Redmond O’Hanlon – In reis nei it hert fan de Kongo

Redmond O’Hanlon – In reis nei it hert fan de Kongo (e-book, 2023 – oersetting Martsje de Jong)

Peter Boersma en Anne Popkema van Boekbureau Fier en Utjouwerij Regaad waren er al jaren mee bezig, maar net voor de kerst konden ze dit jaar de Friese vertaling In reis nei it hert fan de Kongo van Redmond O’Hanlon als e-boek laten verschijnen. Martsje de Jong vertaalde het dikke boek in prima leesbaar Fries en verrijkte de Friese taal en passant met de namen van inheemse dieren die nooit eerder een Friese naam kregen. En dat zijn er nogal wat. O’Hanlon schrijft enthousiast en soms met ontzag over dieren als gorilla’s of chimpansees, moerasantilopen of bosolifanten, cobra’s of krokodillen, adelaars of papegaaien, vlinders of andere insecten.

Die dieren worden trouwens ook vaak afgebeeld in de kantlijn van het boek. Een klik op die afbeelding en er verschijnt een grote afbeelding: de kracht van een e-boek!  De makers hebben contact gezocht met O’Hanlon – die samen met zijn Nederlandse vrouw alweer een paar jaar in Drenthe woont – en ze hebben met de auteur foto ’s, kaarten, boeken en andere voorwerpen uit zijn privéarchief opgediept. Afbeeldingen daarvan hebben een plek gekregen in het e-boek dat gratis te downloaden is via de website van Utjouwerij Regaad.

De Engelse wetenschapper en reisboekenschrijver Redmond O’Hanlon (1947) maakte in het begin van de jaren negentig een reis van zes maanden door de oerwouden in het noorden van de Afrikaanse Republiek Congo. De tocht gaat een klein stukje met een overvol passagiersschip, maar meestal per kano, te voet en soms over de weg in de laadbak van een pick-up. Het einddoel is Lac Télé, een mysterieus meer waar Mokélé-Mbembé, de ‘Congodinosaurus’ zou wonen. Het is een indrukwekkende reis die, zo zegt de schrijver, een ander mens van hem maakte.

Want hoewel O’Hanlon, in tegenstelling tot zijn directe reisgezel in het eerste deel van de reis, de Amerikaanse hoogleraar psychologie en dierengedragskundige Larry Shaffer die met gezondheidsproblemen kampt, niet voor een kleintje vervaard is, maken het geweld en de wreedheid van mensen en dieren hem soms ook bang. En er is ook heel wat voor nodig om de expeditie tot een goed einde te brengen. Een flinke hoeveelheid medicijnen bijvoorbeeld tegen allerlei vreemde en tegen allerlei alarmerend ziektes en niet te vergeten een flinke som geld om ambtenaren om te kopen voor reisdocumenten bijvoorbeeld, en geschenken voor de inheemse bevolking (verschillende stammen van pygmeeën).

Een belangrijke reisgenoot is behalve Larry Shaffer de Congolese bioloog Marcellin Agnagna. Hij is algemeen directeur van het departement voor Fauna- en Florabeheer en is een van de weinigen die Mokélé-Mbembe gezien heeft, al heeft hij daarvan geen filmpje kunnen maken. Volgens Marcellin heeft het dier een brede rug, een lange nek en een kleine kop en is het een meter of vijf lang. Als O’Hanlon een verslag van Marcellin hierover voorleest, geeft Larry Shaffer daar telkens heel droog commentaar tussendoor. In tegenstelling tot O’Hanlon gelooft Shaffer geen seconde dat er in werkelijkheid zo’n dier zou bestaan. Naast Marcellin trekken Nzé en Manou, familieleden van Marcellin, met de expeditie mee.

Het boek wordt voor een deel gedragen door het observatievermogen van O’Hanlon. Of het nu gaat om de beschrijving van gebouwen of de natuur in al haar facetten of om de gewoontes (vaak ook spiritueel en occult) of de problemen (bijvoorbeeld tropische infectieziektes) van de inheemse volken, de schrijver noteert het allemaal even uitvoerig als stijlvol. De tegenstelling tussen de meer neurotische, maar ook cynischer Larry Shaffer en de veel nuchterder O’Hanlon leidt bovendien regelmatig tot uiterst humoristische passages.

O’Hanlon heeft zich terdege voorbereid op zijn Congoreis. Hij heeft er heel veel over gelezen en daar maakt hij in zijn reisverslag ook regelmatig gebruik van. Zo kom je passages tegen als deze, waarin zijn observatievermogen en zijn bewondering voor de Congolese natuur doorschemeren, maar waarin hij ook commentaar levert op wat hij over Congo gelezen heeft:

“En heech boppe yn ’e termyk boppe in sânbank sweven twa grutte fûgels mei swarte, brede, raffelige wjukken, mei wite kop en wyt boarst en mei in wite sturt dy’t sa koart wie, dat er diel út like te meitsjen fan ’e ôfhingjende rânen fan ’e flerken – ús earste Afrikaanske see-earnen. Wylst ik mei de kiker nei se digere, dûkte de heechste fan ’e beide del op syn wyfke; hy brocht syn poaten nei foaren en omheech wylst er lâns har kaam en heakke efkes syn kloeren yn dy fan har: se dûkelen nei ûnderen, yn in twirjen fan swarte wjukken; se giene wer út elkoar en ferfetten harren kalme, brede, spiralen omheech. Sels Gide, konkludearre ik, hie it wol ris by it ferkearde ein: ‘It moat tajûn wurde,’ sa hie er op 22 septimber 1925 yn syn deiboek optekene, ‘dat de feart streamop oer de Oubangui hopeleas ientoanich is.’”

Dit reisverslag leest als een boeiende roman, onder andere door de vele levendige dialogen en andere gesprekken die erin staan. Vooral de dialogen tussen O’Hanlon en Shaffer zijn bij vlagen zeer humoristisch, wat mede veroorzaakt wordt doordat Shaffer zich gedraagt als een kruising tussen Maarten van Rossum en Midas Dekkers. Ook drank speelt weleens een rol. Zo denkt O’Hanlon op een gegeven moment dat Larry ziek geworden is, omdat hij wankelt op zijn benen. Marcellin haalt hem uit die droom door te zeggen dat de flesjes tonic die ze gedronken hebben voor tachtig procent uit alcohol bestaan.

In reis nei it hert fan de Kongo staat vol bizarre verhalen die vaak te maken hebben met het (bij)geloof van de inheemse stammen, met magie, tovenaars of bosgeesten. O’Hanlon beschrijft die verhalen meestal zonder zelf commentaar te leveren – in tegenstelling tot Shaffer – en luistert met enig begrip naar de uitleg die bijvoorbeeld Marcellin over de verhalen geeft. Dan is het toch op zijn minst opvallend als O’Hanlon tegen het eind van het boek zelf onderwerp van een bizar verhaal wordt en zich laat meeslepen.

O’Hanlon krijgt namelijk een babygorilla cadeau van een man die hij medicijnen gegeven heeft en die daardoor genezen is. Verzwakt door koorts en vermoeidheid besluit O’Hanlon het beestje te houden. Hij verandert zelfs zijn plannen. Hij wilde tegen de zin van zijn medereizigers nog een paar maanden verder reizen in het oerwoud, maar als hij eenmaal besloten heeft voor de babygorilla te zorgen, wil hij opeens ook wel de terugtocht aanvangen. En in die verzorging van de babygorilla gaat hij ver, heel ver. Het begint ermee dat hij het gorillaatje bij hem wil laten slapen.

De anderen begrijpen werkelijk helemaal niets van O’Hanlon. Marcellin waarschuwt hem, Nzé wil het beestje direct doodmaken, maar O’Hanlon is niet te vermurwen. Hij zorgt dag en nacht voor de babygorilla, maar raakt steeds meer in de war in het dorpje in de jungle waar de expeditieleden niet meteen weg kunnen. Tot overmaat van ramp vlucht Marcellin uit het dorp omdat hij als directeur van het Flora- en Faunabeheer bang is vermoord te worden door olifantenjagers.

O’Hanlon raakt geïsoleerd, de anderen mijden hem omdat hij onder gorillastront zit en stinkt. Om de tijd door te komen leest hij de babygorilla voor uit het laatst overgebleven pocketboek dat hij nog heeft: Oblomov van Ivan Gontsjarov. Ook ‘leert’ hij het gorillaatje de namen van bomen en planten en legt hem uit hoe het oerwoud daar ontstaan is. Deze passages zijn even humoristisch als ontroerend en doen niet erg realistisch aan, al is er wel een foto van Redmond O’Hanlon met een babygorilla op de arm.

Als Marcellin terugkomt om O’Hanlon op te halen en de terugreis te beginnen, pakt hij de babygorilla van O’Hanlon af. O’Hanlon stinkt, zit onder de gorillastront en is behoorlijk in de war. Maar dan ziet hij de wimpelnachtzwaluw, de vogel die hij het liefst wilde zien en waar hij ook naar op zoek is. Als hij later dat moment vertelt aan Marcellin, reageert die nuchter met de mededeling: “Mar Redmond, dy sjochst rûnom. Hoechst net nei it oerwâld te gean. Se hâlde net iens fan oerwâld! Se hâlde fan wegen. Se rêste út op wegen. Om sa’n fûgel te sjen hoechst allinne mar rûn te riden yn in pick-up!’”

Ik las het boek in een gemakkelijke stoel met de iPad op schoot of op een comfortabele bureaustoel achter de computer in de galerie. En ik ben helemaal geen liefhebber van reisavonturen, maar ik verkeerde gedurende het lezen van het boeiende verhaal helemaal in de jungle van Congo. En ik genoot met volle teugen van de bijzondere opmaak van het boek. Behalve de honderden illustraties die aangeklikt kunnen en de kaartjes van de reis die ook op elke bladzij tevoorschijn geroepen kunnen worden, begint elk hoofdstuk met een in een grotere groene letter afgedrukte eerste alinea. Bij het opslaan van het nieuwe hoofdstuk – er zijn er 37 – komen de beginkapitaal en het hoofdstuknummer net even later dan de hele tekst aanschuiven. Prachtig!

Het boek lezen op mijn e-reader was geen succes. De e-reader kon de prachtige opmaak van het e-boek volstrekt niet aan, dus het heeft zeker zin om de aanbeveling op de website van Regaad te volgen: “Dit e-boek is it bêste te lêzen op in iPad.“ Dan krijg je als lezer inderdaad de beloofde unieke leeservaring, al lukt het ook op een gewone computer via Adobe Digital Editions.