuvre om er wat goeds uit te kunnen halen.

Aardig is wel dat Wybenga een poging doet om de opbouw van de gedichten van Dykstra te karakteriseren. Zo gebruikt Dykstra vaak een zelfde openingsformule – in de eerste zinnen wordt de hoofdpersoon voorgesteld – en Wybenga geeft ruim twintig voorbeelden. Daaraan is bijvoorbeeld te zien dat Abe de Vries blijkbaar een totaal andere keus maakt uit de gedichten van Waling Dykstra dan Jan Wybenga. Slechts twee van de meer dan twintig voorbeelden die Wybenga noemt, staan in de keuze van Abe de Vries. Het zijn het gedicht ‘Rekke en dochs mis’ uit 1873 (met de beginregel “Jan Nyfier wie in snoade jonge”) en het gedicht ‘Krekt op ‘e tiid’ uit 1880 (met de beginregel: “Jan wie in flinke boeresoan”).

Anders dan Wybenga in zijn beschouwing over de poëzie van Waling Dykstra, doet Abe de Vries in zijn inleiding een betere poging om zijn keus van de gedichten te verantwoorden, al zal ook de keus van De Vries niet aan een persoonlijke kleur kunnen ontsnappen. Bovendien is De Vries zich er terdege van bewust dat een bloemlezing altijd een ‘constructie van een afgesloten, historisch oeuvre’ is. Hij benoemt wat hij niet gekozen heeft, naast de epigrammen bijvoorbeeld de lange historiestukken, en legt dan zijn criteria voor de keus van de ruim zestig geselecteerde gedichten uit.

Als eerste noemt hij, en daarin verschilt hij nauwelijks van anderen die iets over de poëzie van Dykstra gezegd hebben, het vakmanschap van deze dichter. De Vries is bepaald niet bang voor wat moderne vergelijkingen. Zo vergelijkt hij de assonerende klanken in de beginregels van het gedicht ‘It boask yn ‘e iere moarn’ met de openingsklanken van de mondharmonica in de film Once upon a time in the west. Ook het verhalende karakter van de poëzie van Dykstra is door voorgangers wel genoemd. Andere criteria zijn het maatschappelijk engagement in Dykstra’s poëzie, de humor en het taalspel.

Verder plaatst De Vries het dichterlijke werk van Waling Dykstra nadrukkelijk tussen de twee gecanoniseerde negentiende-eeuwse dichters Eeltsje Halbertsma en Piter Jelles Troelstra in. Daarnaast is Waling Dykstra, aldus De Vries, als dichter niet alleen belangrijk geweest voor meer of minder getalenteerde navolgers, onder wie de jonge Troelstra, maar heeft hij een groot deel van het Friese volk in de tweede helft van de negentiende eeuw gevormd.

Na deze krap twintig bladzijden inleiding – die als titel ‘Feinten, fammen hear nei my!’, een citaat uit het gedicht ‘Doaitse mei de Noardse balke’ uit de gelijknamige bundel uit 1848 meegekregen heeft – volgen de gedichten, in chronologische volgorde. Onder elk gedicht staat de bron waar het gedicht uit komt. Vaak staan daar ook verklarende aantekeningen bij, bijvoorbeeld over (plaats)namen of gebeurtenissen die genoemd worden. Heel vaak staat er iets bij over de al of niet door Waling Dykstra zelf aangegeven melodie waarop het gedicht gezongen kan worden. Ook staan er bij veel gedichten verwijzingen naar de bron van het verhaal in een gedicht of naar een gedicht (in het Nederlands of Duits) dat Dykstra navolgde of bewerkte. Achter in het boek staat nog een bibliografie van de boekuitgaven van Waling Dykstra.

Het blijft misschien een merkwaardig gegeven dat er pas ruim honderd jaar na het overlijden van Waling Dykstra op deze wijze aandacht geschonken wordt aan zijn gedichten. Maar ‘better let as net’ zullen we maar denken. Bovendien kunnen de liefhebbers van literatuur(geschiedenis) blij zijn met deze wijze van aandacht. Het boek is daarbij door Utjouwerij DeRyp van de Gerben Rypma Stifting op een zeer verzorgde wijze uitgegeven.

Waling Dykstra - De silveren rinkelbelWaling Dykstra – De silveren rinkelbel Fryske Klassiken II: nr. 10 (2003; 1e dr. 1856)

Dit is in de serie Fryske Klassiken een herdruk van één van de meest gelezen Friese boeken. Zoals gebruikelijk staat achter in het boek gedegen informatie over de auteur, het boek en de ontvangst ervan. De eerste druk verscheen in 1856 en een jaar later kwam een Nederlandse vertaling. De intrige van het verhaal is ingewikkeld; het 19e-eeuwse vondelingmotief speelt een grote rol, naast de geschiedenis van de patriotten in Stiens. Pabe Roukes trouwt met Doutsen, maar ondanks een dochter, Tsjamke, loopt ze weg. Diezelfde dag verdwijnt er een baby bij een ongeluk met een kar. Niet lang daarna wordt een pakketje bezorgd bij Pabe: een kind van ongeveer een jaar. Deze Wouter groeit op bij Pabe en zijn nieuwe huishoudster. Later worden Wouter en Tsjamke verliefd, maar het lijkt steeds duidelijker dat Wouter een halfbroer is van Tsjamke. Uiteindelijk blijkt dat niet zo te zijn en kunnen de geliefden toch trouwen. Voor de moderne lezer zitten er wel wat onwaarschijnlijkheden in het verhaal. Toch zal het boek door de onderhoudende verteltrant van Dykstra menig modern lezer nog wel aanspreken.