Harke Bremer & Jarich Hoekstra

bremerhoekstra_leffert Harke Bremer & Jarich Hoekstra – Leffert. In heldedicht yn tolve sangen 2013

Harke Bremer (1955, classicus, vertaler) en Jarich Hoekstra (1956, hoogleraar Friese taal- en letterkunde) deden samen al tal van projecten zoals het vertalen van diverse stripverhalen zoals Kapitein Rob (zie hieronder), Asterix en van een aantal Bommelverhalen van Marten Toonder. Voor dat laatste kregen ze in 1996 de driejaarlijkse Obe Postmapriis. De intelligente en humoristische creativiteit die Bremer en Hoekstra etaleerden in hun vertalingen van deze stripverhalen laten ze nu ook zien in een werk dat geheel van eigen hand is: Leffert. In heldedicht yn tolve sangen, waarmee ze bewijzen dat een oud genre in een geweldig modern jasje gegoten kan worden.

Leffert is een historisch heldendicht in twaalf zangen. Elke ‘zang’ telt ongeveer 320 gepaard rijmende verzen die als grondpatroon de viervoetige jambe hebben, waar de dichters zich behoorlijk goed aan houden zonder dat het al te gemaakt overkomt. Ondanks deze ouderwets aandoende vorm, zijn de verzen nergens stijf, maar juist met een enorme vaart geschreven. Dat lukt de auteurs door lekker creatief te werk te gaan met onder andere soms zeer gewaagde enjambementen en slimme rijmwoorden, waardoor deze verzen zo lekker lezen.

Het begin van de eerst zang roept herinneringen op aan oude, middeleeuwse en klassieke, heldendichten: de auteurs zeggen stellen zich voor (‘Bremer en Hoekstra is ús fan’) en vertellen dat ze gaan zingen van een man die het niet gemakkelijk had in zijn leven. In die eerste zang wordt de held van het verhaal geboren, Leffert (Lafaard). Zijn moeder zegt eenvoudig tegen haar man die er niet bij was omdat hij de vroedvrouw (te laat) ging halen: ‘Wij treffe’t / no ha wy dan ús lytse Leffert.’ Vader Sake, de smid, en vooral moeder Akke willen niet te veel kraamvisite, de twee buurvrouwen zijn wel genoeg (‘Dat binne ek wol fûle kaen, / mar gotsijtank mar mei hun twaen’). Toch komen ongevraagd ook de twaalf zussen van de ouders de nieuwe telg bewonderen. Ze zijn boos omdat ze niet uitgenodigd zijn en alle twaalf spreken ze een vloek over Leffert uit. De een voorzegt dat hij een varkensneus krijgt, anderen wensen hem onder andere een drupneus toe, een mislukte schoolloopbaan of een lege portemonnee.

De tweede zang begint prachtig met de cynische humor die het hele werk typeert: tot vier maal toe worden geneugten van de kindertijd beschreven in twee regels, met tussen haakjes daar achteraan telkens zes regels minder mooie dingen, bijvoorbeeld:

Men hat in libben as in lûs
by heit en men yn ‘t âldershûs
(mits, ‘t stiet net yn ôfbraakbuorren
mei lagen skimmel op ‘e muorren
en men hat net in heit dy’t sûpt
en by syn famke op bedsje krûpt
of oars, in mem, slim gokferslave,
dy’t ivich nei de lommert drave
moat)!

Al gauw blijken de verwensingen van de boze zussen uit te komen en bij het uitkomen van de derde verwensing klaagt moeder Akke luidkeels als ze varkenstrekken in haar kind denkt te herkennen. Vader reageert:

“‘t Wie better datst dy wat bedimste,”
sei Sake, “tink net daalk it slimste.
In goede mem kin oan har bern
allinne moaie dingen sjen.”
“Praat net sa sleau,” rôp Akke, “jasses!
Dyn soan, dy hat in bargeharsens!”
Dat wurd hat Sake slim oandien
en op syn skoatsfel foel in trien.

Dankzij de verwensingen is Leffert ook een mislukkeling op school en hij wordt daar weggestuurd.

Ferspein troch susters en troch bruorren
útkoarre troch de hiele buorren,
hie Leffert nearne op ‘e wrâld
by minsken stipe of in hâld.

Leffert vindt dus bij niemand steun, maar er is gelukkig een hondje, een keffertje, dat de naam Bang krijgt en die hem onvoorwaardelijk steunt:

Oeral dêr’t Leffert gie syn wei,
rûn Bang him giselsturtend nei.
En at de jonges Leffert narren,
loek Bang de tosken bleat tsjin harren,
ûnder in hage, net fierou:
dat is de wiere hûnetrou!

Om dit boek goed te typeren kun je haast niet anders dan citeren, dan zie je hoe lenig, hoe humoristisch, hoe creatief het verhaal geschreven is. Het verhaal zelf heeft niet heel veel om het lijf, al bevat het tal van ingrediënten van een oud heldenepos. Omdat alleen oom Thiadrik zich nog met Leffert wil bemoeien, komt hij daar in de leer. Jarenlang traint Thiadrik Leffert, weliswaar met gebruikmaking van doping (steroïden), maar zo wordt Leffert een dappere krijger. Zijn vader doet er veertien dagen en nachten over om voor hem een speciaal zwaard te maken. Na de dood van oom Thiadrik verlaat Leffert, inmiddels in gezelschap van niet alleen zijn hondje Bang, maar ook een havik Eang en een paardje Blea, zijn geboortestreek

Leffert belandt na een bijna rampzalige reis over de ‘Almar’ op het Muiderzand waar hij Welmoed, de dochter van koning Redbad ontmoet. Als Welmoed Leffert kust worden alle vervloekingen uitgewist en is Leffert een knappe jongeman, zonder varkenssnuit en druipneus. Zo wint hij zonder slag of stoot het hart van Welmoed, maar nog niet de toestemming van koning Redbad die Leffert duidelijk maakt dat Welmoed al aan een ander, een echte ridder, beloofd is. Na een godsgericht en vervolgens nog eens drie opdrachten, want “yn in fetsoenlik folksferhaal / binn’ trije opdrachten normaal”, komt alles natuurlijk goed en met een tijdsprong naar het heden rijden Leffert en Welmoed per auto naar een dorpje waar ze een klein huisje kopen om gelukkig te leven.

De talrijke anachronismen zijn een heel enkele keer bijna flauw, maar meestal erg amusant en de dichters spelen er zelf ook mee. Halverwege het verhaal verblijft Leffert stiekem bij de dochter van koning Redbad. De koningin krijgt argwaan omdat een pizzakoerier elke dag op zijn brommer een pizza Margherita en een pizza Hawaï naar de kamer van Welmoed brengt:

Dat makke keninginne allinkend
doch al in libytsje erchtinkend
om’t elk wol yn ‘e rekken het:
brommers dy wiene der doe net.

De auteurs spelen ook met hun rol als alwetende verteller die ze laten becommentariëren door de lezer die bijvoorbeeld vindt dat ze een seksscène niet mogen overslaan, want de lezer heeft nu eenmaal voor dit boek betaald. Maar ook de eerste veertig, vijftig verzen van elke zang nemen ze te baat om lekker commentaar geven op hedendaagse zaken die vergeleken kunnen worden met de vroegmiddeleeuwse tijd waarin Leffert rondloopt.

Bijzonder aardig zijn ook de verwijzingen naar klassieke boeken als de Bijbel, maar ook naar de Friese literatuur. Zo begint de negende zang met een verwijzing naar de zeventiende-eeuwse Friese dichter Gysbert Japicx:

‘Der is mear tusken loft en lân
as men befiemet mei ‘t ferstân’,
seit Gysbert yn ‘e Rymlerije
(útjefte Breuker, side 3).

Al eerder is een passage gewijd aan Waling Dykstra’s klassieker uit de negentiende eeuw De sulveren rinkelbel. Het is verder heerlijk om te zien dat alle clichés van een heldenepos van stal worden gehaald, behalve de al eerder genoemde is er bijvoorbeeld ook nog de gemene, zwarte ridder. Normaal gesproken zou het allemaal te erg zijn, maar ook deze overdrijving draagt bij tot veel plezier bij het lezen van dit verhaal.

kuhnvrijheidPieter Kuhn – De avontoeren fan it sylskip ‘De Vrijheid’ De avonturen van kapitein Rob, dl 1; oerset út it Hollânsk troch Harke Bremer en Jarich Hoekstra (1996)

In dit eerste deeltje van de beroemde kapitein-Robserie die na de oorlog in Het Parool verscheen, gaat kapitein Rob met zijn schip De Vrijheid op zoek naar de bemanning van de Jeanet. Die bemanning had een goudader in kaart gebracht, maar is op de terugreis door gemene boeven overvallen. Kapitein Rob gaat eerst achter de koker met de kaart aan en zoekt daarna de bemanning. Met behulp van drie Arabieren, die hij na een schipbreuk uit zee opgepikt heeft, trekt hij door de woestijn. Uiteindelijk vindt hij de bemanning en bevrijdt die. Als kapitein Rob helemaal met de misdadigers heeft afgerekend, wordt hij zelfs gehuldigd door de emir. Deze strip, klassiek in de jaren vijftig, is anno 1995 door Harke Bremer en Jarich Hoekstra zeer behoorlijk in het Fries vertaald. Maar deze op zich prima Friese vertaling kan niet verhelpen dat het verhaal qua stijl, opbouw en tekeningen nogal ouderwets en zelfs oubollig aandoet. (1996)

Pieter Kuhn – It geheim fan ‘e Boskplaat. De avonturen van kapitein Rob, dl 6; oerset út it Hollânsk (1996)
Het zesde deel van de bekende Kapitein Rob-serie verscheen enige jaren na de oorlog. Het is het tweede deel dat nu in het Fries vertaald is. Het eerste deel (De aventoeren fan it sylskip De Vrijheid was prima vertaald door Harke Bremer en Jarich Hoekstra; dit deel vermeldt geen vertalers, maar is ook weer goed vertaald. Probleem blijft echter ook hier weer de ouderwetsheid van taal en verhaalopbouw. Ook het gemak waarmee Kapitein Rob tegen twee vriendinnen kan zeggen dat wat hij doet geen vrouwenwerk is, is behoorlijk uit de tijd. Kapitein Rob komt terug in Nederland bij toeval op het spoor van een groep SS’ers die na de oorlog zijn achtergebleven op Terschelling. Ze hebben daar een onderzeese basis ingericht, waar een Duitse professor experimenteert met een nieuw bacteriologisch wapen, waarmee hij de Duitse superioriteit alsnog wil bewijzen. Kapitein Rob weet met behulp van een paar bekenden, waaronder majoor Ross van de Amerikaanse geheime dienst tot de basis door te dringen om de boeven natuurlijk net op tijd te stoppen. (1996)

kuhnaventoerpampusPieter Kuhn – Avontoer op Pampus. De avonturen van kapitein Rob, dl 36; oerset út it Hollânsk troch Harke Bremer en Jarich Hoekstra (1998)

Dit is het vijfde Kapitein-Robverhaal dat in het Fries vertaald is door Harke Bremer en Jarich Hoekstra. Het oorspronkelijke werk verscheen in 1954 en de stijl van het oude jongensboek- of stripverhaal is door de vertalers letterlijk overgenomen. Kapitein Rob komt weer in aanraking met professor Lupardi. Die weet Kapitein Rob zo te beïnvloeden dat Rob eraan meewerkt om een nieuwe uitvinding, de brilvis, in het IJsselmeer uit te zetten. Volgens Lupardi wil hij nu eens goed gaan doen en zou de nieuwe diersoort een eind kunnen maken aan het voedselprobleem in de wereld. Kapitein Rob voelt er niets voor, maar Lupardi weet Robs vriendin voor zich in te palmen en dan werkt Rob toch mee. Het loopt op een catastrofe uit: de brilvissen worden te groot en bedreigen de mensen. Met veel moeite worden de dieren uiteindelijk uitgeroeid en kapitein Rob helpt professor Lupardi van Pampus te ontsnappen aan de politie. Rob weet de politie maar nauwelijks te overtuigen van het feit dat ook hij slachtoffer is van professor Lupardi en diens experimenten. Het is weer een echt ouderwets jongensboekenverhaal, dat een deel van de jeugd mogelijk nog wel zal aanspreken, evenals de wat oudere kapitein-Robfan. (1998)

Marten Toonder – Tom Poes en it spoek fan Bommel State’. Oerset yn it Frysk troch Harke Bremer en Jarich Hoekstra (2007)

Net als eerdere in het Fries vertaalde Bommelverhalen, zit dit verhaal uit 1975 vol prachtige taalvondsten die recht doen aan de creatieve taal van Marten Toonder. Terecht kregen de vertalers Bremer en Hoekstra voor hun Bommelvertalingen de Obe Postmaprijs. Eén van de vele vondsten is de naam voor markies de Canteclaer, in het Fries jonker de Haen Hettema (met een knipoog naar de 19e-eeuwse Friese advocaat, geschied- en letterkundige De Haan Hettema). De jonker, deskundig op het gebied van spoken, komt met allerlei apparatuur helpen het spook van Bommel State vangen. Dat spook is er gekomen via Hokus Pas en is er de oorzaak van dat telkens een dubbelganger van één van de personen een ander beledigt. Dat leidt tot veel misverstanden en tot ruzie tussen heer Bommel en juffer Oeke (Doddeltje). Ook een medium wordt ingezet, maar uiteraard is het Tom Poes die dankzij een list de geest weer in de fles krijgt. De stripverhalen van Toonder (eenderde van de bladzij plaatjes, de rest tekst) spelen zich altijd al af in een archaïsche maatschappij en lijken daardoor, ook in het Fries, tijdloos. (2007)

Marten Toonder – Uniek, hm… unyk . Oerset út it Hollânsk troch Harke Bremer en Jarich Hoekstra (2000)

Twee Bommelverhalen in een mooie, grote, tweetalige Nederlands/Friese uitgave. Het zijn De Grauwe Razer (De Grize Grauwer) uit 1967 en De Grote Barribal (De Grutte Barribal) uit 1973. In het 1e verhaal komt Heer Bommel na een autoritje in aanraking met het barbaarse monstertje Razer (Grauwer in het Fries). Bij de hand genomen door Tom Poes, die de sleutel tot verandering in de kraai van Razer ziet, slaagt Bommel erin het monstertje in goede banen te leiden. In het 2e verhaal komt heer Bommel, op zoek naar de warmte, juist in het gure zuiden terecht, waar de reus Barribal zou huizen. Door uitzendingen op de televisie (die nog niet iedereen in Rommeldam heeft) wordt de reus een mediaspektakel en krijgt hij een grote aanhang. Tom Poes komt er uiteindelijk achter dat de reus in werkelijkheid niet meer dan een dwerg is, die door professor Sickbock via projecties en geluidsversterkers vergroot wordt. De vertalers, die al meer Bomelverhalen in het Fries vertaalden, hebben weer uitstekend gezorgd voor talloze fraaie vondsten om het speciale taalgebruik van Toonder in het Fries om te zetten. (2000)