Marten Hepkes Bakker

Marten Hepkes BakkerMarten Hepkes Bakker – Dan krije ek de fûgels dien. Gedichten. Gearstalling en ynlieding Abe de Vries (2016).

Marten Hepkes Bakker (1848-1927) schreef zo’n tweehonderd Friese gedichten en werd tot nu toe niet veel meer dan een volksdichter genoemd. Werk van hem is dan ook nooit eerder gebundeld, nauwelijks in literaire bloemlezingen opgenomen of besproken in een literatuurgeschiedenis. Abe de Vries doet nu een niet onaardige poging om Bakker min of meer te rehabiliteren.

De Vries heeft daartoe een bloemlezing met zo’n veertig gedichten van deze dichter uit het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw geselecteerd. Hij haalde die gedichten uit handschriften die bewaard zijn gebleven. De samensteller vermeldt niet waar welk gedicht gepubliceerd is; hij noemt in een legenda wel het jaartal en in zijn inleiding somt hij een aantal periodieken (jaarboekjes, almanakken) en kranten op waarin Bakker gepubliceerd heeft. Het is jammer dat De Vries voor deze redelijk unieke uitgave niet iets uitvoeriger geweest is en bijvoorbeeld ook niets zegt over het herspellen van de gedichten.

In zijn inleiding biedt De Vries een duidelijke schets van het leven van Marten Hepkes Bakker. Hij is geboren in 1848 als oudste zoon uit een middenstandsfamilie in Langweer. Als zijn vader in 1877 overlijdt, is Marten Hepkes – waarschijnlijk, zegt De Vries – kastelein en bakker in Nijega-Scharsterbrug, maar daar gaan de zaken niet goed. Met zijn vrouw verhuist hij naar Akkrum waar hij met geld uit de nalatenschap van zijn vader een koffiehuis/logement koopt, waarin hij tevens een schildersbedrijf probeert op te zetten. Een jaar later moet hij de zaak met verlies verkopen. Hij woont en werkt de jaren daarna op verschillende plaatsen, waaronder zijn geboorteplaats Langweer. Meestal als bakker, tot hij in 1896 opduikt in Leeuwarden waar hij de kost verdient als fabrieksarbeider en broodventer.

Enkele jaren later verhuist hij naar Huzum en in 1910 gaat de fabriek waar hij werkt failliet, vrij dramatisch voor de dan 62-jarige fabrieksarbeider. Na een oproep van Waling Dykstra krijgt Marten Hepkes Bakker financiële steun van ‘een gegoede Friese familie’, waarschijnlijk van krantenman Hepkema voor wie Bakker wat klusjes doet. Bepaald geen glansrijke carrière en inleider De Vries zoekt een verklaring voor Bakkers sociale teloorgang in een combinatie van diens onrustige aard en verkeerde gewoontes (hij had waarschijnlijk een drankprobleem) met de economische en sociale omstandigheden van het toenmalige Friesland.

Het tweede deel van De Vries’ inleiding gaat over Bakkers poëzie. Diens proza laat hij bewust buiten beschouwing, overigens wordt niet duidelijk waarom. De Vries laat zien dat de eerste gedichten van Bakker werden opgemerkt door de literaire voormannen Troelstra en Sytstra en dat zijn latere werk bekend moet zijn geweest bij dichters als Kiestra en Sybesma. De Vries deelt Bakkers werk zowel chronologisch als thematisch in. Zo zijn bijvoorbeeld gedichten uit de periode 1877 tot 1895 deels sterk geëngageerd, terwijl lyrische elementen goed aan te wijzen zijn. Werk van begin 20e eeuw is nog sterker lyrisch, maar Bakkers levenshouding is dan oerconservatief geworden, hoewel hij tegelijkertijd ook bijna anarchistisch en pacifistisch gebleven is. De oudere Bakker ten slotte klinkt pessimistisch en lijkt allerlei moderniteiten niet te willen of kunnen waarderen, waarbij hij regelmatig een sterk persoonlijke toon hanteert.

De Vries toont vrij overtuigend aan hoe het kon gebeuren dat de in zijn tijd toch redelijk bekende Bakker niet gecanoniseerd is. Volgens De Vries heeft dat onder andere te maken met Bakkers lage sociale status, maar hij laat ook zien hoe Bakkers poëzie niet overeenkwam met wat canoniseerders als Kalma of Wumkes voor ogen hadden. De Vries’ beschouwing mondt uit in een aanstekelijk en redelijk geloofwaardig pleidooi om Marten Hepkes Bakker zijn eigen plaats te geven in de Friese poëziegeschiedenis.

Ondanks het aanstekelijke pleidooi valt me wel op dat Abe de Vries de schuld voor het ontbreken van Marten Hepkes Bakker in de Friese literatuurgeschiedenis wel erg eenzijdig legt bij de vroeg twintigste-eeuwse literaire leidsmannen en de latere literatuurcritici. Je kunt je bijvoorbeeld ook afvragen hoe het komt dat werk van Bakker niet door contemporaine uitgevers gebundeld is. Het ontbreken van (literaire) ambitie bij Bakker zelf zal daar onder andere debet aan zijn, maar misschien heeft het toch ook te maken met de literaire kwaliteit van een deel van Bakkers poëzie die ook neigt naar gelegenheidswerk. Soms zelfs is een gedicht niet veel meer dan aardige rijmelarij: ‘k Bin in ienfâldich boerke, / mei ‘t pypke yn ‘e brân, / mei klompen oan ‘e fuotten. / Ik libje nei myn stân.

Over die kwaliteit kun je als lezer nu deels oordelen. Natuurlijk zal de samensteller van deze bloemlezing de in zijn ogen beste 25% gekozen hebben, al krijgen we niet goed te weten op grond waarvan hij die keuze gemaakt heeft. Zo weten we ook niet of – en in welke mate – de hier niet gepubliceerde gedichten van mindere kwaliteit zijn. De gebloemleesde gedichten zijn in ieder geval gemakkelijk leesbaar en De Vries presenteert ze in drie afdelingen. De afdeling ‘Lyriek’ bevat gedichten van 1878 tot 1922 die gaan over zijn eigen verjaardag of een dertigjarig huwelijksfeest (van hemzelf en van een vriend), de herfst, het einde van het jaar, een storm, beelden uit het verleden of het voorbijgaan van de tijd, met onder andere veel natuurbeelden, zoals in de beginstrofes van het gedicht over de dood van zijn zoon Haije, ‘Allinne’ uit 1905:

‘k Sit hjir yn ‘e griene gerzen
blom en klaver om my rûn.
Leaflik is natoer har wêzen;
wêr wurdt moaier glâns op fûn?

Fier kin ‘k nou it fjild oer stoarje
mei Natoer har leaflik guod.
Wat soe ek jin mear bekoarje
as wat hjir tentoansteld wurdt?

De tweede afdeling, ‘Sociale Kritiek’ bevat gedichten van 1878 tot 1912. In die gedichten kiest de dichter partij voor de kleine man (zichzelf?) die het moeilijk heeft, kampt met geldgebrek, te maken krijgt met verleidingen (drank!) terwijl vrouw en kinderen thuis zitten te verkommeren, over bedrog van de middenstand en schijnheiligheid van orthodox-gelovigen. Het zijn vaak lange tot zeer lange, verhalende gedichten – van sommige gedichten, ook in de laatste afdeling, is zelfs slechts een fragment opgenomen – waarin Bakker regelmatig gebruik maakt van dialogen.

In de laatste afdeling, ‘De nieuwe tijd’, met gedichten uit de jaren 1903 tot 1924 beklaagt de dichter zich bijvoorbeeld over het kappen van bomen ten behoeve van het bouwen van nieuwe huizen of rondom de kerk, het vernielen van de natuur, de opmars van reclameborden, het dempen van stadsgrachten, of de drukte van de stad zoals in ‘In bûtenman’ (1909):

Kom oan, ik sis de stêd farwol.
Ik ha myn boadskip dien,
‘k stap leaver om yn ‘t romme fjild
as tusken blokken stien.

Ik ha myn nocht al lang wer hân
fan al dat steds rumoer,
en dat geskreau sa troch elkoar,
dêr kin ‘k alheel net oer.

Plus nog 24 strofen, want ook hier kan Bakker wel wat breedsprakig zijn.

Ik moet zeggen dat ik de gedichten niet altijd mee vind vallen, zeker niet na het gloedvolle betoog van de inleider voor rehabilitatie van de poëzie van Marten Hepkes Bakker. Diens gedichten, zoals ze nu in deze bloemlezing gepresenteerd worden, zijn gezien de tijd waarin ze geschreven werden voor een deel zeker verdienstelijk te noemen. Van sommige merk je dat ze fantastisch voorgedragen kunnen worden, wat Bakker in een bepaalde periode zelf ook gedaan heeft. Maar wat mij betreft staat het mooiste gedicht helemaal voorin het boek: het is een prachtig eerbetoon van de dichter Eppie Dam aan Marten Hepkes Bakker ‘nu zijn poëzie alsnog gepubliceerd wordt’.