Elske Kampen

KampenElske Kampen – Ynbyld (2017)

In Ynbyld, de derde Friese dichtbundel voor volwassenen van Elske Kampen, wil de ik-figuur de haar omringende en vaak onveilige wereld en vooral wat die wereld met haar doet zo goed mogelijk beschrijven. Dat doet ze in sprankelende, forse gedichten die zorgvuldig zijn opgebouwd uit stevige strofen en in klinkende taal.

Bin ik op in eilân en inkeld mei myn each kin ik
de see berikke, wylst ropt in twingend freegjen
yn my om alles wat it sjocht te neamen.

Met deze strofe opent en eindigt het gedicht waarmee de bundel afsluit. Prachtig maakt de dichteres in deze regels de noodzaak van haar poëzie duidelijk. Het is niet eens de ik zelf, maar een ‘dwingend vragen’ in haar dat roept ‘om alles wat het ziet te noemen’. In de vier tussenliggende strofen probeert de ik er wel aan te ontkomen. Elk van die vier strofen begint met dezelfde woorden: “leaver as te neamen”, gevolgd door andere activiteiten die de ik liever doet op het eiland. Maar ook al graaft ze liever, bouwt ze liever van zwerfafval een windmachine, rent ze liever over het strand of zwemt ze liever om de zee af te troeven – in de laatste strofe roept toch dat dwingend vragen in haar “om alles wat it sjocht te neamen”.

En dat is precies wat de dichteres in de gedichten uit deze bundel gedaan heeft: beschrijven wat ze ziet, of in de woorden van de dichteres: dat alles benoemen of een naam geven. Dat lijken in eerste instantie geen gewone zaken uit het dagelijks leven. Nee, Elske Kampen maakte eerst kleurrijke abstracte beelden, (‘collages van dun beschilderd papier,’ legt de dichteres achterin uit) en maakte daar een gedicht bij. Zo kwam ze ook aan de titel van de bundel: Ynbyld. Dat aparte woord – ‘Inbeeld’ – heeft natuurlijk een aparte, speciale betekenis. Het heeft connotaties met ‘in beeld’ zijn, en ja, de schilderingen zijn in beeld, want ze zijn op de bladzijde naast de gedichten afgedrukt. Maar het doet ook denken aan ‘inbeelding’, hoewel ‘inbeeld’ tegelijkertijd concreter én raadselachtiger is.

De bundel heeft drie afdelingen die elk bestaan uit zes schilderingen op de linker bladzijde en zes gedichten op de bladzij ernaast. Elke afdeling wordt voorafgegaan door een inleidend gedicht. Om dat alles heen staan twee gedichten die fungeren als inleiding op en afsluiting van de gehele bundel. In het inleidende gedicht stelt de ik-figuur zich direct kwetsbaar op. Op een manier zoals we die zo langzamerhand al goed kennen van Elske Kampen – gebruik makend van parallellie en herhalingen, van goed gedoseerde alliteraties en assonanties, van een geweldig ritme en soms wat aparte grammatica – beschrijft ze in dat eerste gedicht plekken waar ze, en dan alleen nog op een bepaalde manier en op bepaalde momenten van de dag, aanraakbaar is:

Inkeld yn it deiljocht en mei dyn fingerseinen
kinst fan myn hier nei nekke gean want dêr is
it machteleaze, leaver net forsearje.

In dat openingsgedicht komt een deel van de thematiek al boven drijven: belangrijke menselijke emoties waaronder dwarsheid, boosheid, angst, twijfel en verlangen zitten ergens op die plekken verborgen. Het zijn kwetsbare plekken en vandaar ”leaver net forsearje’ en in de volgende strofen: ‘leaver net benearje” en “leaver net skansearje”.

In de gedichten spelen kleuren regelmatig een belangrijke rol en in de eerste gedichten vallen de donkere kleuren nogal op. ‘Nachtblau’ is de titel van het inleidende gedicht van de eerste afdeling. Het eerste gedicht, ‘Sa ‘t ik bin’, van dat deel, bij een verder toch niet echt donkere afbeelding, begint met: “Troch aard of needsaak of fersin bin ik as de kleur fan / skaad’ (…)” en komen we verder dôfhûdich griis, ierdegriis en klaaiblau tegen.

Dat kleuren een rol spelen in gedichten die hun uitgangspunt vinden in kleurrijke afbeeldingen is niet zo gek. Maar behalve kleuren in de abstracte schilderingen ziet de ik, en daarna de lezer, ook concrete beelden. Zo kan ze – in het derde gedicht van deel één ‘Sels witte’ – een heel huis beschrijven, de gang, het granieten aanrecht, het licht dat ‘s nachts brandt, en zelfs de omgeving van het huis met een bootje dat in de sloot ligt. Toch is het beeld voor de ik niet helder, want in elk van de vijf strofen stelt ze een vraag over een concreet beeld: zit er een man, ligt er een jongetje, is er een snoek, kip of konijn, een vrouw? En wat het bootje betreft: zou het blijven drijven? Het geeft ok aan dat de ik meer wil zien – en weten – dan er op het eerste gezicht te zien is.

Als in het volgende gedicht zwarte paarden jachtig en altijd ‘s nachts langs de deuren denderen, met het schuim tussen de tanden en wijd open neusgaten is het wel duidelijk dat ook dreiging een belangrijk thema is in deze gedichten. Wat die dreiging precies is, moet de lezer grotendeels zelf invullen, al geeft de dichteres wel aanwijzingen in fragmentarische beelden, bijvoorbeeld in een strofe als:

Yn de neare nacht en de soele wyn bin ik en hear fan
oerdei de masinen noch krimpen. Sjoch skaden en bylden
swartwyt yn fragminten. In frou dy’t krûpt om dat wat
groeide te snoeien, in man dy’t him bûcht om dat wat
hiel is te brekken, in bern dat sit op in boartershynder
en skuort oan it lear om de izeren hals.

Natuurlijk probeert de ik deze dreiging te bezweren, maar dat gaat zomaar niet! De ik kan wel haar eigenwijze tong uitsteken – woorden van de dichteres zelf in het gedicht ‘Ta treast’, het tweede gedicht van het eerste deel – naar het groen of blauw en de dingen willen benoemen,

mar it slagget net, wurden dy’t ik brûk
sûgje alle kleur en bylden op en bringe neat ta libben,
biede net in wiere wrâld en gjin ûnderkommen. Neat
fan wat brekt as ik it falle lit meitsje se hiel.

Ook in dit gedicht durft de ik heel persoonlijk te zijn en geeft ze zichzelf aangrijpend bloot in strofen als

Swier fan de wurden dy’t ús heit en mem my learden
is myn rjochterkant. De side dy’t it earst ferklommet,
gjin rein ferneare kin en dy’t ik oan de ein ta sparje.

en het slot van ‘Ta treast’:

Gjin earm om by te skûljen skriuw ik om my hinne,
gjin wierheit fyn ik yn it sykjen om in wurd, mar ta
treast foar each en earen is der de see dy’t nachts
it lûd fan rûzen sichtber makket yn har djipste blau.
Dêr kin ik njonken kobben wachtsje oant in weach
my spielt en skjirret ta stilswijend sân.

Ook in de andere afdelingen voelt de dichteres zich gedwongen om zich met taal te wapenen tegen allerlei dreigingen. “Tink altyd om brânnettels, stekmiggen, toarnen” heet het in ‘It biten’, het tweede gedicht uit afdeling twee. Een ander gedicht uit die afdeling heet niet voor niets ‘Weachstik’ en in ‘Underskied’ uit de derde afdeling staat ineens ‘de zwarte schaduw’ dreigend in de kamer. Dreiging komt niet altijd van buitenaf, realiseert de ik zich heel goed in de laatste drie gedichten van de derde afdeling. In ‘Bruts ik my in wei’ laat ze dat bijvoorbeeld heel mooi zien, al in de beginzin: “Riedsel bin ik foar mysels, in bline flek foar oaren”. Maar ze weet ook dat ze de macht in handen heeft om zich staande te houden: “Souverein fan tean oant fingerseinen bin ik en krekt sa werklik as ik mysels betinke kin.” De ik, hoe kwetsbaar ze zich ook opstelt, is bovenal sterk, onder andere juist door het kunnen benoemen van wat ze ziet en voelt. Want al is het niet gemakkelijk om de juiste kant op te gaan, al duizelt het bestaan, ze vindt op klaarlichte dag een stad waar een huis met lichte kamers op haar wacht:

Myn stem ropt oan de doar foar it earst myn namme.
Yn klean en kieren krûpt fertroude rook en bliuwt.
Mei wang en hannen aai ik dêr de muorren.

Zo eindigt het een na laatste gedicht van deel drie. In het laatste gedicht van die afdeling ‘Dit plak, it hûs’ heeft de ik een soort veilige plek en ruimte gevonden. Dankzij het zoeken naar woorden in alle gedichten die eraan voorafgingen, het aftasten van al die twijfel, angst en andere emoties, is er een plek waar ze blijven wil. Niet alle vragen zijn beantwoord en er komen direct weer nieuwe bij (“Moat ik wat jaan no, moat ik wat dwaan no”), maar:

Myn earste stap nei binnen is de earste stap. Spoaren
achterlitte en fergroeie wol ik hjir. Ik rin, ik bin en ik
fernim, set doar en ruten iepen en gean troch keamers,
lit it ûnbidich waaie.

Sil skielk dit plak yn my syn eigen romte sjen.
Sil it syn skerpe hoeken yn myn earmtakken groeie litte,
yn myn each syn finsters glânzje en alles op syn souder
feilich witte yn myn ûnthâld. Sil it nei myn foet syn flier
ferslite, keamersduorren iepenje yn myn hert. Makket it
my stadich rommer oant wy binne as elkoar, oant wy
rom binne as elkoar.

Deze nieuwe dichtbundel van Elske Kampen ziet er prachtig uit, mede doordat de geschilderde beelden die aanleiding vormden voor de gedichten op zichzelf ook het bekijken waard zijn. Maar vooral: wat een overweldigende rijkdom aan poëzie biedt deze bundel. De dichteres maakt het de lezer niet gemakkelijk, enige inspanning is wel nodig om te ontrafelen wat er staat in die formidabele gedichten. Net als de ik in de gedichten zal de lezer zich wel eens afvragen wat aan te vangen met de woorden, de zinnen; hoe te benoemen wat er staat. Maar behalve twijfel en soms misschien zelfs wanhoop bij het zoeken naar antwoorden op belangrijke vragen, zijn er ook mooie openingen naar troost, zoals in het slot van ‘Weachstik’:

(…) mar doch dyn eagen
ticht en lit dy falle op in skip, in sirkustinte op in bêd
of de midstip fan in fjild mar toai dysels mei kleuren.
Mooglik fynst in iepen hân, in freonlik antlit, mooglik
fielst myn waarme mûle njonken dy.

 

kampen-manenmem
Elske Kampen – Man en mem (2014)

Elske Kampen schrijft gedichten, liedteksten en korte verhalen in het Nederlands en het Fries, zowel voor kinderen als voor volwassenen. Voor haar eerste Friese dichtbundel voor volwassenen kreeg ze in 2012 de Fedde Schurerpriis en die bundel, Fan glês it brekken (2010), werd ook genomineerd voor de Gysbert Japicxpriis 2013.

Eind mei verscheen de tweede Friese dichtbundel Man en mem en deze is zo mogelijk nog mooier dan de eerste. Zo staat er een afdeling ‘Bylden’ in, met gedichten die de dichteres schreef naar aanleiding van vier van haar schilderijen die op de bladzijde naast het gedicht afgedrukt staan. In die gedichten probeert de dichteres in prachtige zinnen de telkens dreigende werkelijkheid, ook abstract verbeeld in de schilderijen, te bezweren. In het eerste van die vier gedichten hamert ze erop dat ze wel weet hoe zachtheid op te roepen, want “hast oeral kin in linkerwang tsjinoan” en ‘haar wordt fluweel en bloed wordt melk’. Maar dat is haast te mooi om waar te zijn en op het eind blijken ritsen pijn te doen tegen de wang en eindigt het gedicht met “Ik wit wol hoe’t dat fielt. Lûd wurdt foarm, / wurdt foarm dan tsjin linker wang.”

De vorm speelt een belangrijke rol in de gedichten van Kampen en het kiezen voor een bepaalde, niet per definitie traditionele vorm dwingt haar tot concentratie. Toch laat ze zich niet helemaal door de vorm dwingen. In het tweede gedicht lijkt het erop dat vijfregelige strofen afgewisseld worden door een eenregelige strofe, ware het niet dat de eerste strofe net niet in vijf regels kan en dus uit vijfeneenhalve regel bestaat. Ook in dit gedicht tracht de ik-figuur de boel de beredderen, het evenwicht te zoeken door zich in te beelden niet de juwelier of bloemist van ‘Anna B.’ te zijn, maar haar verpleegster. In de laatste, tweeregelige strofe ziet ze de wankelheid: “Yn dit lykwicht binne wy net iensum en gjin ferliezers, / mar as ien fan ús beiden falt, ferdrinke we tegearre.”

De ik-figuur die in deze en andere gedichten optreedt, vindt het lastig om zich in een telkens veranderende of complexe omgeving en in telkens andere stemmingen staande te houden zonder al te veel concessies te doen, al doet de ik verwoede pogingen om zich in ieder geval in te beelden dat dat wel lukt. In de laatste van de vijf strofen van het alweer prachtig opgebouwde derde gedicht uit deze afdeling staat dat onder andere vrij expliciet:

As ik in stim ha en myn mûle brûke kin en rop
en dat der al ien komt, dan sil ik freegje om my
op te tearen as in jas en del te lizzen yn in kast
en dan de doar op it slot. Want gjin grûn haw ik,
samar ferwaai ik.

Desnoods gebeurt het op een wat aparte manier, zoals het vierde en laatste gedicht uit deze afdeling laat zien:

IV

Sa sil it gean: better noch as te knibbeljen of
te bûgjen, want myn sicht moat helder bliuwe,
sil ik yn lytse stappen hieltyd fierder omkeard
achterút […] Sa sil it gean: as ik
út it sicht bin kinst my oan in râne fine. Deastil
en klear, sa stean ik dêr.

‘Als ik uit zicht ben, kun je mij aan een rand vinden’ zegt de ik in bovenstaand gedicht. Die ik en de andere ik-figuren in de gedichten vallen niet per se samen met de dichteres. Dat is bijvoorbeeld nogal duidelijk in gedichten waarin de ik-figuur een man is, zoals in ‘De man dy’t altyd lêze moat’. Ook in dat gedicht is die ik-figuur op zoek naar houvast, door te lezen; nadat hij zijn naïviteit en onbevangenheid verloren heeft, moet hij zijn angst op een of andere manierbezweren. Hij moet scherp blijven om eb en vloed te keren, maar vindt pas rust “by wosken blau dat mei houten knipers / oan linen waait.”

In het eerste gedicht van de bundel, ‘See en stien’ wordt de lezer al duidelijk gemaakt dat de ik-figuur niet zomaar de dichteres is. “Rin myn keamer yn en sjoch, ik bin der net”, al ligt over de stoel nog haar lichaamswarme wollen vest, zo begint dat gedicht en in de volgende strofen staat dat de dichteres zich uitleent aan diverse personages. Om te weten hoe scherp jongenstanden kunnen bijten, hoe een moeder met een schort handelt, of om een veilig huis te zoeken, zoals de dichteres oppert in het laatste gedicht van de bundel, waarmee de dichteres de cirkel rond maakt.

In dat gedicht, ‘De stien en ik’ ziet de ik achterom kijkend alleen een rij kleine stenen, is alles gezegd en zijn er geen woorden meer nodig, is er gevonden en genomen, al zijn natuurlijk niet alle vragen, zelfs de belangrijkste niet, beantwoord. Want wie, ‘de steen of ik’, had last van zwakke plekken of lag wakker ‘s nachts? “Ik gie myn paad” zegt de dichteres in verschillende personages. “En alles wat ik meinaam wylst ik as in dief oer frjemde / hiemen gie, waard yn myn hannen stadichoan fan stien.”

De lezer, die op het puntje van zijn stoel is gaan zitten bij het lezen van deze bundel, kan weer ademhalen. Nee, niet opgelucht, maar wel met een verruimde blik en met het prettige vooruitzicht om de bundel nog maar eens te lezen. Bijvoorbeeld om de tien gedichten te herlezen van de cyclus waarin de dichteres de ontwikkeling van de expressionistische schilderes Jacoba van Heemskerck (1876-1923) van figuratief naar abstract uitbeeldt. Kampen toont ons de schilderes die een andere richting moet kiezen omdat ze de oude vormen, kleuren en beelden niet meer gebruiken wil en die de keus overlaat aan haar hand “dy’t altyd earder wit en hannelet as ik”.

Of om zich nogmaals te verwonderen over het gedicht ‘Lyts fossyl’, waarvan de ik zeker niet de dichteres kan zijn. Dat gedicht eindigt met de strofe:

Ik bin in lytse werklikheid, fan mysels haw ik neat
yn mei. Ik stean hjir inkeld mar om nei de wrâld
te sjen en om it ljocht dat yn my skynt te dragen.

Als dit over de dichteres zou gaan, had daar zeker nog achter moeten staan: en om grootse, pakkende poëzie te schrijven met fraai in toom gehouden prikkelende beelden, een fantastisch gevoel voor vorm en ritme en een treffende inhoud.

juli 2014

 

kampenfanglesElske Kampen – Fan glês it brekken Gedichten (2010)

Elske Kampen (1955) won zowel in 2008 als 2009 een Rely-Jorritsmaprijs, onder andere voor het drieluik ‘Trije dagen’ dat nu ook in haar debuutbundel is opgenomen. Kampen won in 2009 ook de JM prijs voor poëzie, een prijs die wordt toegekend aan een gedicht dat bijdraagt aan het maatschappelijk leven en debat in de noordelijke provincies. Ook waren enkele gedichten uit deze bundel al eerder te lezen in literaire tijdschriften.

De nu verschenen Friese bundel van Elske Kampen is dus op zich niet verrassend, wel verrast het hoge niveau van de hele bundel. De bundel toont eigenlijk alleen maar knappe, beheerste, melodieuze en veelzeggende gedichten en doet in die zin nauwelijks aan een debuut denken. Edwin de Groot noemt de bundel in zijn bespreking op ensafh dan ook terecht een schot in de roos.

Nu heeft Kampen blijkbaar aan sommige gedichten lang geschaafd, want het gedicht waarmee ze een Rely Jorritsmaprijs 2008 won, ‘Sy is altyd’ vertoont in de bundel nogal wat wijzigingen vergeleken met de publicatie in het Rely Jorritsmanummer van ensafh. Zo is het gedicht van de verleden tijd naar de tegenwoordige tijd overgebracht, wat inderdaad het toch al sterke gedicht nog beter maakt.

De gedichten vertonen een grote muzikaliteit zonder dat er ook maar in de verte sprake is van ‘liedjes’. Die muzikaliteit zit hem in een strakke opbouw met vaak parallellie, een mooi beheerst gebruik van alliteratie en assonantie, een onnadrukkelijk aanwezig en toch geweldig ritme en een soms wat aparte zinsbouw. In het tweede gedicht van de bundel ‘Wer’t it om freget’ (ook als ‘voorpublicatie’ op ensafh te lezen met twee kleine veranderingen) is dat mooi te zien:

Dêr, tusken de stiennen en yn it sân
dêr’t heech it strakke tou oer spand is
dat freget om holle rjocht en earmen
wiid en om ‘e wyn dy’t twirret yn hier
en om ‘e fingers, dêr fynst it net ast
sikest. Net yn de rook fan skjin papier
of spuonnen hout.

En yn it stille wyt net. It freget om
in doelleas gean de buorren út, sûnder
immen acht te slaan en dan ynienen
út in doar dyn lytse hûn dy’t jierren
dea wie. Om nachtlik blaffen freget it,
om skerpe tearen yn in fuorttreaun
lekken oer de grûn.

Bliuw dêrom lizzen yn dyn bêd hjoed
en lit de dei op wolken fierder farre.
Bliuw sitten op in stoel en sjoch inkeld
hoe leaf dyn bleate knibbels binne.
Lit letter by it oanrjocht waarm wetter
oer dyn hannen rinne, ek om damp en
wetter freget it.

Faaks is dyn rêch op in ljochte moarn
reewillich en lit it yn waarme streken
sinneljocht stadich oer him krûpe.
Loert it oer dyn skouder en tsjoent it
letters swart as krobben u´t dyn hân
en lit se yn it sûn, as lûkt de grûn,
ta wurden rûgelje.

In dit gedicht spreekt de dichteres een tweede persoon aan, zoals ook in het eerste gedicht dat een vergelijkbare opbouw heeft. Het wordt niet altijd duidelijk wie die tweede persoon in deze gedichten is, zoals wel meer raadselachtig blijft, ook na herhaaldelijk herlezen. Overigens gebruikt Kampen meestal voor de hoofdpersoon in het gedicht de hij- of zij-vorm, wat een mooie afstandelijkheid geeft. En ook van die personages is niet altijd meteen duidelijk wie ze zijn, een geliefde, een ouder, het meisje dat de dichteres zelf was? Slechts een enkele keer is er sprake van een ik-figuur.

Een grote rol in de bundel speelt het kind, het meisje dat in het eerste gedicht van het tweede deel (‘Letter wist se’) het ‘ijzermeisje’ genoemd wordt. In het titelgedicht van de bundel dat ook in deze afdeling staat, wordt ze het kind van de zanger genoemd. Ze draagt een tas vol liefdesliederen voor haar “ûnbekende heit fan hurd / en glimmend glês, dat beslist / net brekke mei en it bern dat / djipwei wit hoe slim fan glês / it brekken is (…).” Het meisje weet hoe breekbaar de situatie is waar zij en haar onbereikbare vader verkeren, maar dat lijkt juist wel de liefde voor haar vader te versterken. Ook in andere gedichten is het meisje bedachtzaam (‘Wol trije kear tinkt se altyd nei / oer wat se sizze kin’ is de beginzin van ‘Helm’).

Ontroerend zijn de gedichten in de derde afdeling ‘Universum ferlern’ waarin op indringende wijze afscheid genomen wordt, zoals in ‘Wuive’: “Kopke ûnder giest, djipper, langer en hieltyd mear / nimt de see, fynsto de boaiem yn it sân.” Herinneringen worden opgehaald, zoals in ‘En tichterby kin net’ waarbij de ik-figuur achterop de fiets bij haar vader zit: “En tichterby kin net as achter by dy / op ‘e fyts (…).” Dat culmineert in het laatste gedicht van die afdeling ‘Jim witte’, dat begint met “Even wie it hjoed as hie ‘k besite” en eindigt met de regels “Jim glimkje yn jim sulveren list / en witte.”

Ik citeer veel, omdat de bundel zo vol staat met mooie zinnen, mooie strofen, mooie gedichten. Ook de beeldspraak is vaak prachtig: “Dan sweeft de stilte as in ûle oer it hûs en twingt / op knibbels” is het begin van het drieluik ‘Trije dagen’. Ook daar kan ik wel blijven citeren, want het gedicht gaat verder met “Tinken broazelet ta fine flokken. / De rêch bûcht as in brêge tichter nei de grûn.”

Het is, zoals Edwin de Groot ook zegt, een feest om de gedichten te lezen en te herlezen. Dat herlezen is trouwens ook nodig om beter tot de betekenis van de gedichten door te dringen. En dat ook na herhaaldelijk herlezen nog tal van raadsels overblijven is helemaal niet erg, integendeel.