Harmen Wind

wind Harmen Wind – Lek en brek. Fjirtich fabels Mei tekeningen fan Pieter Krijthe (2008)

Wind, die poëzie en proza in het Nederlands en het Fries publiceert, legt in het voorwoord uit dat hij in dit boek moderne fabels wil schrijven, waarin dieren met hun specifieke eigenschappen met elkaar omgaan en waarin soms wel een ‘levensles’ te ontdekken valt, maar de expliciete moraal ontbreekt. Hij is daarin uitermate goed geslaagd. De fabels doen in de verte wel aan La Fontaine denken, maar er zitten ook vleugjes Koolhaas en Toon Tellegen in. Met de nodige ironie en een mix van precisie en nonchalance, in vlotgeschreven moderne taal waarin hij ouderwetse aanduidingen van dieren als mychammel (mier) niet schuwt, beschrijft Wind in één á anderhalve bladzij veertig ontmoetingen, onder andere van rat en eend, vlinder en kikker, otter en aalscholver. Hij toont de gevolgen van het feit dat de eekhoorn een vervelende boodschap voor zijn vrouw achterhoudt, vertelt zonder commentaar de goedbedoelde maar niets oplossende hulp die de mier de duizendpoot biedt of laat de wreedheid zien van de herdershond ten opzichte van de mol. Mooi is bijvoorbeeld ook de schijnheiligheid van de ezel die denkt: ‘Armoedig sekreet’, maar zegt: ‘Prachtige dag, mevrouw’ en de kip die denkt: ‘Afschuwelijke stumper’ en zegt: ‘U ook een mooie dag, meneer’, of de manier waarop de geit de opvatting van de ree over vrijheid beïnvloedt.

Hoewel de ene fabel wat beter geslaagd is dan de andere, zitten er geen echt zwakke tussen. Een uitermate geslaagde fabel is bijvoorbeeld ‘Moederaasje’. De fabel begint met een paar sfeerscheppende, inleidende zinnen over de lente, met de mooie beeldspraak dat de sloot er als een lichtbak bij ligt. In die sloot ligt een snoek die wat depressief inziet dat het leven nergens toe dient, maar ook dat inzicht stilt zijn honger niet. De melancholie druipt ervan af, maar het verhaaltje krijgt een mooie draai door de reiger die het leven een stuk fleuriger bekijkt. En die reiger krijgt zomaar een lekkere roodvoorn als prooi, enkel en alleen omdat die voorn uitwijkt voor de stilliggende snoek. De fabel eindigt met de overpeinzing van de reiger dat hij een jaar eerder ‘met een beetje honger en goede wil’ de depressieve snoek wel uit zijn lijden had kunnen verlossen, maar nu moet deze zich maar door zijn tranendal heenslaan.

Bij elke fabel staat een paginagrote pentekening van Pieter Krijthe, die deze bundel nog rijker maakt.

Harmen Wind – De izers fan ‘e frijheid Roman oer Jancko Dauwama 1482-1533 (1998)

Om schulden af te lossen gaf keizer Maximiliaan het bestuur van de Friese landen aan de hertog van Saksen. Dat betekende het einde van de befaamde Friese vrijheid. Jancko Douwama, Fries edelman (1482-1533), was een van degenen die zich daartegen ging verzetten. Als het boek begint wordt Douwama wegens verraad gevangen gezet door Karel V in Vilvoorde in 1523. Het tweede hoofdstuk is een brief van Douwama aan zijn vrouw Tet. In het derde hoofdstuk wordt de jeugd van Douwama beschreven. Zo is ook de rest van het boek opgebouwd: hoofdstukken over het tienjarige verblijf in de kerkers in Vilvoorde, onder erbarmelijke omstandigheden, worden afgewisseld met brieven aan Tet en met hoofdstukken over de voorgeschiedenis. Jancko Douwama wordt niet als een onfeilbare held beschreven, maar wel als iemand die oprecht het beste voor zijn gezin en het (Friese) volk zocht, al heeft hij waarschijnlijk tactische blunders begaan. Harmen Wind (1945), bekend van een tiental Friese en Nederlandse dichtbundels, schreef met dit boek een prima romandebuut, dat mede door de opbouw tot het eind toe blijft intrigeren.

Harmen Wind – Wei Fryske gedichten (1998)

Harmen Wind (1945) publiceert met enige regelmaat afwisselend Friese en Nederlandstalige dichtbundels. Vrijwel tegelijk met zijn debuut in proza, een historische roman verschijnt deze nieuwe Friese bundel gedichten. De 47 gedichten zijn verdeeld over vijf afdelingen, die allemaal wel iets met de overkoepelende titel ‘Wei’ (weg) te maken hebben. De 1e afdeling is ‘Underweis’ en in het gelijknamige gedicht staat dat we onderweg zijn om niet ten onder te gaan. Tegelijk zoeken we liefde en troost, maar volgens het sonnet ‘Grûn’ loopt dat slechts op eenzaamheid uit. Lang niet altijd klinkt een sombere toon, bijvoorbeeld niet in gedichten uit de 2e afdeling over een gestorven moeder. Daar vinden we een vorm van troost, die ook tot uiting komt in de andere afdelingen. ‘Bernegebed’ uit de 3e afdeling is er een voorbeeld van. De hele 4e afdeling ‘Yn ‘t foarbygean’ werkt van de herfst naar de zomer, en het laatste gedicht van de bundel heet zelfs ‘Treast’. Dat gedicht is, net als veel andere gedichten, prachtig opgebouwd en klinkt bijna als een lied. Met behulp van originele en duidelijke beeldspraak roept de dichter belangrijke vragen op en geeft hij soms de richting aan naar het begin van antwoorden.

Harmen Wind – Plak Fryske gedichten (1996)

Dit is de vijfde Friese dichtbundel van de auteur (1945), die afwisselend in het Nederlands en het Fries publiceert. De bundel is prachtig vormgegeven door Gertjan Slagter en de inhoud is al even mooi. Het begint met een motto uit psalm 103, dat zegt dat de mens een sterveling is, een bloem en als de wind over een bloem gaat, is de bloem weg ‘en haar plaats kent haar niet meer’. In het laatste gedicht, met als titel ‘Plak’, komt psalm 90 ter sprake waarin God de eeuwige toevlucht genoemd wordt voor de vergankelijke mens. In dat gedicht gaat het dan ook over een dorp dat verstild achterblijft, ten prooi aan verval. Als alles geheel vervallen is, wordt pas duidelijk wat de mensen hier te maken hadden: hier vonden ze een plek. En niet voor niets heet een gedicht in deze laatste afdeling van de bundel ‘Taflecht’. Zulke plekken, toevluchtsoorden, zijn er meer. Zoals er bijvoorbeeld vroeger het schort van moeder was, is er nu de poëzie. De poëzie van Harmen Wind kan inderdaad vastleggen wat vergaat.

Harmen Wind – Op alle dagen (1995)

Dit is de vierde Friese dichtbundel van Harmen Wind, die ook Nederlandstalige bundels publiceert. Net als de vorige is dit weer een bundel waarin de melancholie aanwezig is zonder dat de poëzie somber wordt. De bundel opent met gedichten over het dichten zelf. Zonder zichzelf te kort te doen relativeert de dichter het belang van de poëzie en hij verraadt in deze gedichten wat misschien wel belangrijker is: ‘(…) wy / swijend tegearre yn in / lije simmerjûn (…)’. Want temidden van gedichten waarin zowel de inhoud als de prachtig beheerste vorm opvalt, staan enkele mooie liefdesgedichten. Geen sentimentaliteit, maar zorgvuldig geconstrueerde ‘verklaringen’ bijvoorbeeld waarin de ‘liefste’ wordt aangesproken. Dat ook hier de gedichten niet te zwaar worden, zal wel alles te maken hebben met de inspirerende manier waarop Wind schrijft, die dwingt tot herlezen, nadenken en genieten.

Harmen Wind – In wjirm mei in izeren rêchbonke (1989)

De Friese debuutbundel van Harmen Wind (die ook in het Nederlands dicht) Ut ein (1985) was beloftevol. Deze even verzorgde bundel maakt die belofte waar. Ook hier is een cyclus gedichten geïllustreerd door Pieter Krijthe en vergroot dat de rijkdom van de bundel. Die cyclus geeft zowel in de gedichten als in de tekeningen een indringend beeld van wat mensen elkaar aan kunnen doen: ‘(…) Foar / pine gjin ûnthald mear, mar / yn ‘t túntsje foar it finster / heinderballet it buorfamke’. Die tegenstelling tussen de wereld van het kind en die van de volwassene is één van de manieren waarop Wind duidelijk maakt dat iets de vergankelijkheid in de weg staat. De mens is op een wereldreis en kan erg zijn best doen, het einde komt toch. Deze bundel is misschien iets somberder dan de vorige, maar bepaald niet uitzichtloos, soms zelfs troostend. Zo behoudt de dichter de moed om te leven en dat als lezer ook te vinden in deze poëzie werkt bevrijdend. Een keurig verzorgde, inspirerende bundel.

Harmen Wind – Ut ein (1985)

Harmen Wind publiceert sinds enige jaren gedichten in het Fries (o.a. in Hjir), en in het Nederlands (o.a. in De Revisor). Ut ein, een bundel Friese poëzie, is zijn debuut in boekvorm. In veel van deze gedichten voelt de dichter zich niet op zijn gemak in deze wereld, zelfs niet op plaatsen waarmee hij zeer vertrouwd is. Vooral in de eerste gedichten wordt daardoor een sfeer van melancholie opgeroepen. Het gedicht ‘De fertroude regelmaat’ begint met de regels: Ek dizze dei draacht my de dea / in etmeal oan ta myn fergean.’ Toch is dit niet een echt sombere bundel geworden. Om somberheid tegen te gaan maakt Wind goed gebruik van de ironie. Het eerste gedicht in de cyclus ‘Et omnia vanitas’ begint als een zwaarmoedig filosofisch gesprek over mensen die vluchters zijn zonder uitweg, achtervolgers zonder thuis en eindigt met de contrasterende banale opmerking dat er nog maar een borreltje genomen moet worden. Het middenstuk van de bundel, de cyclus ‘Op it spoar’ vind ik uitzonderlijk mooi. Niet alleen door de zeven tekeningen die Pieter Krijthe bij de gedichten maakte, maar ook door de beschreven vader-zoonrelatie. Wind schrijft zeer verzorgde poëzie.