Josse de Haan

Josse de Haan – Passys. 2020

Om te beginnen zou je je kunnen afvragen of het nog zin heeft om in deze tijd van ontlezing een roman te schrijven. En heeft het dan zin om een roman te schrijven over ‘het drama van de mens, het zinloze bestaan in een zinloze wereld’? En dan ook nog eens een ambitieuze roman van ruim 700 bladzijden waarin een wereld op papier gecreëerd wordt die met de dagelijkse niets te maken heeft, zoals de verteller in Passys, de prachtige nieuwe roman van Josse de Haan, zogenaamd wil. De schrijver zal zelf ongetwijfeld zeggen dat het geen zin heeft deze vragen te stellen, want ongeacht de antwoorden: deze roman móest geschreven worden.

Ergens in het begin van het deel II (het boek telt zes delen die elk in talloze hoofdtukken zijn onderverdeeld) overdenkt de hoofdpersoon allerlei mogelijkheden over de roman die hij aan het schrijven is en waarvan hij denkt dat die waarschijnlijk op zo’n vijfhonderd bladzijden uit zal komen. Er zijn een paar hoofdstukken af, maar hij wil, meer dan in zijn vorige romans, intuïtief werken:

“Nettsjinsteande dy frije opset bleau kiezen wichtig – hoe koene ûnderstkate barrens komprimearre wurde ta ien gehiel. It probleem fan de tiid woe er yndirekt oplosse – letter koe der skood wurden mei fragminten en tiden. Yn it normale libben skeaten ek it no, it doe en it takomstige trochinoar hinne. Eins leaude er mar yn trije tiden – hjoed, juster en moarn. Yn in literêr wurk koe dan de fiktive tiid de grutste rol spylje.
It frije assosjative elemint soe ek no wer in fername rol spylje. It gong hjir ommers net om ôfbyldings fan de werklikheid, mar om de realiteiten yn it boek sels. Dat wat barde lei yn in natuerlike kontekst fan de tiid en fan ien werklikheid dy’t te sjen wie – dêr waard elke kear de kar makke, dêr sykhelle it boek by wize fan sprekken.
[…]
Hy tocht dat it saak wie en tink nei oer hoe’t de haadpersoan funksjonearje koe – as ien inkeld persoan, of as ûnderskate ikken dy’t ûnderbrocht waarden yn ferskillende figueren dy’t in rol spilen.
[…] grinzen fan it skriuwen hiene te krijen mei de mooglikheden. Yn de werklikheid en yn de surrealiteit.” (p. 51-52)

Als lezer hebben we dan in deel I, dat nog geen veertig bladzijden telt, al problematisch te maken gehad met de werkelijkheid, met een autobiografische werkelijkheid. Zo bevindt Nans, de hoofdpersoon, zich in het heden, in april 2013, in het voormalige woonhuis van A. Roland Holst dat ingericht is als schrijvershuis. Auteurs kunnen zich daar in alle rust terugtrekken om te werken. En Josse de Haan, de schrijver van het boek Passys verbleef (in 2013 inderdaad én in 2016) werkelijk in het schrijvershuis in Bergen. Maar hoe werkelijk is het als de schrijver zijn autobiografische hoofdpersoon niet Josse noemt, maar Nans, en tegelijkertijd het gedicht ‘kweekskoalleleafde – foar g.c.l.c.’ citeert, waarvan gemakkelijk te vinden is dat het door Josse de Haan geschreven is?

‘Autofictie’ noemt Josse de Haan zelf het genre van deze roman. Althans, dat deed hij in een artikeltje in het tijdschrift de Moanne in 2015, toen de werktitel van dit boek nog was In winter oan see mei Colleen. Autofictie is een genre dat eind jaren zeventig ontstond als een nieuwe richting binnen het autobiografische schrijven. Bij autofictie wil de auteur bewust de scheiding tussen fictie en niet-fictie negeren. Zo worden waar gebeurde feiten uit het leven van de verteller vermengd met fictieve gegevens. Of omgekeerd, dat kan ook, maar in beide gevallen zit de lezer ermee opgescheept of hij daar wat mee kan of moet.

Maar dat is nog lang niet alles, weet ook de lezer na dat eerste deel al wel. Want behalve verwarring over al of niet autobiografische werkelijkheid en fictie zorgt de auteur er ook voor dat de oren van de lezer gaan klapperen. Wat te denken van het strooien met citaten uit gedichten (Van Geel, Vasalis, Roland Holst, Achterberg) en romans (Couperus). Of van de talloze andere verwijzingen naar (wereld)literatuur en film. En van de brieven van Adriaan Roland Holst, ‘de Prins der dichters’ aan Didia Klein die door Roland Holst Colleen genoemd werd. Die brieven zou Nans graag opnemen in het verhaal waar hij mee bezig is, maar hij krijgt daarvoor geen toestemming van de stichting die de nalatenschap van Roland Holst beheert.

Daarom besluit Nans om die brieven te verwerken in een verhaal over de verhouding tussen Adriaan [‘Jany’] Roland Holst en Didia/Colleen. Dat verhaal is geschreven in het Nederlands, maar in een wat merkwaardig stijf en soms zelfs knullig aandoend Nederlands met zinnen als: “Een kamertje boven, waar Jany al die jaren zijn werk had geschreven, zou niets aan veranderd worden.” (p.39). Apart is ook dat In het verhaal Didia en Colleen als twee afzonderlijke vrouwen beschreven worden: “Jany besefte meer en meer dat hij niet zonder Didia en vooral niet zonder Colleen kon leven (…).”

Verwarring of niet bij de lezer, die moet er ook maar mee dealen dat de auteur zijn hoofdpersonage opsplitst in verschillende personages. Zo eindigt deel 1 met de zin: “Sawol De Cock as Nans hawwe dat foarrjocht hân [om in het schrijvershuis van Roland Holst te verblijven, JvdM] en dêr mei nocht skreaun.” (p. 44). Die ‘De Cock’ komt daar zomaar uit de lucht vallen, maar komt later in de roman terug als alter ego van Josse de Haan. Bijvoorbeeld aan het begin van deel IV, p. 305 waar het even gaat over de Friese schrijver De Cock die een stuk in De Groene Amsterdammer plaatste. De desbetreffende pagina uit De Groene Amsterdammer (van 20 augustus 2015) staat als illustratie een bladzij verderop met als ondertekening: “Josse de Haan, schrijver (Friestalig), Hendaye, Frankrijk”. Maar op dat moment kijkt de lezer al helemaal nergens meer van op. Niet voor niets begint deel IV met de zin: “Nanne lies de eardere haadstikken yn de roman dy’t syn konfraters of alter ego’s Nannie en Nannes skreaun hiene nochris wer.”

Kortom, de lezer heeft zijn handen vol aan het boek. Niet alleen door het spel met de afsplitsingen van de hoofdpersoon, ook door de theorieën die de schrijver door het boek strooit en door de structuur van het boek. Het is bewust niet (chrono)logisch opgebouwd. De schrijver begint maar ergens en “letter koe der skood wurden mei fragminten en tiden”. Als lezer denk je ook wel eens dat je ergens overheen gelezen hebt, want soms geeft de verteller commentaar op verhaalgedeelten die de lezer nog niet kent, maar pas later in het boek leest.

Deel II (p. 47-170) gaat voornamelijk over de jeugdjaren van het hoofdpersonage dat daar Nannie heet. Het speelt zich af in het begin van de jaren vijftig en Nannie is in 1941 geboren. De verhouding met zijn vader is moeizaam. Het is tekenend dat moeder gewoon ‘mem’ is, maar de vader wordt steevast ‘De Man’ genoemd. Nannie verafschuwt hem, ziet hem als een te strenge man die vol jaloezie en wraakgevoelens zit. De Man wantrouwt alles en iedereen zo dat hij allerlei ‘complotkronkels’ ontwikkelt. Nannie begrijpt als jongetje niet waarom De Man halve dagen werkt terwijl hij zijn gezin van dat schamele inkomen niet kan onderhouden en hij alleen maar meer schulden maakt, wat verregaande consequenties heeft voor Nannie.  Ook later weet Nannie niet hoe dat zo gekomen is, al verzint hij daar wel allerlei verklaringen voor: misschien werd De Man wel gechanteerd vanwege een buitenechtelijk kind of vanwege zijn enigszins foute oorlogsverleden.

In dit deel creëert de auteur een min of meer afstandelijk effect door plaatsnamen en achternamen alleen met de eerste letter aan te duiden. Peins, de woonplaats van Nannie, wordt dan P., Franeker, het dichtstbijzijnde stadje is F. en de grote stad is L. Meisjes heten A. of Tj., jongens H.V. of H.B. en de boekhandelaar in F, heet J.V.. Opvallend in dit deel is de nogal uitgebreide beschrijving van de fietstocht, die Nannie als veertienjarige maakt om te gaan logeren bij een tante in Emmeloord. In dat gedeelte worden wel alle dorpen die hij onderweg aandoet met naam en toenaam genoemd. De uitvoerige en bijna lichtelijk naïef aandoende beschrijving van de fietstocht waarin Nannie de coca cola ontdekt, lijkt een uitvoerige vertelde anekdote in het boek. Maar het is meer. Net als enkele jaren later, als hij op de kweekschool in Leeuwarden zit, ontdekt de hoofdpersoon met de fietstocht dat er meer op de wereld is dan alleen het dorp waar hij opgroeide.

Een van de belangrijkste thema’s in Passys is vrijheid. De hoofdpersoon heeft als jongetje al het gevoel dat zijn ouders te veel zijn vrijheid beperken. Nog sterker komt dat naar voren in deel III waarin hij (dan Nannes geheten) een tiener is, op dansles gaat in Franeker en later, na de mulo, naar de kweekschool in Leeuwarden gaat. Het gevoel dat zijn vrijheid wordt beknot, in sterke mate ook veroorzaakt door het voortdurende geldgebrek van zijn ouders, verstikt Nannes regelmatig:     

“Wat er op ‘e legere skoalle eins nea field hie – it oars wêze troch it te min oan jild, it minder mooglikheden hawwen fergelike mei de bern fan boeren en middenstanners – kaam op de kweekskoalle al hiel fluch nei foaren. Hy hie der net daalk in antwurd op of ferwar tsjin. Wol fielde hy it as hiel ûngemaklik, ferfelend en him beheinend yn syn ûntwikkeling.
   Koest net iepenlik tajaan datst gjin sint hiest, net iens neils om jin de kont te skraabjen. Yn dat fermidden fan takomstige skoalmasters! Nee, en nochris nee. Skamme er him foar dy situaasjes dêr’t er yn siet? Ja, soms. Oars wêze as de mearderheid wie hiel ferfelend as jo opgroeiden. It makke ûnwis. Ast altiten bytse moast, nea ris traktearje koest, dan fieldest dy in outcast.”(p. 235)

Later in zijn leven ziet hij wat het vastzitten in patronen voor consequenties heeft, net als het gebonden zijn aan een geliefde. “Oan ‘e iene kant seagen jo de ferskriklike ûnderfinings nei it fêstsitten yn en oan it systeem – dat men eins net woe – oan de oare kant fielde jo de gefoelsketting dy’t oan in leafste keppele wie. De ketting hâlde net fêst, mar wie de ferbining dy’t fiede en ynspirearre – as it goed wie, as der gjin eleminten yn fertize rekken dy’t ôfbrutsen, fergiftigen.” Maar die elementen blijken er elke keer weer wél te zijn en dan lijkt het leven onmogelijk. En: “der bestiene in pear dingen dyt er nea wer woe – kettings, fêstleine takomst, dûbelsinnige ferhâldings (…).” (p. 408).

In het verlengde van het thema vrijheid ligt het thema van de balling of zwerver. Nanne bespreekt dat thema zelf op een moment dat hij een aantal zaken met betrekking tot zichzelf en de wereld om hem heen op een rijtje zet. Hij voelt zich duidelijk een buitenstaander, behalve als Friestalige die buiten Friesland woont op nog zeven andere punten. Zowel het thema vrijheid als dat van de balling zijn sterk gekoppeld aan het thema van ‘het schrijven van een roman’ en maken daar onderdeel van uit. En omdat de schrijver/hoofdpersoon kritisch in de wereld staat, wordt Passys ook een (maatschappij)kritische roman. “Hy [= hoofdpersoon Nanne in deel IV] fersette him ek dêre as skriuwer tsjin de mentaliteit dat alles wat swak, siik en mislik wie, ferneatige wurde moast.” Waarna hij Lucebert in het Fries citeert: “alles wat wearde is warleas”. (p. 423)

De literatuur zelf is dus een belangrijk thema, alleen al doordat het schrijven van de roman zelf onderdeel van het verhaal is. De hoofdpersoon is als puber met de literatuur in aanraking gekomen en het is zijn leven geworden. We maken kennis met boeken waardoor hij beïnvloed is en die in het boek besproken worden en waaruit geciteerd wordt en regelmatig duiken gedichten op.

Verder gebruikt de schrijver tal van motieven, waaronder herinneringen. “Guon oantinkens rekken nea ferlern, omdat se yngriepen yn it libben fan in haadpersoan.”(p.144). Ook maakt hij veel gebruik van dromen, van werkelijke of surrealistische dromen die de personages in hun slaap hebben, maar ook van wensdromen. Zo komt de hoofdpersoon erachter dat zijn vader, ‘De Man’, droomde van een vrij leven in Duitsland of Amerika. Maar ook een motief als taal en het leven buiten Friesland of zelfs Nederland speelt een rol, bijvoorbeeld als de hoofdpersoon deel gaat uitmaken van de (schrijvers)wereld van zijn nieuwe geliefde: “Mei dy wrâld haw ik net sa’n soart ferbining. De taal dy’t ik noch net goed behearskje (Spaansk) spilet ek in rol.” (p. 686)

Dit is een roman die, net als de roman waar ik regelmatig aan moest denken bij het lezen van Passys, De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon, ook gaat over hoe je een roman kan, nee, moet schrijven. Een roman vertelt een verhaal, maar dat kan geen rechttoe rechtaan verteld verhaal zijn, want zo zit het leven niet in elkaar. In het leven is er, zeker in de beleving van Josse de Haan, net zo goed de realiteit als de surrealiteit. Met deze complexe roman doet Josse de Haan een even onmogelijke als geslaagde poging om te laten zien hoe ingewikkeld de wereld voor een mens in elkaar steekt en welke samenloop van al of niet toevallige factoren een rol spelen in de perceptie van die wereld. Daar komt nog bij dat wat een mens op een bepaald moment is, geen status quo is, maar een groeiproces waarbij oude dingen afsterven en nieuwe ontstaan. Dat blijft eeuwig doorgaan, want hoe bij het ouder worden het afsterven ook van meer invloed lijkt te worden dan het ontstaan van nieuwe dingen, de hoofdpersoon/schrijver is aan het eind van het boek dan al lang en breed met pensioen en heeft belangrijke operaties moeten ondergaan, maar er ontstaat wel een prachtig nieuwe roman!

Op een manier die niet anders dan omslachtig en complex kan zijn, zoekt het hoofdpersonage (of beter nog: zoeken de diverse gestalten van het hoofdpersonage) naar antwoorden op de vraag hoe hij geworden is tot wie hij is. En daarom krijgen we talloze inkijkjes in het verleden van het hoofdpersonage. We zien hem als klein jongetje, onder andere schuchter verliefd. We zien hem als student, als hij voor het eerst gepassioneerde seks beleeft bijvoorbeeld. We zien hem ontdekken hoe standsverschillen een grote rol spelen, hoe boeren en fabrieksdirecteuren hun macht tegenover arbeiders misbruiken. We zien hem als volwassen man die denkt te weten hoe de ideale relatie in elkaar steekt, maar steeds maar weer tegen problemen blijft oplopen, omdat tussen droom en daad van alles in de weg zit.

En al associërend weeft de auteur door het verhaal van de hoofdpersoon, of als aanvulling daarop, allerlei andere fragmenten. Het zijn fragmenten uit romans van Hugo Claus, maar vooral van Franse auteurs, de romans staan achterin opgesomd. Daarbij staat geen roman van de Franse schrijfster Françoise Sagan die wel een bijzondere rol in dit boek speelt. Het laatste, niet genummerde, deel van Passys is ‘Lêste brief oan Françoise Sagan’, waarin hij onder andere schrijft over zijn bewondering voor haar debuutroman Bonjour tristesse (1954), waarover hij aan het eind van hoofdstuk VI ook al schreef. Het gebruik van fragmenten uit (Franse) romans paste de auteur eerder ook al toe, in zijn romans Elja (2006) en Frou mei mandoline op sofa (2014). Wat Passys ook gemeen heeft met laatstgenoemde roman is het gebruik van een sterk schilderij op het omslag, bij Passys een schilderij fan Marie Demias Koch ‘Liseuse au fauteuil’.

Wat wel in het rijtje opgesomde boeken staat, is Lege Fingers van Jean de Cock uit 2005 en dat is een vreemde eend in de bijt, want dat boek bestaat niet, althans niet als een in 2005 gepubliceerd boek. In deel VI logeert hoofdpersoon Nans bij ‘zijn collega’ Jean de Cock, een naam waaronder Josse de Haan in Passys ook opereert. De Cock vertelt dat hij een aantal jaren geleden een fikse bypassoperatie moest ondergaan. In de maanden daarvoor had hij een dagboek bijgehouden over van alles en nog wat, maar vooral, zo zegt hij, over het verlies van tabak, over literatuur en zijn nieuwe liefde. Dat heeft hij uitgewerkt tot het verhaal Lege fingers. Niet alleen Nans, ook de lezer van Passys krijgt dat dagboekachtige verhaal dan te lezen. De dagboekstukjes, de een wat langer, de ander wat korter, bestrijken de periode van juni tot oktober 2005.

De fragmenten uit de verschillende romans die door het verhaal heen staan, zijn gemakkelijk te herkennen. Ze zijn cursief gedrukt en apart met Romeinse cijfers genummerd, maar zijn niet altijd gemakkelijk te duiden. In de fragmenten wisselt het perspectief telkens; niet zo gek omdat het fragmenten uit verschillende boeken van verschillende auteurs betreft. Er wordt de ene keer geschreven vanuit een ‘zij’, dan weer vanuit een ‘hij’, een ‘u’ of een ‘jij’. Soms sluiten de fragmenten direct aan bij het gedeelte van het verhaal waarin ze staan, maar vaker lijken ze ook wel met horten en stoten een losstaand (liefdes)verhaal te vertellen, waarin soms parallellen of juist verschillen met het verhaal van het hoofdpersonage aan te wijzen zijn.

Een voorbeeld van een parallel en tegelijkertijd een verschil is het fragment waarin een personage fantasieën heeft over de afwezige ouders. Op een vraag of dat personage geen last gehad heeft van het feit dat de ouders afwezig waren: “It spyt my, mar earlik sein ha myn âldelju in hearlike myte west. Ik fantasearre oer myn âldelju as fassinearjende minsken. Faaks bin ik in ûnecht bern fan in prins, bin ik de dochter fan in hoer en in presidint, of sels in dochter fan in kranksinnige dichter en in frou mei tbs.” (p. 210). De hoofdpersoon in Passys heeft weliswaar ouders, maar hij voelt zich nauwelijks verbonden met hen en zou ze net zo lief niet hebben. Maar hij heeft er wel last van de vervreemding van zijn ouders. In ieder geval, hoe lastig in veel gevallen ook te duiden, de cursieve fragmenten dragen zeker bij aan het literaire spel dat Passys ook biedt.

Dat de roman Passys heeft, laat zich deels verklaren uit het feit dat in het gedeelte dat van het leven van de hoofdpersoon beschreven wordt liefdesrelaties een zeer belangrijke rol spelen. Niet voor niets heten de zes delen ‘Lêste leafde fan A. Roland Holst, ‘Boartersleafdes fan Nannie’, ‘Dûnsleafdes fan Nannes’, ‘Snobbersleafdes fan Nanne’, ‘Latleafdes fan Nanning’ en ‘Skriuwerleafdes fan Nans’. Maar behalve de passie voor vrouwen bij de hoofdfiguur, die regelmatig spannende en gloeiende seksscènes oplevert, is er ook sprake van passie voor de literatuur en de overige kunsten. Zo wordt in deel V vrij uitgebreid aandacht besteedt aan een bezoek aan de Documenta in Kassel in 1987.

De passie waar de hoofdpersoon in een liefdesrelatie voor wil gaan, de intimiteit en symbiose die hij daarin nastreeft, contrasteert nogal met de halfslachtige latrelatie waarin hij op een gegeven moment terecht komt en waar hij opmerkelijk lang in blijft hangen. Of, en dat is misschien beter geformuleerd, waar hij een flinke episode in het boek voor inruimt. Het is niet de gelukkigste tijd van zijn leven: “Soms wie it om te gûlen sa tryst (…)”, schrijft hij ergens en even verder heeft hij het over het leven onder bevroren sneeuw.

Op het moment dat hij daar een eind aan maakt, stuurt hij brieven aan mensen van wie hij afscheid neemt en e-mails aan zijn literaire vriend, de schrijver De Cock. Daarin vat hij in een boze opsomming de voor de Friese literaire wereld pijnlijke affaire samen van de subsidie voor de Nederlandse vertaling van zijn roman Piksjitten op Snyp. Deze samenvatting mist daar de overtuigingskracht van de geschiedenis zoals De Haan deze in de essaybundel Reedride op glêd iis beschrijft. In Passys schrijft hij er ook nog een heel kort soapachtig toneelstukje achteraan, waarin hij de Friese literaire adviseurs voor gek zet. Het is niet het sterkste deel van de roman, maar de hoofdpersoon moet er zelf erg om lachen: “Nans lake yn himsels – in echte soap. It gong har om de skientme, it besmoargjen fan de Fryske kultuer moast tefoaren kommen wurde. Se woene in fatsoenlik otterdoks alternatyf, se fielden har hast letterlik naaid – de kosmyske griffo’s.” (p. 585)

Het schrijven van het boek komt regelmatig ter sprake. Vrienden bemoeien zich er ook mee, eentje wijst hem daarbij op De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon. Het hoofdpersonage (Nanning in deel V, hoofdstuk 133) overdenkt ook hoe hij zijn dagboeken zal gebruiken, hoe hij de feiten van jaren geleden uit kranten moet verzamelen. Hij houdt er rekening mee dat hij de recentste gebeurtenissen nog niet objectief genoeg kan beschrijven. En hij ontdekt tegenstrijdigheid in zijn eigen denken en voelen: “Nanning hate buorgerlikheid, lykmoedigens en stupide dommens. Alles wat stilstie ferrotte. En ferrotting wie it oergean en fergean yn it neat. Neffens him hie soks net de bedoeling west fan de kreaasje mins. Mar as kontradiksje hie er soms langst nei in gesellich petear oer neat, nei it útwikseljen fan mienings en ideeën yn in objektive sfear.”(p.553) En het boek zal daarbij ook nog onvermijdelijk dikker worden dan hij aanvankelijk dacht.

Josse de Haan weet zijn nieuwe en groots opgezette roman urgentie mee te geven. Die roman is dan ook voor het overgrote deel uitermate geslaagd te noemen. Toch ben ik niet voor de volle 100% overtuigd – al besef ik dat het te maken heeft met mijn verwachtingen van dit boek. Wat bij mij een beetje wringt, is het spel met de structuur van dit boek. Als het hoofdpersonage Nans aan zijn alter ego De Cock vertelt dat hij een roman van Houellebecq aan het lezen is, zegt hij dat hem bij het lezen de sociale eenzaamheid van zowel de hoofdpersoon als van de schrijver/verteller opgevallen is. “Dat wie net keunstmjittich sa opsetten, dat wie yntegrearre yn it boek.” Daar is ook De Haan in Passys grotendeels in geslaagd, maar het kunstmatige schemert er mij soms toch te veel tussendoor. Bijvoorbeeld in het gedeelte over het beschamende gedoe rond Piksjitten op Snyp, maar ook af en toe in de iets te nadrukkelijke overpeinzingen over de structuur van het boek.

Ik begon aan dit boek met meer dan gewone belangstelling en besefte al lezend dat ik een geweldig boek aan het lezen was. Dan kunnen er ook wel eens een paar dingetjes wat tegenvallen en ik weet ook dat het niet eerlijk is om dit boek te vergelijken met het allerbeste wat ik ooit las. Toch mis ik, hoe creatief Passys ook gemaakt is en hoe bevlogen het boek op mij overkomt, wel een beetje die alles omvattende verbeeldingskracht van De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon, De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch, De reade bwarre van Trinus Riemersma of van Piksjitten op Snyp van Josse de Haan zelf.

De Haan werkte vijf jaar aan ‘dit boek over een leven in liefde en literatuur’. ‘Myn libben is literatuer en literatuer is myn myn libben’ , zei hij al eens in een interview en in Passys schrijft hij: “ ’Ik skriuw en bestean’ is in moaie slogan, en it kloppet ek foar in grut part.” Prachtig beschrijft hij ook de passie voor het schrijven in het al of niet gefingeerde gesprek met Françoise Sagan aan het einde van het boek.

Josse de Haan (1941) debuteerde in 1971 met een dichtbundel waarvan er nog veel zouden volgen. Zijn eerste roman publiceerde hij in 1973 en daarnaast schreef hij kinderboeken, toneel en essays, grotendeels verzameld in de vier essaybundels die tussen 2005 en 2017 verschenen. In 2007 kreeg hij de Gysbert Japicxpriis voor zijn belangrijke bijdrage aan de vernieuwing van de Friese literatuur, met onder andere de roman Piksjitten op SnypPassys, zijn tiende roman, is opgedragen aan Maite Gonzalez Esnal, met wie hij al sinds 1999 in het Franse Baskenland woont. Daar, in Hendaye-sur-Mer, maar ook in Bergen aan Zee en het Friese Lippenhuizen, schreef hij dit bijzondere boek tussen 13 april 2013 en 18 oktober 2018. Die inspanning van vijf jaar leverde – en daar doen die paar bedenkingen van mij niets aan af – weer grootse literatuur op.

Josse de Haan – Anarkys. Visuele gedichten. 2018; fotografische herdruk van 1991

Als er één Friese schrijver is die houdt van het experiment, dan is het wel Josse de Haan (1941). Dat is alleen al heel goed te zien in de vier verzamelbundels (essays, kritieken, verhalen, gedichten) die De Haan tussen 2005 en 2013 samenstelde en die een bonte verzameling van beschouwend, kritisch en scheppend werk laten zien waarin zijn uitgangspunt centraal staat: literatuur (kunst) moet het experiment zoeken en wat over de wereld te zeggen hebben.

In 1971, het jaar waarin hij als schrijver in boekvorm debuteerde én zijn baan als hoofdonderwijzer in Herbayum inwisselde voor het leraarschap aan een middelbare school in Schagen, publiceerde hij ook een bundel in samenwerking met Jopie Huisman, ferstekeningen – tekenfersen. Opvallend aan die al in 1969 geschreven bundel is de tegenstelling tussen de voor die tijd zeer moderne gedichten van De Haan en de toch wat meer traditionele tekeningen van Jopie Huisman.

Het is niet de enige samenwerking van deze auteur met een beeldend kunstenaar. In As wurden slipe wurde (2008) schreef De Haan gedichten (in het Fries, Nederlands, Engels, Spaans en Frans) bij houten beeldhouwwerken van Hendrik Beekman. Ik noemde die uitgave in 2008 een prachtvoorbeeld van een geslaagde kruisbestuiving tussen twee kunstdisciplines: een beeldhouwwerk roept een gedicht op, dat op zijn beurt het beeld tot leven brengt.

Eind 2018 gaf een samenwerkingsverband van uitgeverij Siere Skuorre, uitgeverij Ondine en Tresoar een fotografische herdruk uit van Anarkys, een bundel visuele gedichten uit 1991, waarvan Josse de Haan zelf in de maanden mei tot en met augustus 1990 zowel beeld als tekst maakte. De 58 anarky’s worden bij elkaar gehouden door een bout met vleugelmoer tot wat De Haan met een fraai neologisme een ‘anarkystack’ noemt.

De bundel begint met een zogenaamd woordenboekartikel, hier in het Nederlands, waarin de betekenis van het woord ‘anarky’ omschreven wordt: “Afkorting/verdichting van anarchistisch kykje; gebaseerd op de oude collagetechnieken van de surrealisten; ook associatief procedee, waar de elementen taal en beeld osmotisch inelkaar schuiven; soms genoemd: concrete of visuele poëzie; in de literatuur veronachtzaamd. De eerste [anarky] ontstond op donderdag 31 mei 1990, om ongeveer dertien over acht ’s avonds, op de Bloemgracht nr. 236 te Amsterdam.”

Deze omschrijving van de aparte collages die de anarky’s zijn, laat mooi de speelsheid en een vleugje humor zien, ook een kenmerk van deze aparte vorm van literatuur die Josse de Haan destijds beoefende en die later nog wel eens opdook, zoals Reedride op glêd iis (2016) laat zien. Visuele poëzie en collagetechnieken hadden ook al een duidelijke rol in het tijdschrift quatrebras (1954-1969) waar De Haan een korte tijd redacteur van was. Ook het speelse, associatieve en dwarse karakter van het surrealisme is te zien bij enkele auteurs die in quatrebras publiceerden en ook dat komt terug in de anarky’s van Josse de Haan.

Ernst Bruinsma schreef voor de heruitgave van deze anarky’s een kort nawoord. Hij kon voor dat nawoord putten uit een artikel dat De Haan destijds zelf schreef over de anarky’s en dat herdrukt is in Frozen moonlight yn myn hannen (2013). Bruinsma schrijft in zijn nawoord onder andere dat De Haan, toen hij zich na enkele jaren van afzijdigheid rond 1990 weer op de Friese literatuur stortte, betrokken was bij enkele projecten rond het surrealisme en dadaïsme. Ook greep hij op dat moment terug naar het maken van collages dat hij als kind al gedaan had, maar ook in zijn jaren op de kweekschool. Bruinsma: “Het scheppen van iets nieuws met behulp van teksten, kleuren en (abstracte) beelden gaf hem toen veel inspiratie en dat was eind jaren tachtig opnieuw het geval. Zo ontstonden in het voorjaar van 1990 de eerste ‘anarky’s.’ Heel concreet betekende het maken van een anarky: 13 woorden verwerken tot een nieuw geheel, ondersteund door een cirkel (erotiek), een driehoek (surrealiteit) en of een Z (creativiteit). ”

Nadrukkelijk wijst Bruinsma erop dat de anarky’s wel op associaties gebaseerd zijn, maar tegelijkertijd aan door De Haan zelf geformuleerde criteria moesten voldoen. Die criteria gaan over geometrische vormen, het aantal gebruikte woorden (7-13) in het beeld, en de kleuren. Het zevende en laatste criterium is: “tot slot groeperen de 7 à 13 woorden zich in een open of gesloten (divergerend of convergerend) in zichzelf opererend gedicht dat nauw gelieerd is aan het beeldvers, en er in feite een geheel mee vormt”. Gezien deze formulering is het opmerkelijk dat De Haan zelf bij het weergeven van een klein deel van deze anarky’s in Reedride op glêd iis de gedichten wegliet die er dus wel degelijk bij hoorden.

Wat Bruinsma in zijn nawoord helaas weglaat, is het slot van De Haans artikel over zijn anarky’s. Hij wijst erop dat je deze kunstwerkjes niet in de eerste plaats technisch of analytisch moet bekijken, maar alle zintuigen moet gebruiken om kijkend, lezend en denkend zowel realiteit als surrealiteit te beleven. Een anarky is een synthese van gedicht, column, tekening, spotprent en commentaar of opinie. Degene die de anarky bekijkt/leest/beschouwt moet zijn ‘belemmerende geheugen’ uitschakelen en het liefst al zijn emoties tegelijkertijd inschakelen. De Haan (in 1990, Frozen moonlight yn myn hannen, p. 84): “Het moment van de ervaring sec is het belangrijkste. Soms zal er uitvergroot moeten worden, dan weer extreem verkleind, waardoor de kans op de ervaring van pure poëzie wordt vergroot.”

Al menig moment verdwaalde ik bij het bekijken van de anarky’s in de fraai uitgevoerde heruitgave. Het is alleen al een genot om door de stapel fraaie beelden op de stevige kaarten te bladeren. Gelukkig zijn ze genummerd, want om lekker te kunnen bladeren had ik het boutje met de vleugelmoer losgemaakt en voor je het weet ligt dan alles door elkaar. Niet dat dat erg is, want ik denk niet dat het uitmaakt in welke volgorde je deze anarky’s bekijkt. Maar het is voor mij erg verleidelijk om te veel op denkniveau bijvoorbeeld de combinatie van gedicht en beeld te beschouwen. Daar dreig je gemakkelijk in te verzanden en in ieder geval loop je dan de ‘ervaring van pure poëzie’ mis. Daarom ben ik op een gegeven moment alleen maar gaan kijken en lezen, zonder er al te veel mee te doen. En dat leverde een hoop kijk/leesgenot op.

Tot slot vier willekeurige voorbeelden van de anarky’s. Nou nee, niet helemaal willekeurig. De gedichten die op de achterkant van de anarky’s staan, zijn voor het grootste deel in het Nederlands. Enkele gedichten zijn geschreven in het Fries en enkele in het Engels. Van elk daarvan staat hieronder een voorbeeld. Voor de reproductie van deze bundel anarky’s is gebruik gemaakt van een origineel exemplaar uit de privécollectie van Josse de Haan. De Haan nummerde ze blijkbaar zelf en hij maakte heel af en toe een opmerking. Ook dat is te zien in onderstaande voorbeelden:


haan-readesnie


Josse de Haan – Reade snie en swarte hagelstiennen 2016

Gelukkig publiceert Josse de Haan, de belangrijkste nog levende Friese literaire auteur van de 20e (en inmiddels ook begin 21e) eeuw, de laatste tijd weer vrij regelmatig werk. In 2013 een dichtbundel, in 2014 een roman, begin dit jaar een essaybundel en nu een novelle. Blijkens het naschrift is deze novelle geschreven eind 2010 en begin 2011. Snel gaat het uitgeven van Friese boeken blijkbaar niet.

Volgens de flaptekst (van de uitgever of de auteur zelf?) is deze novelle een ‘alternatieve boerenstadsroman in monoloogvorm’, een genre, zegt de flaptekst vervolgens, dat De Haan toevoegt aan zijn ‘breed literair palet’. Met dat laatste, dat breed literair palet, zal iedereen het eens zijn. In zijn meer dan een halve eeuw bestrijkende auteurschap is De Haan als geen ander literaire experimenten aangegaan. Maar wat is in vredesnaam een boerenstadsroman (zo vertaal ik het Friese “boerestedsroman” maar) en dan ook nog een “alternative boerestedsroman”, ben je geneigd te vragen. Een boerenroman, ouderwets, dus een alternatieve boerenroman, oké, maar dat boerenstadsroman gaat dus nog een stap verder.

Nu zijn over het algemeen flapteksten niet aan mij besteed, hoe ronkender de tekst des te argwanender word ik. En het ergst is het als er te veel verteld of uitgelegd wordt. Ook hier kreeg ik aanvankelijk spijt van het lezen van de flaptekst. Na een citaat uit het boek staat er dat de hoofdpersoon van deze monoloog zich heeft bekwaamd in het wraak nemen op de mannen die ze tegenkomt, want die zijn niets meer dan reptielen. Er overkomt haar hetzelfde als haar moeder, ‘gebruikt worden door een man die andere vrouwen pakt’, maar uiteindelijk wint ze. Voordat de man het door heeft, raakt hij alles kwijt, zoals de vrouwen in dit boek alles kwijt raken, “sels harsels”. Lees ik hier in de flaptekst nou gewoon de afloop van het verhaal? Blijkbaar, en meteen ook maar de thematiek, want het is een verhaal “oer de minne jierren, it tekoart oan jild, de fernederingen, de hypokrysy. En … oer wraak.”

Maar zodra je begint te lezen snap je dat het de auteur niet (alleen) te doen is om een verhaal te vertellen, maar dat het hem speciaal ook te doen is om de manier waarop hij dat doet. En dan is ‘alternatieve boerenstadsroman’ ook nog wel te plaatsen. Want de vrouw vertelt weliswaar in monoloogvorm haar verhaal over haar als miserabel beleefde geschiedenis, maar de oplettende lezer leest ook een ander verhaal. Hoe langer je de monoloog van de vrouw leest, des te argwanender word je tegenover deze vrouw. Hoe eerlijk is de wraak waar ze op uit is? Die argwaan wordt bijvoorbeeld heel subtiel opgeroepen door de manier waarop de vrouw in één lange adem lijkt leeg te lopen in haar monoloog. Op een gegeven moment zegt ze: “It liket wol in bycht dy’t ik hjir fertel.” (p. 104) Maar om duidelijk te maken dat het geen biecht is, herhaalt ze wat ze al een paar keer eerder gezegd heeft: “Mar ik fiel my nearne skuldich oer.” De lezer vraagt zich inmiddels af of die vrouw zich toch niet op zijn minst een klein beetje schuldig zou moeten voelen. Niet eens zozeer over wat haar overkomt, maar wel over de manier waarop ze ermee omgaat en vooral hoe ze erop reageert.

Herhalingen zitten er wel vaker in deze monoloog. Zo legt de vrouw verschillende keren uit dat ze haar ex-man een reptiel noemt. En dan wel een superreptiel, in het verlengde van de aartsreptiel zoals ze haar vader noemt. Ook het feit dat haar zus zes jaar ouder is, noemt de vrouw een paar keer. Geraffineerd laat de auteur hiermee de lezer twijfelen aan wat de vrouw ook een paar keer benadrukt, namelijk dat ze slimmer is dan de mensen denken. Dat denkt ze van zichzelf als klein meisje, als jonge vrouw en nu als de oudere vrouw die ze is. En op het gebied van manipuleren en wraak nemen, is ze inderdaad slimmer, al is sluwer misschien een beter woord, maar verder, op moreel gebied om maar wat te noemen, valt daar nog wel aan te twijfelen.

In haar monoloog zegt de vrouw zich te richten op meisjes en vrouwen die maar al te vaak en te gemakkelijk slachtoffer worden van mannen, de reptielen. Ze is geboren op een boerderij, waar haar moeder meer werkster dan boerin was, en neemt heel bewust afstand van het boerenmilieu zoals zij dat kent. Haar moeder was tweede keus voor de boer met wie ze trouwde, kon het leven op de boerderij niet aan en al helemaal niet als er kinderen geboren worden, waaronder een lichamelijk en geestelijk gehandicapt jongetje, ‘de spast’. Midden in de oorlog wordt de moeder met de kinderen de boerderij uitgezet en geplaatst in een huisje in een dorp vlakbij. Dat gebeurt op het moment dat de moeder zwanger is van de hoofdpersoon van het verhaal die dat ‘dus’ allemaal, onbewust weliswaar, meegemaakt heeft.

Enfin, zo vertelt de vrouw in één vloeiende tirade, in een smeuïge taal die haar op het lijf geschreven is en zo vanaf een toneel gespeeld kan worden, haar levensverhaal met het fiasco van haar eigen huwelijk met de ex-reptiel die schilder is en de ervaringen van haar dochter met een man die muzikant is. Hoewel, één lange tirade … ook hier speelt de auteur een spel door die tirade op te delen in zestien hoofdstukken plus een epiloog. Die hoofdstukken lijken ontstaan te zijn door vrij willekeurig in de monoloog te knippen, al wijst de ondertitel van het boek (niet alleen “alternative boerstedsroman”, maar ook “17 dagen monolooch”) in een andere richting. In de epiloog wordt, en dat lijkt een tikkeltje gemakzuchtig, ook nog eens het raadsel van de aparte titel opgelost.

En zo heeft niet de vertelster, maar de auteur uiteindelijk de touwtjes stevig in handen en wordt deze monoloog van een gefrustreerde vrouw een feest om te lezen.

haan-reedrideJosse de Haan – Reedride op glêd iis 2016

Al zo’n halve eeuw is Josse de Haan (Peins, 1941) bezig met Friese literatuur: in 1962 verscheen zijn eerste publicatie, een gedicht in het literaire tijdschrift quatrebras. In 1968 was hij een van de oprichters van het project ‘Operaesje Fers’, in 1971 verscheen zijn eerste dichtbundel, in 1973 zijn eerste roman. Daarna verschenen met enige regelmaat romans en vooral dichtbundels en schreef hij talloze artikelen waarin hij vooral het literaire experiment beschouwde en propageerde. Pas in 2007 kreeg De Haan de Gysbert Japicxprijs voor het vernieuwende van zijn hele oeuvre, dat zich misschien wel het meest openbaarde in zijn vijfde roman Piksjitten op Snyp (1999).

Reedride op glêd iis is een flinke verzameling verhalend en polemisch proza, poëzie, literatuurkritiek, essays, collages en ‘anarkys’ (visuele poëzie). Het is de vierde bundel waarin dergelijke gevarieerde stukken verzameld zijn, die sinds 2005 (Kastanjes poffe) verscheen. Het werk, dit keer geheel in het Fries, is voor een deel eerder gepubliceerd in boeken of tijdschriften, al dan niet digitaal.

De kwaliteit, of beter het belang van de artikelen, is wisselend en ook de lengte varieert: van anderhalve bladzij herinnering aan een overleden collega tot een vijftig pagina’s tellende analyse van een verzameld werk. Voorbeeld van het eerste is een stukje met wat anekdotes over de in 2001 overleden Hylkje Goïnga, maar het stukje over Trinus Riemersma, overleden in 2011, is niet veel langer of belangrijker. Het langste stuk gaat over het verzameld werk van Tjitte Piebenga dat in 2011 uitgegeven is. De Haan weet in dat stuk tamelijk aannemelijk te maken dat de inleidingen van Joke Corporaal over leven en werk, en van Hylke Tromp over het proza van Piebenga te kort schieten. Daarnaast wijst hij op het belang van Piebenga die met een roman, een novelle en enkele hoorspelen een waardevolle, want eigenzinnige bijdrage aan de Friese literatuur geleverd heeft.

Het eerste hoofdstuk in Reedride op glêd iis is een Friese vertaling van een gedicht van de Mexicaanse schrijver Octavio Paz en die keus is natuurlijk niet toevallig. In Paz komt, zegt De Haan zelf in een toelichting, een groot aantal zaken bij elkaar, zoals de bewuste en on(der)bewuste taal, realiteit en surrealiteit, beschrijvende en beeldende taal, het visuele en rationele van de mens. Talloze malen zie je in deze bundel dat De Haans waardering van literatuur berust op het aspect ‘vernieuwing’ en op bovengenoemde elementen. Soms noemt hij ze iets anders, of vat hij ze op een bepaalde manier samen. Een bundel van Albertina Soepboer is muzikaal, speels en eigenzinnig. Dat laatste woord komt nog al eens terug in besprekingen.

Een bespreking van de dichtbundels die genomineerd waren voor de Gysbert Japicxprijs 2013 begint met opmerkingen over het geringe aantal vrouwelijke winnaars van deze belangrijkste Friese literaire prijs. Daarna noemt De Haan drie auteurs die voor een oeuvreprijs in aanmerking zouden kunnen komen en over elk van hen is ‘een eigenzinnig verhaal’ te schrijven. De Haan schuift daar Jelle Kaspersma naar voren als ‘de meest aparte en speciale’. Ten slotte komt hij bij de genomineerde bundels en hij eindigt met zijn voorkeur: Elske Kampen, vanwege de authenticiteit van haar gedichten en haar compleet eigen stijl en stem. Over niet alle genomineerde bundels heb ik overigens dezelfde mening als Josse de Haan, maar wel over wie toen de Gysbert Japicxprijs had moeten krijgen.

Soms nogal ontluisterend zijn de hoofdstukken waarin Josse de Haan zijn ondervindingen met enkele recensenten van zijn werk en met literaire instanties in Friesland beschrijft. Al eerder schreef hij over de uiteenlopende reacties op zijn meesterwerk Piksjitten op Snyp (1999). Pijnlijk duidelijk maakt hij dat niet iedereen zich ook weer bij het tot stand komen van de Nederlandse vertaling (Kikkerjaren, Meulenhoff, 2001) van zijn beste kant heeft laten zien. Forse kritiek heeft De Haan (en hij staat daarin bepaald niet alleen) op het hoofdstuk over de moderne Friese literatuur in Zolang de wind van de wolken waait (2006) dat een standaardwerk over de geschiedenis van de Friese literatuur had moeten worden. Allerlei betrokkenen gaven aan zich deze kritiek ter harte te nemen en bij een eventuele herdruk het hoofdstuk nader te bekijken, maar het boek werd zonder enige correctie of aanvulling integraal op internet (DBNL) gepubliceerd.

In de vorige verzamelbundel stond al een artikel waarin De Haan zich druk maakte over de wonderlijke en in zijn ogen verwerpelijke machinaties rond de Franse en Nederlandse vertaling van de novelle Leafdedea (oorspronkelijk uit 1963) van Homme Eernstma (pseudoniem van baron Van Heemstra). In hoofdstuk 8 van Reedride op glêd iis komt hij daar nog eens op terug en geeft onder andere voorbeelden van de manier waarop passages in het Frans en het Nederlands vertaald zijn. Zo naast elkaar gezet is het niet moeilijk om forse kritiek op de vertalingen te hebben. Het is wel jammer dat De Haan hierbij niet of nauwelijks de rol van de auteur betrekt waarop de vertaalster zich in artikelen en brieven beroept. Is het weglaten van het laatste hoofdstuk nu echt een doodzonde van de vertaalster of is dat min of meer in opdracht van de auteur gebeurd? Dat maakt namelijk nogal een verschil, ook al vind je zelf dat oorspronkelijke einde veel beter in overeenstemming met de aanvankelijke bedoeling van de auteur.

Centraal in het boek staan de ‘anarkys’, de visuele gedichten. Hoofdstuk 18 (van de 36) toont er veertien die mooi in kleur zijn afgedrukt. Deze anarkys maakte De Haan in de jaren negentig. Hierbij had ik graag het artikel gezien waarin De Haan de procedure en denkwereld achter de anarkys (‘anarchistische kiekjes’) beschrijft. Nu blijven ze te veel hangen in mooie plaatjes, wat, neem ik aan, niet alleen maar de bedoeling is. Ook is het onduidelijk wat de formaten van de originele versies zijn. Soms is met een vergrootglas een met pen geschreven tekstje op een anarky te lezen, waaruit bijvoorbeeld valt op te maken voor wie het kunstwerk gemaakt is. Niet onbelangrijk, zoals bij de laatste anarky, waarop ‘foar Willem’ te lezen is, en waar een beetje kenner/liefhebber van Friese literatuur titels in herkent van werk van Willem Abma (De roekkat, De brek).

Naast deze visuele poëzie staat er ook ‘gewone’ poëzie in deze verzamelbundel: 37 gedichten zijn opgenomen, verdeeld over vier hoofdstukken. In hoofdstuk 9 staan drie gedichten onder de titel ‘in swel op reis’ (een zwaluw op reis), opgedragen aan de Friese dichteres Baukje Wytsma. In langgerekte gedichten (regels van één tot hooguit en bij uitzondering zes woorden) die geraffineerd opgebouwd zijn, weet de dichter een mooi ingehouden soort verliefdheid te beschrijven. Acht gedichten (waaronder een anarky uit 2014 en een gedicht uit 1980 uit de Leeuwarder Courant) staan in hoofdstuk 23 en hoofdstuk 32 bevat twaalf gedichten. Bij de eerste vijf gedichten in dat hoofdstuk, die allemaal met Peins te maken hebben staan foto’s van oud-Peins en in de cyclus van drie gedichten over Peins weet de dichter moeiteloos een uitdrukking van zijn opa met een dada-gedicht van Theo van Doesburg te verbinden. Het laatste hoofdstuk bestaat uit veertien gedichten, culminerend in een tweeluik voor de geliefde van de auteur en als toegift een gedicht voor een kleindochter van veertien met als slotstrofe:

dûnsjend fan juster hjoed nei moarn
soms opfytsend tsjin in fûle stoarm
oant de sinne laitsjend de dei begjint*

Er staan twee niet eerder verschenen verhalen in deze bundel. Het eerste en kortste (hoofdstuk 4, vier bladzijden) heet ‘Wachtsje’. Het gaat over een man die in de tweede persoon (‘do’) over zichzelf spreekt en zich wel eens Adam noemt. Zijn echte naam is hij kwijt omdat niemand die meer gebruikt, want hij mijdt iedereen. ‘s Nachts slaapt hij nauwelijks, wacht en vult de tijd met toevallige beelden die hem verschijnen. Veel vrouwen duiken op en allemaal zijn ze een substituut van Anna, zijn droomvrouw. (Over de naam Anna, of liever de ‘vrouw Anna’ in het werk van Josse de Haan zou iemand zich eens moeten buigen!) Achter het verhaal plaatst De Haan een kort commentaar. Eigenlijk wel jammer, want hij legt daarin allerlei zaken uit die een goede lezer zelf ook wel uit het verhaal zou moeten kunnen halen. Ook in het tweede verhaal (hoofdstuk 25, twaalf bladzijden) is er een Anna die het leven van een man bepaalt. De hoofdpersoon (een ‘hy’) moet op latere leeftijd steeds vaker aan Anna terugdenken. Heel sterk bijvoorbeeld op het moment dat hij geïnterviewd wordt voor de radio en de interviewster hem aan Anna doet denken. In dit verhaal zitten, zoals ook in het eerste, zowel betoverend poëtische beelden als een spannende erotische lading.

Net als de vorige verzamelbundel is Reedride op glêd iis een heerlijk bonte verzameling van nogal uiteenlopend materiaal: vertaalde poëzie, eigen poëzie, visuele gedichten, nieuw proza, literatuurhistorische artikelen van divers pluimage (over Joop Boomsma bijvoorbeeld of over het tijdschrift quatrebras), diverse recensies (onder andere over Jitske Bilker en Piter Boersma) en nog meer, zoals een artikel over het Guggenheimmuseum in Bilbao of over de Rijkskweekschool in Leeuwarden. Het geheel oogt misschien wel wat chaotisch, enige logica in de volgorde van de opgenomen stukken heb ik niet ontdekt, maar dat is ook niet erg. Wel storend is dat niet altijd een duidelijke bron vermeld wordt. Ook kun je je afvragen waarom prima toegankelijke artikelen (op de website van het literaire tijdschrift ensafh bijvoorbeeld) hier herdrukt zijn, terwijl er, volgens De Haan zelf in zijn voorwoord, in het beperkt uitgegeven eenmanstijdschrift iP2r90 Rendez-Vous zoveel belangrijk literair historisch werk staat. Of is dat nu allemaal herdrukt?

*dansend van gister vandaag naar morgen
soms tegen een zware storm in fietsend
tot de zon lachend de dag begint

(februari 2016)

haanjossede-frou_mei_mandolineJosse de Haan – Frou mei mandoline op sofa. Oantekens oer skriuwen, oerlibjen en in hôf fan Eden. Roman (2014)

Josse de Haan (1941) staat, sinds het overlijden van Trinus Riemersma (1938-2011), op eenzame hoogte in de Friese literatuur. Zoals het in de Nederlandse literatuur jongere schrijvers maar niet lukte om op hetzelfde niveau te komen als Hermans, Reve en Mulisch, zo lukt het in Friesland jongere schrijvers maar niet om hetzelfde niveau te halen als Riemersma en De Haan. Misschien is dat zelfs ook wel moeilijker, want zowel Riemersma als De Haan bleven zich ook bij het klimmen der jaren telkens vernieuwen, waar we de ‘grote Nederlandse drie’ nauwelijks op kunnen betrappen.

De Haan publiceerde de laatste jaren poëzie en essays en nu is er gelukkig ook weer een nieuwe roman, Frou mei mandoline op sofa. De vrouw uit de titel is niet de hoofdpersoon van deze roman, maar wijst de lezer wel de weg naar het interpreteren van het boek. Ook de ondertitel geeft een duidelijke hint: ‘oantekens oer skriuwen, oerlibjen en in hôf fan Eden’. De hoofdpersoon is een niet met name genoemde man die bijna wanhopig de liefde zoekt: “Jin hechtsje oan in frou – oan syn freondinne op in stuit – wie deagewoan leafde foar immen fiele, en dêrfoar heel wat oerhawwe. Foar him wie dat gjin utopy, mar stomwei it libben” (p.196). En daar horen bij het uitwisselen van ideeën en fantasieën, maar ook ontwikkeling, naast een gevoel van veiligheid, geborgenheid en tegelijkertijd van ruimte en vrijheid. Dat is nogal wat, maar het ergste is dat de hoofdpersoon daar al jarenlang niet bij in de buurt gekomen is, vastzittend in een steeds benauwder wordend huwelijk en een te weinig inspirerende werkkring. De ‘hij’ beschrijft als 67-jarige een deel van zijn leven, met de nadruk op de periode van de scheiding en het beëindigen van zijn baan in de jaren tachtig.

Een groot deel van het boek gaat dan ook over het proces van losmaken; losmaken uit de verstikkende relatie en het uiteindelijk verlaten van het onderwijs waar hij 35 jaar in gewerkt heeft. Beide zaken gaan niet van een leien dakje, maar vooral het verbreken van de relatie gaat met problemen gepaard. De ex is er alleen maar op uit om hem zwart te maken en hem, vooral ook financieel, kapot te maken met een buitenproportionele claim die door de rechter ook toegewezen wordt. Dat heeft nogal wat invloed op de hoofdpersoon en trouwens ook op de lezer. Uitentreuren en bij veel herhaling, tot vervelens toe, lezen we tirades van de man daarover. Dat gaat met ferme woorden gepaard, vaak cynisch en soms met zwarte humor, in de trant van: “De pearse ekstreme frouljeslobby hie sa’n macht krigen dat manlju dy’t skiede woene mar in pear mooglikheden litten waarden – selsmoard, in dizeniche baan sykje, of gewoan betelje en op in houtsje bite. De bern fermoardzje wie ek in opsje – om it wiif yn de siele te reisjen [sic]. Guon manlju diene soks yn wanhoop.” (p. 38)

Je hoeft niet erg in de Friese literatuur ingevoerd te zijn om te zien dat de hoofdpersoon op zijn minst trekken heeft van de auteur zelf. Net als Josse de Haan is de hoofdpersoon geboren in 1941 en hij heeft vergelijkbare onderwijservaringen en meningen daarover; hij is schrijver, met een voorkeur voor het surrealisme en bewondering voor vaak dezelfde auteurs als De Haan en soms zijn er toespelingen op diens werk, zoals de slotzin van hoofdstuk 8, “Ienris soe it geeffike pearse gers groeie”, verwijst naar een dichtbundel van De Haan uit 1987. Een bevriende schrijver heet ‘Tr[inus Riemersma], en ongetwijfeld is er meer aan te wijzen, zoals woonplaatsen die met een initiaal worden aangeduid. Maar pas op: niet voor niets is dit boek niet in de ik-persoon geschreven, maar lezen we het verhaal grotendeels via een hij-personage. En een enkele keer waarschuwt de auteur zelfs met een knipoog dat hij bepaald niet altijd samenvalt met de hoofdpersoon: de ‘hij’ heeft het op een gegeven moment over de bijna onmogelijkheid om een geluksgevoel te beschrijven: “In skriuwer hie it yn De Lytse Dea soms ferdomd goed beskrean. Neffens him.” Genoemde titel is de titel van een dichtbundel van De Haan uit 1996.

Josse de Haan is bepaald geen schrijver van ‘verhaaltjes en romantische rimram’ en dat wil de hoofdpersoon ook niet zijn. Gemakkelijk is dat niet, zoals het begin van hoofdstuk 18 laat zien. In vertaling: ‘Schrijven betekende het onder woorden brengen van beeld en gedachte, en wel op zo’n manier dat er een correlatie ontstond tussen wat in letters op papier kwam en wat gezien werd – buiten op straat, of aan de binnenkant van de kop, in de vorm van innerlijke monologen. Vooral wat niet te zien was moest naar voren gebracht worden, omdat daar de spanning en het toevallig verrassende elkaar ontmoetten. (…) Echtheid was hier het juiste woord.’ Foto’s zouden daar soms bij kunnen helpen, maar de werkelijkheid moet ook weer niet te dichtbij komen. Aan het einde van het hoofdstuk wordt de hoofdpersoon aangesproken op gedichten die hij aan zijn geliefde opgedragen heeft. Wordt het dan niet te anekdotisch, vraagt iemand hem. “Boppe dy gedichten stie allinnich foar Maria – ‘der binne hiel wat Maria’s’ hie er sein”(p. 66).

Het is duidelijk, ook zonder de ondertitel zou de lezer al snel door hebben dat Frou mei mandoline op sofa ook over schrijven (en taal) gaat. Niet voor niets citeert de ‘hij’ bij vlagen gedichten, bijvoorbeeld omdat in een gedicht ‘werelden van verschillende liefdes’ beschreven kunnen worden, of omdat ‘een dichter’ in een conceptueel gedicht de herinnering aan een ware liefde wist te beschrijven (een gedicht van Josse de Haan zelf, op p. 103) of omdat een dichter in taal kan beschrijven wat anders alleen in schema’s en formules beschreven kan worden.

Daarbij komt dan nog dat het hoofdpersonage zich als schrijver voortdurend afvraagt welke plaats het schrijven in zijn leven inneemt en hoe hij daar gestalte aan kan geven. Een van de zaken waar hij mee worstelt, is het besef dat niet altijd duidelijk is wat precies feit is en wat fictie. Taal schiet, aldus het hoofdpersonage, al gauw tekort, omdat het voor vertekening zorgt en zelfs schade berokkent. ‘Zodra een feit op papier kwam, werd het fictie’. Uitgangspunt daarbij is het zuivere waarnemen, maar dat valt niet mee, aangezien je te maken hebt met het ‘doelloze tegenwoordige’. Meer dan eens wordt een parallel gezocht met de (schilder)kunst: “Yn feite wie Piet Mondriaan mei syn flakken en linen mei itselde dwaande – de ûnderfining fan it doelleaze tsjinwurdige” (p. 54). Een van de problemen daarbij is het verraderlijke van de tijd die vervreemdend kan werken: “As hy weromgong nei 1951, doe’t hy tsien wie, no op syn 67e, beskreau er yn taal in tiid dy’t doe net sa yn taal beskreaun wie.” Bovendien kan een auteur gemakkelijk de werkelijkheid van een maand op papier samenvatten in een dag. De Haan laat daarbij het hoofdpersonage een mooi (voor)beeld bedenken door een foto van zichzelf als zesjarige te leggen naast een foto van zijn moeder als zesjarige: “Jo seagen nei in foto fan Jo mem doe’t se in jier of seis wie, en fan Josels – elk seis jier. (…) It dûbelsinnige fan dy foto fan dat famke en dat jonkje – skynber boartersgenoaten – kaam yn it skriuwen werom. Yn keunst yn it algemien” (p. 62).

Op de achterflap van het boek wordt ‘de vernietigende maar tegelijk ook inspirerende werking van erotiek en liefde’ als een centraal thema in het oeuvre van De Haan genoemd. Dat is zeker in deze roman ook het geval. De hoofdpersoon raakt in een vechtscheiding en is in een nieuwe, moeizaam lopende relatie op zoek naar de ware liefde en op menig pagina staan heerlijk zinderende erotische passages. Maar er is veel meer aan de hand in dit boek. Zo wordt het verhaal van de hoofdpersoon verteld in 51 korte hoofdstukjes van één tot vier bladzijden. Tussen die genummerde hoofdstukjes door staan telkens tussen twee hartjes geplaatste en in cursief lettertype gedrukte hoofdstukjes van ongeveer een bladzijde. De hoofdpersoon van deze tussenstukjes lijkt soms wel dezelfde als de hoofdpersoon van het hoofdverhaal, maar is soms ook een vrouw, en het komt ook voor dat het niet direct duidelijk is wat zo’n tussenstukje met dat hoofdverhaal te maken heeft.

Zowel voor- als achterin het boek geeft de auteur aan dat hij voor die stukjes fragmenten gebruikt van tien schrijvers (onder wie Nathalie Sarraute, Georges Perec, Eugène Ionesco en Piter Boersma) uit vijftien verschillende werken, die ‘een alternatief beeld geven op de hoofdstukken waar ze tussen staan’. De Haan gaat hierbij nog een stapje verder dan in zijn vorige roman, Elja (2006), waarin fragmenten uit vier Franse romans verwerkt waren. Het vergt van de lezer heel wat inspanning om, als hij dat al zou willen, te traceren aan wie of wat welke stukjes ontleend zijn, maar, en dat is veel belangrijker, soms ook wel om goed zicht te krijgen op wat hij met bepaalde tussenfragmenten moet. Een uitdaging is dat zeker wel!

De titel van de roman heeft te maken met een schilderij dat de Duitse expressionistische schilder Max Beckmann in het jaar van zijn dood (1950) maakte: ‘Frau mit Mandoline in Gelb und Rot’. Voor de hoofdpersoon biedt dat kunstwerk hoop, schoonheid en plezier en dat is iets waaraan hij in de beschreven, roerige periode van zijn leven behoefte heeft. Als hij het schilderij ziet, wil hij erin kruipen, ‘niet alleen in het zichtbare, maar ook in het onzichtbare’. In het schilderij bewondert hij de kracht van de vrouw die wel haar lichaam toont, “har titen, har werklik prachtige skonken en earmen”, maar door haar gezicht af te keren van de toeschouwer juist wil laten zien dat ze meer is dan een seksbom, waardoor ze juist des te aantrekkelijker wordt. De kracht van het schilderij van Beckmann zit hem in het feit dat achter de mooi geschilderde façade het echte schilderij zit. Mutatis mutandis geldt dit natuurlijk ook voor (echte) literatuur en zeker voor deze roman.

Over deze nieuwe roman van Josse de Haan is dus nog veel meer te zeggen. Over het mooie omslag, bijvoorbeeld, een variatie van Monique Vogelsang van het schilderij van Max Beckmann, of over de opdracht en het ‘naspel’ waarin de Deésse (Citroën DS) de hoofdrol speelt. Er kan gewezen worden op de duidelijk in het boek aanwezige maatschappijkritiek. Het onrecht dat door de rechterlijke macht bij een scheiding bewerkstelligd kan worden, komt nadrukkelijk aan de orde, maar er worden ook diverse schimpscheuten naar andere maatschappelijke instanties uitgedeeld. Naar het onderwijs herhaaldelijk, en een ziekenhuis wordt een ‘industrieel centrum voor gezondheid’ genoemd, een instelling die ‘lichamen onderzoekt en kan repareren’. Er valt ook een hoop te zeggen over paradoxen en tegenstellingen in het boek, zoals daar zijn het esthetische tegenover het erotische of het innerlijke tegenover het uiterlijke. Een mooi voorbeeld daarvan is een passage waarbij een beschrijving van een idyllisch tafereel op een schoolplaat van Cornelis Jetses nogal contrasteert met de ruwe verhaalwerkelijkheid.

Kortom, met één keer lezen van dit boek ben je er niet, maar het is bepaald geen ramp om Frou mei mandoline op sofa te herlezen. Dat is de kracht van een roman van een schrijver als Josse de Haan die meer wil en kan dan alleen een goed verhaal schrijven.

(juli 2014)

haanjossede-readebus-kopieJosse de Haan – Reade bus yn magysk lânskip (2013)

Reade bus yn magysk lânskip is een mooie kleine uitgave van uitgeverij Perio in Leeuwarden, doeltreffend eenvoudig en smaakvol vormgegeven door Richard Bos. Op de voorkant, en op de eerste pagina’s is een rode bus te zien op het jonge ijs in een plattelandsomgeving. Tenminste, in de Friese versie. In de Nederlandse versie staat een rode bus op gedroogde klei en in de Engelse uitgave staat de bus op een wat bemost tegelpad. Het is duidelijk dat de bus in al deze gevallen op een wat onwerkelijke plek staat en die onwerkelijkheid wordt nog versterkt doordat niet een echte bus, maar duidelijk een speelgoedbus afgebeeld is.

Zo’n onrealistische voorkant is natuurlijk geen toeval. De dichter van het werk, Josse de Haan, afficheert zich nadrukkelijk als een surrealistisch dichter en dat is in dit bundeltje, mede door de verschillende voorkanten, ook weer te zien. Om meteen maar gerust te stellen: dat levert helemaal geen onbegrijpelijke poëzie op, integendeel. In twaalf gedichten wordt een ‘busreis’ beschreven die de ‘ik’ samen met de busconductrice ANNA maakt. Het is een papieren, gefantaseerde reis met BUS-201:

BUS-201, de konduktrice en ik gean’ op reis
wy wenje yn de wurden dy’t ik skriuw
en ride nei stêd en doarp dy’t ik sjoch en skep.

De dichter heeft dan in zijn openingsregels al ‘gewaarschuwd’ dat het gaat om beelden die soms opgevangen en opgeslagen zijn in woorden. Het is overigens de bus zelf die de reiziger (lezer) uitnodigt mee op reis te gaan: ‘reizgje mei my, ik bring Jo de wrâld oer’.

De argeloze en vooral de wat jongere lezer heeft wel enige voorkennis nodig: niet iedereen kent het verschijnsel busconductrice uit de jaren vijftig van de vorige eeuw, met een kaartjesautomaat op de buik waaruit de kaartjes konden worden gedraaid. Zonder die voorkennis worden sommige regels surrealistischer dan nodig is:

de konduktrise toveret út har nâle in kaartsje
dat ik bewarje as in hillich ikoan fan ANNA
tútsje it en spikerje it fêst boppe myn bêd**.

Ook lang niet iedereen zal weet hebben van de rode LAB-bussen die in die tijd in Friesland reden. In mijn hoofd ‘vertaal’ ik dat overigens met de groene Naco-bussen die destijds in Noord-Holland reden, maar daar past eigenlijk niet zo’n sexy conductrice bij.

Die conductrice heeft de ik-figuur in zijn jeugd behoorlijk het hoofd op hol gebracht en dat vormt de basis van deze cyclus. In een deel van de gedichten worden mooie (mooier gemaakte?) beelden uit de jeugd van de ik beschreven die te maken hebben met de rode LAB-bus en zijn conductrice. Over zaterdagavond bijvoorbeeld:

dan stiene wy as jonges yn twa rigen
op ‘e brêge nei iepen mûle en eagen
draaiden ús hollen stadich op it ritme fan
har tripkjen oer de sinken leggers
ANNA ús konduktrice sliepte in wykein thús
mei har kaam de wrâld it doarp yn fjouwerjen***

Maar vooral op vrijdagavond was ANNA op haar mooist, als ze haar vrijdagrokje net wat hoger optrekt, netkousen draagt en wat meer blouseknoopjes losmaakt om de twee vogels in haar borsten vrij te laten schateren. Die beschrijving in het voorlaatste van de twaalf gedichten vormt ook een prachtige tegenstelling met de veeboeren die pokeren ‘voor het leven en de dood’. Twee gedichten eerder waren die veeboeren al meedogenloos beschreven als de “mei BOKMA folgetten feeboeren” en als “de freedsboeren – de swetsers / mei har jild oan in ketting”. Je hoeft echt geen kenner, of zelfs maar liefhebber van surrealistische poëzie te zijn om deze gedichten te waarderen. Dit bundeltje bevat ‘gewoon’ heldere en beheerste poëzie waarin met prachtige beelden jeugdherinneringen worden beschreven (met merknamen als Droste, Kwatta, Miss Blanche en Stuyvesant) waarop de dichter verder fabuleert, en die de lezer meeneemt op een in dubbel opzicht fantastische reis. Die reis voert naar wereldsteden (Londen, New York, Mekka, Bethlehem, Jerusalem) net zo goed als naar halte 52H.3, de driesprong Hoantsjepûle, Hystesturten en de brug fan Hoptille, waar overgestapt wordt op BUS 202.

De naam ANNA, maar ook andere (merk)namen, schrijft de dichter in hoofdletters en hij verwijst en passant ook naar andere Anna’s, of liever Nana’s: naar de Nana van de 19e-eeuwse Franse auteur Emile Zola en de grote kleurrijke Nanasculpturen van de 20e-eeuwse beeldhouwer Niki de Saint Phalle. ANNA blijft ook ‘s nachts in het hoofd van de dichter, ze ‘waakt over de nacht van mijn gebaren en gedachten’. Hij schrijft haar een brief die hij bij de bushalte neerlegt waar ANNA over moet stappen. In de laatste gedichten heeft de tijd zijn werk gedaan en is ANNA een kunstwerk geworden. Het laatste gedicht is bijna ontroerend: de dichter praat met ANNA en vertelt van zijn fascinaties. Ze moet er wat om lachen.

sa praten wy dêre oan it Skieppedykje
ús eigen taal kaam op ‘e nij ta libben
SUNLIGHT ANNA – sa sierlik en sa skjin****

Reade bus yn in magysk lânskip/Rode bus in een magisch landschap/Red bus in a magical landscape is een mooie, bijzondere uitgave. Het zijn drie kleine boekjes in één envelop, met elk twaalf gedichten; het ene boekje in het Fries, geschreven in november-december 2010, de andere twee boekjes uit het Fries vertaald in het Nederlands (door Josse de Haan zelf) en in het Engels door Tom Johnston. De Nederlandstalige versie was in 2011 in een nog eenvoudiger versie al verschenen bij uitgeverij Brumes Blondes in Bloemendaal, als nummer vijftien in de serie Brumes Blondes Katernen. Brumes Blondes is een uitgeverij die surrealistische literatuur uitgeeft, waaronder een internationaal tijdschrift Brumes blondes, opgericht in 1964 door Her de Vries en Laurens Vancrevel. In 2014 verscheen What will be / Ce qui sera / Lo que será, de almanak van de internationale surrealistische beweging, met bijdragen van 173 schrijvers en andere kunstenaars uit 25 landen. Daarin ook een bijdrage van Josse de Haan – in de inhoudsopgave haast surrealistisch te vinden via de D: Josse DE HAAN (Friesland/Basque Country) – die ‘Four miniatures’ bijdroeg, van het Fries in het Engels vertaald door Tom Johnston.

*BUS-201, de conductrice en ik gaan op reis / we wonen in de woorden die ik schrijf / en rijden naar stad en dorp die ik zie en schep
** de conductrice tovert uit haar navel een ticket / dat ik bewaar als een heilig ikoon van ANNA / kus het en spijker het vast boven mijn bed
***dan stonden wij als jongens in twee rijen / op de brug met open mond en ogen / draaiden ons hoofd gestaag op het ritme ban / haar trippelen over de zinken leggers // ANNA onze conductrice sliep een weekend thuis / met haar kwam de wereld het dorp in galopperen
****zo praatten wij daar aan het Schapedijkje / onze eigen taal kwam opnieuw tot leven / SUNLIGHT ANNA – zo sierlijk en zo schoon

haanjossede-frozenmoonlightJosse de Haan – Frozen moonlight yn myn hannen (2013)

Een van de grootste Friese auteurs en Gysbert Japicxprijswinnaar Josse de Haan schreef naast talloze romans en dichtbundels ook kritisch werk. Frozen moonlight yn myn hannen, zo zegt de auteur zelf, is de opvolger van twee eerdere bundels essays, kritieken, analyses en polemische stukken die materiaal bevatten tot 2007, te weten Kastanjes poffe (2005) en Kidelstiennen heine en slaan (2007). Wat daarna in diverse tijdschriften en andere plekken gepubliceerd is, staat nu in de nieuwe bundel.

In tegenstelling tot de eerdere bundels zijn de artikelen niet alleen in het Fries, maar een enkele keer in het Engels of Nederlands. Daarnaast bevat de nieuwe bundel niet alleen kritisch en beschouwend proza, maar ook scheppend werk, zoals een heel korte eenakter, en poëzie, waaronder ‘anarkische’ poëzie, gebaseerd op collagetechnieken. Dat is kenmerkend voor De Haan, die bij voorkeur niet de gebaande paden volgt. Behalve in zijn poëzie is dat ook te zien in zijn andere werk, zelfs in de toespraak bij de uitreiking van de Gysbert Japicxprijs 2007, voor zijn net zo vaak geprezen als bekritiseerde magnum opus Piksjitten op Snyp.

Zoals het De Haan betaamt, schuwt hij felle kritiek niet en meestal weet hij die kritiek ook aannemelijk te onderbouwen. Vaak wordt uit de titel van een bespreking zijn mening al duidelijk. In ‘Leafdeleaze biografy oer Jopie Huisman’ maakt hij korte metten met de catalogus die hoorde bij de jubileumexpositie van Jopie Huisman in 2011. De catalogus moet ‘een soort biografie voorstellen’, maar De Haan ‘heeft nog nooit zo’n vod gelezen’. Hij wijst op het gebrekkige en soms onbegrijpelijke Nederlands in het boekje en benoemt leugens en halve leugens. Niet veel milder is De Haan over de biografie van de schilder Boele Bregman door Doeke Sijens (titel, vertaald: ‘Boele Bregman verdient een echte biograaf’). Volgens De Haan staan er in het boek te veel kleinigheden, informatie die met het werk van deze kunstenaar niets te maken heeft, verknipte recensies en wordt er nauwelijks een poging gedaan het werk te interpreteren.

Kritisch is De Haan ook over de rijmende en metrische vertalingen van de poëzie van H. Marsman uit diens bundel Tempel en kruis (1939) die Eppie Dam maakte ter gelegenheid van de Maand van het Friese boek in 2011. R.R. van der Leest schilderde dertien afbeeldingen bij fragmenten van deze gedichten. Acht ervan zijn met de originele tekst van Marsman en de vertaling van Dam als prentbriefkaart verschenen en dat alles neemt de Haan over, maar hij zet er zijn eigen vertaling tegenover. Terecht levert hij daarbij soms scherp commentaar op de vertaling van Eppie Dam die nogal eens een te vrije vertaling geeft, bijvoorbeeld omwille van rijmwoorden. Aan de andere kant vind ik dat de Haan wel wat gemakkelijk over de verschraling heenstapt die zijn eigen vertaling oplevert door niet te zoeken naar rijm waar Marsman dat wel heeft.

Het felst in zijn kritiek is De Haan op de ‘opgeschoonde’ en in zijn ogen verminkte Nederlandse vertaling van Homme Eernstma’s Leafdedea (1963), of als het Fries historisch en letterkundig museum Tresoar ter sprake komt. Zo noemt hij Tresoar een ‘literatuurfabriek’ en hij herhaalt zijn grotendeels terechte kritiek op de Nederlandstalige geschiedenis van de Friese literatuur ‘Zolang de wind van de wolken jaagt’ uit 2006, nu Tresoar dat boek zonder de min of meer beloofde correcties of commentaren op het internet opnieuw gepubliceerd heeft.

Een aantal artikelen in het begin van deze bundel gaat over het kaatsen, met onder andere een vergelijking met het Spaanse pelota en ook in die artikelen weet De Haan soms kritische pijlen af te schieten. In nogal wat artikelen kijkt De Haan, bij vlagen zelfs wat nostalgisch, terug op vroegere momenten uit zijn leven, zo ook in de kaatsartikelen, waarin hij onder andere beschrijft hoe hij tussen zijn veertiende en zeventiende gekaatst heeft op alle dorpen in ‘de kaatshoek’.

Het boek bevat veel illustraties. Vooral uiteraard de stukken in deze bundel die met kunst te maken hebben zijn rijkelijk geïllustreerd. Maar ook bijvoorbeeld de verschillende artikelen die oorspronkelijk gepubliceerd zijn in ‘De Keatsfreon’ bevatten veel beeldmateriaal, zoals van schilderijen en beelden die met het kaatsen te maken hebben. Het laatste kaatsartikel verenigt kunst en kaatsen. ‘Baskysk keatsen en de keunst’ gaat over een tentoonstelling die liet zien hoe schilders en beeldhouwers in de loop der eeuwen de Baskische variant van het kaatsen hebben vereeuwigd.

Behalve op de al genoemde biografieën van Huisman en Bregman, reageert De Haan op meer biografieën van Friese auteurs (Anne Wadman) en andere kunstenaars. Uitgebreid bespreekt De Haan de biografie van de gebroeders Rinsema en gaat daarbij in op hun avantgardistische kunst en hun banden met Theo van Doesburg, Kurt Schwitters en De Stijl. Ook in dit artikel staan diverse prachtige afbeeldingen. Zeer positief is de Haan in een lang artikel over de biografie van Piter Jelles Troelstra, onder andere omdat de auteur daarvan, Piet Hagen, ook wel eens via de (Friese) poëzie van deze dichter/politicus inzicht geeft in diens motieven en achtergrondfilosofieën.

Prachtig zijn ook de brieven aan de inmiddels overleden ‘vriend en collega’ Trinus Riemersma (1938-2011). Met Trinus Riemersma was Josse de Haan in de jaren zestig van de vorige eeuw het puikje van de jonge garde vooruitstrevende literatoren, die naast ‘oude rot’ Anne Wadman de literaire wereld in Friesland domineerden zoals Mulisch, Hermans en Reve dat in het Nederlandse taalgebied deden. In de zeven brieven, geschreven in 2007-2008, refereert De Haan aan grote romans van Riemersma, vergelijkt die soms met zijn eigen werk en terecht vallen daarbij naast de drie bovengenoemde namen ook die van auteurs als Louis Paul Boon, Jerzy Kosinsky of Günther Grass.

Over dit rijke boek van Josse de Haan is veel meer te zeggen, bijvoorbeeld over de poëzie die daar, ook wel een beetje als een vreemde eend in de bijt, in staat. Zoals er over Josse de Haan veel meer te zeggen is. Of te vragen. Eén flauw, maar prangend voorbeeld: waar blijft een nieuwe roman?

Hendrik Beekman + Josse de Haan – As wurden slipe wurde (2008)

haanjossewurdenslipe4As wurden slipe wurde (Als woorden geslepen worden) is een fraai uitgegeven boekwerkje, waarin beelden van Hendrik Beekman vergezeld worden door Friese gedichten van Josse de Haan.

Hendrik Beekman (1945) werd kok, ontwikkelde zich in zijn vrije tijd tot surrealistisch schilder en kreeg tentoonstellingen in binnen- en buitenland. Omdat hij naast zijn kunstenaarschap ook een ‘gewoon’ beroep had en bovendien surrealistisch schilderde, kreeg hij aanvankelijk misschien minder aandacht dan hij verdiende. In 1992 begon hij ook met beeldhouwen, vooral met hout. Van 1994 tot 2007 had Beekman een eigen galerie in het Friese Marrum, waar hij naast eigen werk ook veel schilderijen en beeldhouwwerken van binnen- en buitenlandse kunstenaars tentoonstelde. Sinds kort woont en werkt hij voornamelijk in Spanje, aan de voet van de Pyreneeën. Dit alles is te lezen in de twee bladzijden waarmee het boek opent en waarin een overzicht van leven en werk van Beekman wordt gegeven.

In deze uitgave staan foto’s van vijftien houten sculpturen en van tien bronzen. Deze beelden, met name de houten beelden, zien er uitermate gepolijst en gestileerd uit. Ik wist, door de inleiding, dat Beekman een surrealistisch kunstenaar genoemd wordt, maar al bladerend had ik voor het gemak geconstateerd dat de beelden er nogal abstract uitzagen. Op zich niks mis mee, maar dat gladde, dat gepolijste nam mij niet voor de beelden in. Ik vond ze te strak, te gladgestreken, te mooi gemaakt. Overigens wel schitterend gefotografeerd, stijlvol belicht tegen een achtergrond waar soms de schaduw van het beeld een mooi extra effect oplevert.

Vervolgens las ik de gedichten van Josse de Haan (1941); de Friese gedichten, die elke keer rechtsonder op dezelfde (linker)bladzij staan als het beeld. Van de dichter staat merkwaardig genoeg geen beschrijving van leven en werk. Wel staat in het colofon dat De Haan voor de eerste keer in zijn leven reële beelden gebruikt heeft voor zijn gedichten, beelden die hij, zegt het colofon nog steeds, in taalmetaforen omzet en personifieert. Grote woorden, maar dat mag misschien bij een schrijver als De Haan, die in 2007 de Gysbert Japicxprijs kreeg voor het vernieuwende van zijn hele oeuvre dat bestaat uit romans, verhalen, gedichten en essays. De vraag is natuurlijk: voegt hij met deze gedichten weer iets nieuws toe aan het tiental dichtbundels dat vanaf 1971 verscheen?

In het eerste gedicht dat begint met de regels ‘As wurde slipe wurde / Glêd makke en wreaun’, lijkt het erop alsof De Haan het beeld beschrijft, in zekere zin verklaart, al zegt hij daarin ook toch al meer dan het beeld bij een vluchtige blik laat zien. En bij elk volgend gedicht wordt steeds duidelijker dat De Haan inderdaad veel meer doet dan het beeld beschrijven. Ja, in de eerste regels van het gedicht geeft hij vaak een soort beschrijving, of beter nog een interpretatie van het beeld; van dat gepolijste, verstilde, abstracte beeld. Maar wat daarna komt, ontstijgt wat te zien is. De Haan gaat verder dan beschrijven of zelfs interpreteren. De dichter doet iets wat de beeldhouwer niet voor elkaar krijgt, waarschijnlijk zelfs niet wil: hij brengt de beelden tot leven. En opeens zie je wat de beeldhouwer gedaan heeft: midden in een film heeft hij een spannend moment stilgezet, bevroren en de dichter brengt dat moment weer in beweging. Zo voegt De Haan in ieder geval iets toe aan het beeld.

Dat hij dat doet in zulke kleine gedichtjes is opvallend. Het zijn bij uitzondering negen korte regels, vaker acht, maar het kan ook in zes of vijf regels en als het moet in vier. En in zo’n kort bestek, met zo weinig woorden, voegt de dichter beelden toe aan de beelden. Beknopt, omdat de taal zo bewerkt, zo letterlijk geslepen is, dat net als in de beelden al het overbodige weggehakt en weggevijld is. Surrealistisch? Jazeker, zo zou je het fantastische beeld dat de dichter in het gedicht noteert, opgeroepen door het beeld van de beeldhouwer kunnen noemen, maar voor hetzelfde geld noem je het creatief of invoelend. En voor de lezer opent hij daarmee wat het beeld is, of zou kunnen zijn, zonder overigens voor de kijker alles in te vullen. Want daarvoor zijn de gedichten zelf ook weer te beeldenrijk, te veelzeggend, in deze gepolijste vorm.Wat de beeldhouwer in het beeld opgesloten heeft, haalt de dichter er weer uit, of het nu gaat om situaties met vrouwen, mannen, vogels of vissen: de dichter ziet dat de beeldhouwer ze vangt op spannende, veelzeggende, maar niet altijd even realistische momenten:

haanjossewurdenslipe1Een hoofd wiegelt
Tussen de handen

Zo begint een gedicht en je denkt: ja, dat is wat het beeld van Beekman, in ieder geval na een eerste verkenning, laat zien, maar dan gaat De Haan verder:

De man daagt uit
Speelt wat al te ruw
Duikt dan het water in en ik
Wacht tot hij boven komt

Eendekrooskrans om zijn hals
Een vis in zijn mond

De gedichten kunnen, denk ik, moeilijk zonder de foto’s van de beelden; dat levert waarschijnlijk wel erg surrealistische of cryptische gedichten op. Andersom lijkt het misschien makkelijker: je kunt de beelden bekijken, en zelf invullen wat de beeldhouwer Hendrik Beekman allemaal weggehakt en weggeslepen heeft. Maar wie kan zo’n rijke, verrassende invulling aan die beelden geven als de dichter Josse de Haan doet? Dit boek is daarom een prachtvoorbeeld van een geslaagde kruisbestuiving tussen twee kunstdisciplines: een beeldhouwwerk roept een gedicht op, dat op zijn beurt het beeld tot leven brengt.

Sculpturen zijn in díe zin superieur aan gedichten dat ze geen beperking van de taal hebben. Dat wordt in deze uitgave mooi gecompenseerd door van de Friese gedichten vertalingen op te nemen in het Nederlands, Engels, Spaans en Frans. Die talen zijn het logische gevolg van het feit dat de Fries-Nederlandse kunstenaars respectievelijk in Spanje en Frankrijk wonen. Bovendien biedt het een uitgelezen mogelijkheid om het werk van zowel de beeldhouwer als de dichter onder de aandacht van een groot publiek te brengen. Hieronder een voorbeeld van hoe dat er dan uit ziet: eerst de linkerbladzij met het beeld en het Friese gedicht; dan de rechterbladzij met de vier vertalingen van het gedicht.

haanjossewurdenslipe2

 

 

 

haanjossewurdenslipe3

14 september 2008

 

 

haan-kidelstiennenJosse de Haan – Kidelstiennen heine en slaan (2007)

Dit is een mooi vervolg op Kastanjes poffe (2005) waarin De Haan via essays en kritieken zijn ideeën over literatuur uitlegt en zich uitspreekt voor wat hij noemt de ‘andere’ literatuur: literatuur die het experiment zoekt en wat over de maatschappij te zeggen wil hebben. In dit nieuwe boek staan kritieken, analyses en polemische stukken die De Haan na 2000 grotendeels eerder in tijdschriften publiceerde. In het voorwoord gaat hij in tegen de stelling van hoogleraar Thomas Vaessens dat oude literatuuropvattingen hun tijd gehad hebben. Dan volgen interviews met De Haan over ‘identiteit’ en over zijn roman Piksjitten op Snyp en De Haans uitvoerige reactie op het hier ook opgenomen artikel van Trinus Riemersma over datzelfde boek. In het tweede deel staan recensies van onder andere romans van Itty Sluis en Steven Sterk en analyses van de poëzie van Anne Feddema en het existentiële proza van Piter Boersma. Het slotdeel drie bevat een artikel over surrealisme in het Fries Museum en de zeven ‘Baskyske Brieven’ die De Haan via Farsk publiceerde en waarin hij polemiek voert met diverse auteurs.

haanjossede-eljaJosse de Haan – Elja. De skepping van Gummykut – in film Roman (2006)
Filmmaker El wil een film maken over een naïeve, authentieke liefde, vol erotiek, verlangen, begeerte en jaloezie. Bij toeval ontmoet hij Elja, een chique hoer, die hij als hoofdrolspeelster wil. Elke week eten ze samen en ze praten over de film, waarna Elja El een brief schrijft. Daarin doet zij suggesties voor de film en ze geeft El sterk tegenspel, bijvoorbeeld door hem te verwijten haar filmpersonage in de werkelijkheid aan haar te willen opdringen. Zoals ook El zelf opmerkt: “Of Elja nu een levend wezen was, een karakter uit een roman of een hoofdpersoon in een film, maakte voor El niet zoveel verschil.” Scènes uit de film staan als cursieve fragmentjes tussen de passages waar het perspectief bij El ligt en de brieven van Elja. Die sterk bewerkte stukjes uit vier verschillende Franse romans, associatief, vol droombeelden en uitdagend beeldende taal, zijn ook voor een geoefende lezer niet altijd makkelijk in het verhaal in te passen. Maar dat geeft niet, want dit is een prachtig, nieuw en knap ver doorgevoerd spel over fictie en realiteit van een belangrijke literaire schrijver.

haankastanjesJosse de Haan – Kastanjes poffe Opstellen/essays oer (‘oare’) literatuer, analyses fan proazawurken en poëzy (2005)

Josse de Haan (1941) schreef naast romans en poëzie in diverse tijdschriften ook belangwekkende artikelen óver poëzie en proza die nu gebundeld zijn. Daarbij heeft hij een duidelijke voorkeur voor wat hij zelf noemt de ‘andere’ literatuur. In de vier essays waar de bundel mee begint maakt De Haan duidelijk wat die volgens hem ondergewaardeerde experimentele, avantgardistische, absurde, creatieve of vervreemdende literatuur inhoudt en waarom hij die belangrijk vindt. Literatuur is voor De Haan nooit onpersoonlijk of vrijblijvend. De schrijver maakt kunst en daar kiest hij een bepaalde vorm voor, maar vooral schrijft hij onder andere over twijfel aan het bestaan, existentiële nood en vragen over leven en dood. Concreet wordt duidelijk wat hij bedoelt als hij dichtbundels bespreekt van Sikke Doele, Albertine Soepboer, Willem Abma, Baukje Wytsma, Henk van der Veer en Cor van der Wal, en romans van Trinus Riemersma, Willem Abma, Steven de Jong en Meindert Bylsma. En passant ruimt hij daarbij het misverstand uit de weg dat ‘andere’ literatuur synoniem zou zijn voor onleesbaar geachte literatuur.

haanfeuillesmortesJosse de Haan – Feuilles mortes. de Anna’s (2004)

Josse de Haan (1941) wil zijn lezers niet alleen maar een vlot verteld verhaaltje bieden. In het eerste hoofdstuk van zijn inmiddels zevende Friese roman schrijft een ‘Wij’ een laatste brief naar ‘alle Anna’s op wie we verliefd zijn geweest en die nog in ons hoofd rondspoken’. In de volgende hoofdstukken is er afwisselend een ‘ik’ die zich richt tot zijn overleden moeder, een ‘hij’ die verplicht is om zijn verleden te fantaseren, omdat het familiearchief vernietigd is, en een ‘do’, die nauwelijks onderscheid kan maken tussen echte en gedroomde personen. Het zijn tragische, eenzame figuren die proberen een deel van hun leven, dat met ‘Anna’, te reconstrueren. In het heden kunnen ze niet goed functioneren, contact met anderen hebben ze niet of nauwelijks, aangetekende brieven zelfs blijven ongeopend, maar met het verleden wil het ook niet vlotten. Herinneringen en spijt liggen voor het oprapen, als de dode bladeren, en het leven scheurt mensen uit elkaar die van elkaar houden. Die woorden, uit het chanson van Gréco dat als motto dienst doet, zijn harde werkelijkheid in deze boeiende roman.

haannanetteJosse de Haan – Nanette (2003)

David, een excentrieke Van Gogh-specialist uit Nederland, komt heel toevallig weer in contact met Nanette, een vrouw in Arles, met wie hij 25 jaar eerder in een pension heeft geslapen. Ze blijkt een achterkleindochter van Van Gogh te zijn en heeft een dochter (weer een Nanette) van wie David de vader moet zijn. Zo lijkt het nieuwe boek van Josse de Haan van toeval aan elkaar te hangen. Maar door de opbouw is het juist een spannend en intelligent verteld verhaal, waarin misschien ook tot nu toe onbekend gebleven werk van Van Gogh opduikt. Het boek begint met een brief van Van Gogh aan een geliefde Nanette. In het laatste hoofdstuk staan nog twee brieven uit 1890, waarna de ontknoping volgt, hoewel ook weer niet helemaal. Daartussen volgt de lezer nu eens de hedendaagse Nanette in Arles en haar familiegeschiedenis, dan weer David, met onder andere zijn oorlogsverleden. Beide verhalen zijn interessant en dan is daar nog de spanning over de brieven en de schilderijen van Van Gogh. Met deze zorgvuldig opgebouwde roman slaat De Haan weer een iets traditionelere weg in dan met zijn vorige boek.

haanpiksjitteJosse de Haan – Piksjitten op Snyp (1999)

Dichter/schrijver Josse de Haan (1941) heeft met zijn vijfde roman een waar meesterstuk afgeleverd. Een ik-figuur schrijft het verhaal van een concurrent-schrijver en tegelijk zijn alter ego De Grutsk. De Grutsk vertelt heel vlot verhalen die de ik-figuur tot een roman wil verwerken. In die roman spelen gebeurtenissen van vroeger, beleefd door De Lytsk in het dorp Snyp, een belangrijke rol. Het zijn jeugdherinneringen over het opblazen van kikkers, over het knikkeren, over de dood van zijn opa of zijn eerste seksuele belevenis met De juf Annach. Via aan huis bestelde hoeren roept hij herinneringen op aan vrouwen uit het verleden. De ‘ik’ becommentarieert de verhalen en wil ze tot literatuur maken. Daar slaagt in ieder geval Josse de Haan in. Meeslepend geschreven en herkenbaar, maar net zo goed vervreemdend en surrealistisch door de grootsheid van de beelden en bijvoorbeeld door de merkwaardige naamgeving is dit een dik boek (500 blz) van grote klasse. Bij vlagen humoristisch, soms hard en rauw, soms ontroerend is dit geen makkelijk boek. Wel Friese literatuur van wereldformaat.

Josse de Haan – De lytse dea soms Fersen (1996)

In zekere zin kun je deze nieuwe dichtbundel van deze auteur (1941) als een vervolg zien op de bundel Geeffike pears gers (1987). Niet alleen komen dezelfde beelden en woorden weer terug (bijvoorbeeld ‘gers’ en ‘kidelstien’), maar ook inhoudelijk is er aansluiting. Ook hier weer veel erotiek, al zij er wel verschillen. Het eerste en meest directe verschil: de nieuwe bundel is veel toegankelijker (minder surrealistisch?), wat ook al gezegd kon worden van De Haans vorige bundel Rapsody yn stien foar Jerusalem. Dat maakt zijn nog altijd beeldende poëzie nog steeds niet echt gemakkelijk, maar wel veel leesbaarder. Het tweede verschil is dat in deze qua vorm haast proza-achtige gedichten de liefde op een dood spoor is terechtgekomen: de liefdesdaad wordt vergeleken met ‘de kleine dood’ en de geliefden zijn ouder geworden, zodat bijvoorbeeld de borsten van de vrouw niet meer rond en stevig zijn. En bovenal: uiteindelijk is de geliefde er zelfs niet meer en worden dus alleen herinneringen opgeroepen

Josse de Haan – Katastrofe Novelle (1992)

De Haan (1941), schrijver van diverse romans en dichtbundels, laat deze Friese novelle zich afspelen op een zondagochtend, binnen één kamer, tussen een man en twee vrouvven. De man heet Joazef (verwijzing naar Kafka en de Bijbel), de vrouwen heten, niet minder symbolisch, Rije I en Rije II (Maria). Nadat de man zich verwond heeft als hij met een mes een spiegel heeft stukgegooid, krijgen de witte Rije I (vrouw van Joazef) en de zwarte Rije II (zijn inwonende vriendin) ruzie. Als hij terugkomt van de dokter sluiten de vrouwen een verbond tegen Joazef en maken zich vrij van hem. De thematiek is het best te benaderen met de tegengestelde trefwoorden kleinburgerlijkheid en schoonheid, bij de motieven spelen de spiegel en het mes een grote rol. Het verhaal wordt om de drie pagina’s onderbroken door een tekst die ogenschijnlijk met het verhaal weinig te maken heeft en hoewel het zich qua taal vlot laat lezen, is het bepaald geen makkelijk boek: de filosofische en soms onrealistische inslag van gesprekken en gebeurtenissen doen een stevig beroep op het intellect van de lezer.

Josse de Haan – Rapsody yn stien foar Jerusalem Fersen (1989)

Opvallend in deze negende Friese dichtbundel van De Haan is de directheid van sommige gedichten (‘it reint stiennen yn Jerusalem / it hagelt klinkerts troch de buorren’). Dat wil niet zeggen dat er geen prachtige beelden in staan, wel dat de gedichten toegankelijker zijn dan in zijn vorige, surrealistische bundel. De gedichten zijn gemaakt naar aanleiding van een reis naar Israël. De Haan gebruikt het symbool van de zevenarmige kandelaar om de bundel in te delen in zeven maal zeven gedichten. In die delen komen verschillende aspecten van Israël en met name Jeruzalem naar voren: het joodse verleden, de spanning, de verhouding tussen joden, arabieren en christenen. De macht of onmacht van het woord is een telkens terugkerend motief. De Haan toont zijn eigen macht over de taal nog eens duidelijk in het laatste gedicht, waarin hij een indringender beeld geeft van de intifada dan menig tv-beeld ooit kan. Jammer dat de illustraties van Paulo Martina door het grijze papier minder duidelijk overkomen dan ze verdienen.

Josse de Haan – Geeffike pears gers (1987)

De Haan is sinds 1984 full-time schrijver (in het Nederlands en het Fries) van proza, toneel en poëzie. Dit is zijn negende dichtbundel, de eerste sinds 1979. De titel is ontleend aan een van de korte gedichten in de bundel, ‘Lij wetter’:

geeffike pears gers yn lange snilen
in langermakke hân
ferfart
bylkerich yn de basiskleur.

Het is één van de gedichten waar ik wat moeite mee heb. Het kolofon geeft al aan dat het in deze bundel gaat om liefdesgedichten met een erotische inslag, geschreven in de surrealistische traditie. Dat maakt ze niet gemakkelijk, vooral niet de op zichzelf staande gedichten. Er staan echter een paar heel mooie cycli in, waaronder ‘Talen yn ‘e berm’: vijf gedichten, elk opgebouwd uit drie regels plus één en vooral ‘Sylt traach in fleanmesjine’. Die cyclus, zeven gedichten van vier regels, soms wat lastig te lezen door het ontbreken van leestekens, is een avontuurlijke leeservaring met fantastische beelden. Hoe vreemd de taal en de beelden ook zijn, De Haan weet zijn materiaal heel beheerst vorm te geven, wat de kracht van zijn dichterschap aangeeft. Toch zal hij met deze bundel slechts een klein, select publiek bereiken.