Bouke van der Hem

Bouke van der Hem – Skearing en Ynslach (2023)  

In zijn nieuwe Friestalige roman Skearing en Ynslach, aangeduid als ‘ferhaleroman’, sluit Bouke van der Hem aan bij zijn prozadebuut uit 2002, Sloppe Opels. Ook die roman werd aangeduid als verhalenroman en we treffen in het nieuwe boek dezelfde hoofdpersonen (Reinder Beetstra en Sipke Blom) aan als in Sloppe Opels. In een korte verantwoording vooraf staat zelfs: “foar dizze roman hat de skriuwer ek eardere teksten fan himsels brûkt, bewurke en yn in nije kontekst pleatst, ûnder oaren út syn roman ‘Sloppe Opels’ (útjouwerij Frysk en Frij, 2002).”

Dat is misschien nuttige informatie, maar dat geldt eigenlijk niet voor de onnodige mededeling die daar weer aan vooraf gaat: “Stikken út fertellersperspektyf wei: yn kursyf-skrift; út benammen Reinder Beetstra wei (en meast ek troch himsels skreaune ferhalen/stikken): yn romein-skrift.” Dit is namelijk wel het minst moeilijk te ontdekken aspect van deze geslaagde, maar gecompliceerde roman.

Die roman begint met een soort voorwoord dat een beetje lijkt op het begin van De Kapellekensbaan (1953) van Louis Paul Boon, waarin Boon uitlegt dat zijn boek gaat over de kinderjaren van Ondineke en mensen in haar omgeving, maar dat het eigenlijk gaat over de op- en neergang van het socialisme. Zo groots als Boon De Kapellekensbaan opzette, gaat Van der Hem dan wel niet te werk en zo weet hij de omvang van zijn roman te beperken tot 200 bladzijden. De Kapellekensbaan telt meer dan twee keer zo veel bladzijden.

Van der Hem begint zijn roman zo:

Hjir wol it ferhaal ferteld wurde fan Reinder Beetstra, fan jonge boeresoan mei in militêre omwei nei de stúdzje yn Grins. En dêrnei fan it ûndernimmen as duo-makeler mei stúdzjegenoat Christina yn Nij-Seelân nei it úteinlik allinnich – mar striidber, nettsjinsteande oanslaggen dêre – thúskommen op fertroude Fryske grûn. Ienris teplak tinkt hy der opbouwend ta dwaan te kinnen, mei troch foarname wearden lykas de taal en ‘iepen mienskip’ heech te hâlden.
Syn doarpsgenoat én tsjinlizzer Sipke Blom keas yntusken in gâns oar parkoers, dat fan sporter, ûnderoffisier en húsdokter.
Reinder wol as it heal kin mar al te graach helpe en beskriuw it ien en oar sels; mei al syn lek en brek.
De roman sil it ‘coming of age’-ferhaal by biten en brokken beskriuwe; én de delgong. Sis mar: fan optimisme lâns fjoer en oanslaggen nei snútslaggen. Fan it stadichoan en yn ferskate opsichten achterútbuorkjen en ferrinnewearjen fan elk en alles om jin hinne (skearing), nei de ynslach – ear’t je it rjocht trochhawwe – by jinsels.
Mei úteinlik as kar: noflik deljaan, ferset of nei de útgong, eskapisme. It ramtferhaal rint geandewei anneks mei in ûntjouwing yn Reinder syn skriuwerskip: fan it persoanlike nei it politike en werom; en dat sawat parallel oan syn reis fan doarp de wrâld yn en werom.

Beter is de kern van het verhaal – inclusief de titelverklaring – van deze nieuwe roman van Van der Hem bijna niet samen te vatten en daarom heb ik deze passage dan ook helemaal overgenomen. Maar het gaat in deze verhalenroman niet alleen om het verhaal, vooral ook de opbouw van deze roman en de stijl waarin het geschreven is. Het boek bestaat uit vijf delen, met als toegift deel VI dat niet meer is dan een naschrift van drie bladzijden. In dat naschrift beschrijft de verteller de afloop van de geschiedenis en dat is niet bepaald een happy end, het is “in beskamsume ôfrin”.

Het eind is overigens niet alleen voor de hoofdpersoon Reinder Beetstra beschamend. Na jaren in het buitenland gezeten te hebben, is hij terug in Friesland en is er de constatering dat het Friese landschap er verrommeld bij ligt. Bovendien zijn de familieverhoudingen verbrokkeld, is met God ook de middenstand en de jeugd uit de Friese dorpen verdwenen en wordt de wereld rechtser en rechtser. “En it reklame-achtige biedwurd ‘Iepen Mienskip yn Fryslân’ dat evensagoed útdroegen bleau, soe yn ‘e praktyk al gau foar neat oars mear komme te stean as in symboal: de amer ûnder de trochdrippende subsydzjekraan”.

Dat het leven van Reinder Beetstra teleurstellend is verlopen, moge duidelijk zijn. Zijn liefdesleven is niet gelukt, zijn schrijverschap wordt niet door iedereen op waarde geschat en hij concludeert zelf dat zijn socialisme verkruimeld is. Wat op grond van de inleiding al verwacht kon worden, is in de slotzin van het boek te lezen: “Alles fan wearde bliek dus ûnder de kym te sakjen, lykas de sinne, mar dan no sûnder de wissichheid of sels mar in sprankje hoop dat dêrnei wer in moarnsread komt.

Dit ultrakorte deel VI breit een fraai einde aan de geschiedenis van Reinder die in de eerste vijf gewone delen van het boek beschreven wordt. Ieder deel heeft een titel plus de aanduiding van de plekken waar dat deel zich afspeelt. Zo heet het eerste deel ‘Yn ‘e brân’ met als aanduiding: Fryslân, Spears / Dearsum. Reinder is in dat deel een jaar of tien en we zien hem helpen op de boerderij, kaatsen en spelen met dorpsgenoten, onder wie Sipke Blom met wie hij min of meer bevriend raakt. Sipke zal dokter worden en hij komt regelmatig terug in de verhalen.

Maar het belangrijkste van dat eerste deel is de brand op de boerderij van Reinder. Die brand wordt beeldend beschreven vanuit het vertellersperspectief en wordt zo ingeleid: “Begjin novimber seisenfyftich, in sneintemiddei: Denemarken spile tsjin Hollân, de Hongaren fochten tsjin de Russen en der wie noch wat.” Dan blijkt de boerderij van de Beetstra’s in brand te staan. Het gezin Beetstra kan veilig naar buiten komen, niet alleen vader, moeder en de zonen Fetse en Reinder, maar op het nippertje ook de achtjarige gehandicapte dochter Sytske die in een invalidenwagentje zit. Het is een geschiedenis die nawerkt in de rest van het boek.

In deel II tot en met deel V lezen we over de tijd dat Reinder in militaire dienst zit (onder andere in Seedorf, in Duitsland, maar ook op vredesmissie in Bosnië), over zijn studentenleven in Groningen, over zijn vrouw Christina met wie hij in Nieuw-Zeeland een makelaardij begint, waarna hij van haar haar scheidt en terugkeert naar Friesland. In geen van de hoofdstukken wordt het verhaal rechtlijnig verteld, omdat elk deel bestaat uit verschillende soorten stukken. Dat zijn in ieder geval de cursieve stukken die de verteller vertelt en de in rechte letter geschreven stukken waarin Reinder als ik-figuur een deel van het verhaal vertelt.

Maar er zijn ook hoofdstukken waarin Reinder verhalen over zichzelf in de hij-vorm schrijft, er zijn stukken die door Reinders moeder geschreven zijn – waaronder e-mails in een ander lettertype, er staan verhalen, columns en (tijdschrift)artikelen van de schrijver Reinder Beetstra tussen of er is een ‘in memoriam’ over een oude schoolvriend. Zijn vrouw Christina schrijft soms een stuk: “Hoewol myn Frysk allesbehalve klopt (foaral de kapkes en ien, twa, trije loeden: in crime) wol ik it hjir broeke just om der wat mei oer myn man Reinder te sizzen.” Christina voelt zich thuis in Nieuw-Zeeland en voelt dat Reinder daar niet kan aarden en ziet aankomen dat Reinder weer teruggaat.

Ook zus Sytske komt aan het woord. Zij noemt zich dan niet meer Sytske, maar Sietske en schrijft haar stuk in het Nederlands. Het is een reactie op vragen die Reinder aan haar stelt als hij nog in Nieuw-Zeeland zit. Ze heeft duidelijk geen zin om goed op Reinders vragen in te gaan en vraagt waarom hij daar nu mee komt. “Valt het jezelf soms zwaar om je staande te houden? Om ‘het te maken’, als makelaar? Of met je schrijfwerk dat om z’n inhoud amper gelezen wordt en ook nog in een taaltje dat aan het uitsterven is.”

Een chaos, al die verschillende stukken? Dat valt uiteindelijk wel mee, al moet je er als lezer goed bij blijven, want Skearing en Ynslach is niet een verhaal dat gemakkelijk leest. Toen ik het boek half uit had, heb ik het anderhalve week laten liggen. Daarna dacht ik het boek nog even uit te lezen. Maar na een paar bladzijden voelde ik me gedwongen om terug te bladeren en leek het me zelfs beter om weer bij het begin te beginnen. Daarna las ik dit rijke boek in één keer uit.

Bouke van der Hem

Bouke van der Hem – De fuery Roman (2010)

Net als de vorige drie romans, zou je de nieuwe roman van Van der Hem (1946) klein, maar vooral veelzijdig of zelfs complex in de goede zin van het woord kunnen noemen. Die complexiteit zit hem in de structuur, in de problematiek die aangesneden wordt en in de taal.

Het boek is niet-chronologisch opgebouwd en speelt zich af op de dag van de begrafenis van de moeder van één van de hoofdpersonen in 2002 (de eerste twee hoofdstukken), enkele jaren daarvoor (hoofdstuk 3 tot en met 6), weer op de dag van de begrafenis (hoofdstuk 7 en 8) en een jaar daarna (hoofdstuk 9). Binnen de hoofdstukken wordt regelmatig van perspectief gewisseld tussen de ene hoofdpersoon en de andere, nu eens in een personaal perspectief, dan weer in een ik-perspectief. Het toont wederom de kracht van de auteur dat deze structuur nergens chaotisch wordt of geforceerd overkomt. Integendeel, de opbouw van de roman versterkt het intrigerende verhaal of liever de intrigerende verhalen.

De roman is namelijk zowel het verhaal van Kemal (of Murk zoals hij zich een tijdje noemt) Abma als dat van Geke Fokkema. Kemal, geboren in 1972, heeft een goede baan in de bouw en is de zoon van een Nederlandse moeder en een Turkse vader. Die vader, behorend tot de eerste generatie gastarbeiders, heeft het gezin verlaten omdat hij een wat fundamentalistischer kant van zijn geloof op ging en Kemal groeide op bij zijn moeder in Stiens. Hij nam om zijn Nederlanderschap te bewijzen bij het Nederlandse leger dienst en was als Dutchbatter in Bosnië bij het Srebrenicadrama aanwezig. Het zal niet verbazen dat de posttraumatische stressstoornis vanwege dat drama een grote rol gaat spelen in het boek.

Geke Fokkema, geboren in Warffum, opgegroeid in Munnikkezijl, is hoofdbibliothecaresse in Delfzijl. Ze krijgt een relatie met de veel jongere Kemal en heeft net als Kemal last van haar (familie)verleden. Een nichtje en een opa die fout was in de Tweede Wereldoorlog spelen daar onder andere een rol in. We zien hoe de relatie van de twee personages verstoord wordt door hun beider moeizame omgang met hun verleden.

Daarnaast speelt meer maatschappelijke problematiek een rol in het verhaal, waaronder zijdelings de moord op Pim Fortuyn of de niet altijd realistische ambitie van een stadje als Delfzijl, mooi geplaatst tegen de ontvolking van het platteland, en het al dan niet fundamentalistische christelijke of islamitische geloof, maar ook de taal is belangrijk in dit boek. Zowel het Fries als het Gronings wordt soms door een personage bewust gebruikt als verzet tegen familie of dorpsgenoten en de half-Turkse Kemal spreekt nauwelijks Turks, wat lastig voor hem is als hij zich in Turks Koerdistan wil verbergen voor de Nederlandse justitie. Maar prachtig is ook hoe Van der Hem voor de twee hoofdpersonages verschillende taalregisters hanteert. Voor Geke, die ook de ambitie heeft om verhalen te schrijven, reserveert de auteur een wat meer literaire taal die soms ook humoristisch uitpakt, dan voor de wat zakelijker lijkende Kemal.

Zo heeft Van der Hem weer een knappe roman afgeleverd, waarvoor slechts hetzelfde bezwaar geldt als ik al eens bij een ander boek van hem opperde: het is jammer genoeg niet dik genoeg om er lekker lang van te kunnen genieten.

Bouke van der Hem

Bouke van der Hem – Stille tochten Roman (2006)

Een geschiedenisboek, een roman, een liedje, een hele langspeelplaat en nu ook cd met liedjes, een toneelstuk, een openluchtspel, een film, een expositie, een (plan voor een) monument, een website, wat is er niet gemaakt over de geschiedenis van IJje Wykstra? IJje Wykstra schoot op 18 januari 1929 vier politieagenten dood en sneed hun de hals door, omdat ze Aaltje Wobbes-van der Tuin kwamen ophalen. Aaltje had haar zes kinderen achtergelaten en was bij Wykstra ingetrokken, nadat haar man opgesloten was in de gevangenis van Veenhuizen. Vanwege het in de steek laten van haar kinderen zou Aaltje door de politie opgepakt worden. IJje Wykstra, steenvoeger, klompenmaker, stroper, accordeonist, maar ook geïnteresseerd in filosofen als Nietszche en Hegel, had niet veel op met het gezag en wilde voorkomen dat Aaltje gearresteerd werd.

De nieuwe, kleine roman van Bouke van der Hem heeft die moordpartij als achtergrond, maar is bepaald geen historische roman. Het boek begint wel zo, want het eerste deel (‘Earste fyk’) begint met het bericht uit de Provinciale Groninger Courant dat zich “hedenmorgen te ongeveer 8 uur een vreeselijk drama [heeft] afgespeeld.” Dat drama is de moord op de vier politiemannen en de stadsredacteur van de krant moet naar Grootegast waar de misdaad zich heeft afgespeeld. Van der Hem is in dat beginhoofdstuk al meteen goed op dreef, met de sfeervolle beschrijving van de redacteur die zich het laatste stuk op de stang van een fiets naar de plaats delict laat brengen. Dat is meer dan ‘couleur locale’, want het typeert op subtiel-humoristische wijze het verschil tussen de stadsredacteur van de plattelandskrant en de verslaggevers uit Amsterdam. Die zijn gerieflijk met de auto gekomen.

In het tweede hoofdstukje springen we naar het heden, waar een ik-figuur, zichzelf introduceert als acteur en regisseur. Deze Joop Zwart heeft een oude woning, het huisje waar de moordpartij heeft plaatsgevonden, kunnen kopen in de gemeente Grootegast, bij het gehucht De Snipperij. Zo komen we ook bij de ondertitel van de roman, de Snipperij-syklus. Dat woord cyclus is wel wat pretentieus, zegt de schrijver zelf in de flaptekst, maar dat staat er volgens hem om aan te geven dat de geschiedenis zich herhaalt. Die flaptekst is wat merkwaardig, niet alleen omdat de schrijver zelf aan het woord is, maar ook omdat die flaptekst veel te uitleggerig is, of ieder geval lijkt. Zowel de ondertitel als de titel wordt toegelicht en er wordt ook verteld waar het boek vooral om draait, namelijk wat mensen nu van de historische moordpartij maken. Tot overmaat van ramp eindigt de schrijver de flaptekst met de mededeling dat het een drama wordt. Toch lijkt de ironie in de flaptekst precies genoeg om ook de ervaren lezer niet de lust te ontnemen om het boek te gaan lezen, maar integendeel nieuwsgierig te maken naar wat er d an wel allemaal aan de hand is. En dat is veel voor zo’n kleine roman.

Verschillende personages spelen een belangrijke rol in het verhaal. Joop Zwart zou men de hoofdpersoon kunnen noemen. Hij wil een ‘eksistenso-drama’ maken van de geschiedenis van IJje Wykstra, een ‘project’ dat, compleet met geweld, moet draaien om de vraag wie wie afmaakt. Zwart wil daarvoor streekgenoten inschakelen: oud-directeur van een zuivelfabriek Gjalt van der Meer als schrijver, amateurtoneelspeelster Alida Hulsinga voor de rol van Aaltje en wethouder van kunst en cultuur in Grootegast Haijo Schut voor de financiering.

Deze figuren komen vervolgens stuk voor stuk zelf uitvoerig aan het woord en daaruit blijkt dat hun ideeën over het project meteen al flink uiteenlopen. Eigengereid slaan ze hun eigen weg in. Gjalt van der Meer documenteert zich, komt heel wat te weten over IJje Wykstra en zo besluit hij een verhaal te schrijven over de ‘mohikanen die deze eeuw nog net haalden’, over moderne opstandige en tegelijk breekbare mensen. En hij wil dat doen in de stijl van de schrijver die hij bewondert: Rink van der Velde. Dus niet in toneelvorm en al helemaal niet in een moderne quasi-existentiële stijl of in proza dat op poëzie moet lijken. Het is een lust om te lezen hoe deze Van der Meer hier praat als een Multatuli, met uitroeptekens en al, maar denkt als een Droogstoppel. Een fragment van zijn verhaal krijgen we aansluitend te lezen en daarin laat Van der Hem ook nog eens zien dat van der Meer zelfs Rink van der Velde niet kan benaderen. Dat weet hij trouwens zelf ook wel: zijn talenten liggen in de zuivel.

Ook Alida Hulsinga schetst haar eigen karikatuur. Zij is de vrouw die het allemaal beter weet en er niet in gelooft dat de mannen het project tot een goed einde zullen brengen. Ze heeft er geen vertrouwen in dat Gjalt een voldoende maatschappelijk verantwoord actueel stuk zal schrijven en zij zal het dus anders doen. In haar woorden is IJje te veel een moederskindje met een meervoudig minderwaardigheidscomplex geweest, waardoor hij altijd het gevoel gehouden heeft dat hij zich tegen het gezag moest afzetten. Aaltje is in haar ogen slachtoffer van zowel haar eigen omstandigheden als de problemen van IJje en daarom wil Alida in het project aandacht vragen voor de positie van de slachtoffers. Bovendien wil ze het liefst ‘een video’ maken en geen toneelstuk, en zij schrijft haar eigen ‘blijspel in het zwart’ met als projectwerktitel ‘Stille tochten’ en zich afspelend op een kerkhof.

Van der Meer en Hulsinga en de tegenstelling tussen deze beide personages worden door wat ze willen en wat ze schrijven haast meedogenloos blootgelegd. In bovenstaande beschrijvingen van de personages heb ik ruimschoots gebruik gemaakt van parafrases van hun eigen woorden. Daarin zie je trouwens ook de overeenkomst: beiden zijn eigenlijk alleen met zichzelf bezig en willen of kunnen geen rekening houden met anderen. Omdat ze dat zelf niet in de gaten hebben en met hun ‘idealen’ bezig zijn, worden deze tragische figuren juist lachwekkend. De weinig literaire aspiraties van Gjalt en zijn slordigheid (hij kan de naam van Alida niet eens goed onthouden) zijn al even humoristisch als de eigendunk en de voortvarendheid van Alida: ze zal de wethouder niet alleen haar stuk toesturen, maar tegelijk een financiële onderbouwing van het project. Het is humoristisch en tegelijk dreigend, deze uiteenlopende mensen plannen die ook nog eens niet voldoen aan de ideeën van Joop Zwart.

Het zal de lezer na de beschrijvingen van Gjalt van der meer en Alida Hulsinga niet verbazen dat ook de wethouder neergezet wordt als iemand met oogkleppen op. Hoewel hij zichzelf ook een betrokken, meedenkend burger beschouwt, toont hij zich al gauw als de politicus met de ambitie om (en hier parafraseer ik weer zijn eigen woorden) de lijnen kort te houden, de boel zelf aan te sturen, figuurlijke bruggen te bouwen, maar vooral de kunstenaars niet te veel ruimte te geven. Hij krijgt de stukken van Gjalt en Alida. Het stuk van Gjalt vat hij zo pregnant samen, dat er nog minder van over blijft dan het al is. Het voorstel van Alida wordt op prachtig bestuurlijk-ambtelijke wijze van tafel geveegd.

In het derde deel (‘Twadde akte’) draait Joop helemaal door. In dat deel is Joop niet de ik-figuur, zoals in deel 1. Zijn verhaal wordt hier niet alleen via een personale verteller verteld, maar ook gedeeltelijk via een alter ego die zelfs in zijn laptop zit en laat zien waar Joop Zwart allemaal mee omtobt. Het zijn deze goed uitgevoerde ‘schrijverstrucs’ die het verhaal juist erg geloofwaardig maken, ook als het uitloopt op het drama dat ons op de flaptekst al beloofd was.

In het laatste deel van de roman (‘Lêste eare’) daalt na de spannende climax van het derde deel de rust weer neer en zijn we getuige van de herdenkingsbijeenkomst in het gemeentehuis, niet van het drama van 18 januari 1929, maar van het drama dat door toedoen van Joop plaatsgevonden heeft. We zien die scène door de ogen van de ex van Alida Hulsinga. Van der Hem gebruikt die persoon ook om heden en verleden met elkaar te verbinden. De ex laat in zih omgaan dat Alida en de anderen kunstmatig gebruik wilden maken van een historisch drama, maar daarmee juist een nieuw drama schiepen.

Voor een geslaagde roman moeten de personages interessant genoeg zijn, de opbouw en de vertelsituaties moeten goed zijn, net als de spanningsboog, de timing, de schrijfstijl en in dit geval zelfs de verschillende schrijfstijlen, en als de historie en de actualiteit bij elkaar gebracht worden moet dat een functie hebben. En dat klopt allemaal in deze verdraaid knap in elkaar zittende roman. Bovendien zit er naast het drama ook genoeg humor in. Niet alleen in de typering van de personages, maar ook in het taalgebruik en bijvoorbeeld het beschrijven van wansmakelijke moderniteiten. Zo vindt de ‘laatste eer’ plaats in het atrium van het gemeentehuis, de uitnodiging daarvoor rept van een ‘herdenkingsmomentum’, ‘De vlieger’ van André Hazes wordt gedraaid en cameraploegen staan paraat voor de emo-momenten!

Hoewel het natuurlijk ook het vakmanschap van Van der Hem verraadt om dit verhaal in iets meer dan honderd bladzijden te vertellen, had de roman van mij wel vier keer zo dik mogen wezen. Voor zijn vorige boeken, het debuut Sloppe opels (2002) en de roman It poadiumbeest (2005) is Van der Hem onder meer geprezen om zijn modern Friese schrijfstijl. Ook dit nieuwe boek leest niet alleen door het verhaal en de treffende typeringen van de personages, maar ook door dat lekkere moderne Fries zo vlot dat je het in een avond uit hebt en je je zou er graag langer van willen genieten. Dit zou voor mij wel eens de beste Friese roman van 2006 kunnen worden.

hempoadiumbeest

Bouke van der Hem – It Poadiumbeest Roman (2005)

Hoewel qua leeftijd niet echt bij de jongeren horend, schrijft jurist/mediator Bouke van der Hem (1946) ook in zijn tweede, kleine roman een lekker modern Fries. Niet alles in het verhaal wordt uitgewerkt en sommigen zullen dat misschien als een gemis zien, maar het boek zit wel degelijk knap in elkaar. Het bestaat uit drie delen; in deel 1 waarin het perspectief niet altijd hetzelfde is, worden de jaren 1963-1973 geschilderd met hoofdpersoon Arjen Wyberen Romsma die bezig is met een bandje. Hij wordt gefascineerd door Jilles Frederiks, zanger/gitarist en vooral iemand die meer durft dan Arjen. In het 2e deel reist Arjen in 2002 naar Slowakije om Jilles op te zoeken, die hij al die jaren niet gezien heeft, maar als hij er is komt Jilles om bij een motorongeluk. In deel 3 is Arjen in Rome waar hij heeft afgesproken met een vriendin van Jilles op wie hij heimelijk verliefd is (geweest). Niet alleen de gebeurtenissen in het verhaal zijn van belang, het gaat vooral ook om de ontwikkeling van de (linkse) ideeën van Arjen, afgezet tegen de politieke ontwikkelingen in Nederland met Fortuyn.