Anne Wadman

Voor een korte bespreking van de biografie van Anne Wadman, zie Joke Corporaal (2009).


wadmanAnne Wadman – It rammeljen fan de pels Damesroman. 1970

In 1970 verscheen de achtste roman van Anne Wadman (1919-1997), It rammeljen fan de pels. Een paar jaar geleden nog noemde de Nederlandse recensent Kees ‘t Hart het boek nog ‘voortreffelijk’ en daar ben ik het helemaal mee eens. Zonder enige introductie zit je meteen midden in het verhaal van deze ‘damesroman’. Die ondertitel is van de auteur zelf en moet nogal ironisch gelezen worden. Aan het woord in de hele roman is een 38-jarige vrouw, die in een lange monoloog haar hart uitstort en begint met: “Him krij ik libbensliif thús. Roetinewurk. Hwat glêssplinters yn ‘e foarholle, in pear blauplakken op earms en skonken, in stive tsjokke knibbel.” (Hem krijg ik heelhuids thuisbezorgd. Routineklus. Wat glassplinters in zijn voorhoofd, een paar blauwe plekken op armen en benen, een stijve, gezwollen knie.)

Midden in de nacht komen twee politieagenten de 31-jarige man van de hoofdpersoon, Jaep Blanksma, met wat lichte verwondingen thuis brengen. Hij is met een redelijk nieuwe auto tegen een brugleuning gereden. Dat de auto total loss is, is tot daaraan toe, maar een medepassagier, de 33-jarige Marchje, blijkt om het leven gekomen te zijn. Marchje is de vrouw van huisarts Herman Kingma, die met twee jonge kinderen alleen achter blijft.

Net als in meer boeken van Wadman, zoals later bijvoorbeeld in het Friese boekenweekgeschenk van 1992 In ûnbetelle rekken, gaat It rammeljen fan de pels over een schuldvraag. De ik-figuur beseft dat haar man Jaep schuldig is aan de dood van Marchje en ze wil het naadje van de kous weten, want: “Dit forskriklike is ûnbigryplik sûnder oarsaek, ûnbigryplik sûnder skuld. Hwer’t oarsaek is, is skuld.” Want waarom zat Marchje naast Jaep, hebben die twee wat met elkaar en, later in het verhaal: is niet Jaep, maar Marchje schuldig aan het ongeluk?

Gaandeweg het verhaal wordt duidelijk dat de ik-figuur behoorlijk doordraaft. Ze verzint allerlei theorieën, probeert die te bewijzen door wat halfbakken onderzoek te doen en fantaseert vooral veel over wat er gebeurd zou kunnen zijn. Soms word je als lezer meegesleurd in haar waan, meestal verbaas je je over haar gebrek aan relativeringsvermogen en haar bijna onstuitbare neiging om koste wat kost te willen weten, verklaren en vooral haar soms leugenachtige gelijk te krijgen.

Hoe sterk en zelfstandig als deze 38-jarige vrouw in het begin lijkt, deze hoofdfiguur blijkt steeds meer de geboren verliezer te zijn die we wel vaker tegenkomen in een roman van Wadman. In de loop van het verhaal lezen we niet alleen de steeds onwaarschijnlijker theorietjes van de vrouw en haar leugens om de theorietjes te staven, maar bijvoorbeeld ook over haar mislukte vorige relaties. Ook al lees je alles vanuit het oogpunt van deze vrouw zelf, dan nog zie je allengs hoe slecht ze situaties inschat en hoe moeizaam ze met anderen communiceert. Dat alles heeft Wadman uitermate knap beschreven in deze roman.

11 augustus 2015

wadmansmearlappenAnne Wadman – De smearlappen Roman. 8e pr., Nije Biblioteek, 2010; 1e pr. 1963)

Anne Wadman (1919-1997) was, hoewel hij erg aan zichzelf twijfelde, één van de grootste Friese literatoren van de twintigste eeuw. Hij kreeg twee keer de Gysbert Japicxprijs, in 1952 en in 1989. Met De Smearlappen uit 1963 veroorzaakte hij nogal wat opschudding, onder andere door de manier waarop hij in dat boek een vrouwelijke hoofdpersoon over seks laat spreken. Maar ook de spottende manier waarop de hoofdpersoon over de christelijke onderwijzer vertelt of haar fantasieën over een jonge dominee uit, hebben daaraan ongetwijfeld bijgedragen. In de beginjaren zestig was Wadman uiteraard niet de enige die vrijmoedig over seks en het geloof schreef, maar samen met Trinus Riemersma heeft hij wat dat betreft wel baanbrekend werk verricht1. Het boek verscheen in 1964 in het Nederlands in de Zwarte Beertjes pocketreeks van uitgeverij Bruna. Wadman droeg De smearlappen op aan Ypk fan der Fear, de Friese schrijfster voor wie Wadman veel waardering had, ondanks enkele tekortkomingen die hij in haar werk zag.

In 1983 verscheen een zesde, iets gewijzigde druk met omslag en tekeningen van Gerrit Breteler. Deze versie is on-line te lezen via Sirkwy en (als achtste druk) te bestellen als pod-uitgave. Voor de leesbevorderingsactie ‘Fryslân lêst syn toppers’ werd nu een negende druk gemaakt. Een goede keus voor dit boek. Bij de heruitgave in 1983 merkte de deze week overleden Tiny Mulder, toen recensent voor het christelijke Friesch Dagblad, op dat de stijl van Wadman nog steeds boeit. De auteur houdt de vaart in het verhaal door een perfecte afwisseling van goed verwoorde en gedoseerde woede, verdriet, sarcasme, spot en zelfspot. Die typering van Mulder geldt ook nu nog.

In De smearlappen vertelt Eelkje, een jonge vrouw van in de twintig, haar levensverhaal. Eelkje is een boerendochter en woont alleen met haar vader, een welgestelde boer die al gauw stopt met het boerenwerk en zich begraaft in historisch en genealogisch onderzoek. Ze voelt zich tegelijkertijd verbonden met en gevangen in haar milieu. Daarin mist ze de vrijheid die zij verbindt met het andere leven in de stad waar ze een enkele keer naar vlucht. Eén van de sterke kanten van het boek is de manier waarop de auteur de hoofdpersoon zichzelf laat presenteren. De ene keer doet ze zich heel bewust voor als een naïef en onnozel meisje (‘ûnnoazele Eelkje’ noemt ze zich telkens), dan weer is ze een slimme, kordate meid die heel goed weet waar ze mee bezig is.

Gelijk in de eerste episode (‘Master Boar en de oaren’), vanaf de eerste regels van het boek davert Eelkje haar verhaal de wereld in: “Us heit hat altyd sein dat ik de snoadste net bin, en dat kin bêst wier wêze. In poarsje dingen dy’t om sa te sizzen foar ‘t gripen lizze en dy’t oare lju samar oanwaaie, haw ik noait begripe kinnen. Jildsaken, polityk, elektryske apparaten, om mar in pear te neamen. Myn skoallegean wie gjin sukses, dàt haw ik wòl begrepen. Ik wie gewoan en by definysje de domste fan ‘e klasse.”2 Een paar regels verder vertelt ze vrij laconiek over meester Boar die haar vaak na liet blijven en dan zijn handen niet van haar borsten of uit haar broekje kon houden.

Voor haar overleden moeder heeft Eelkje niet veel sympathie. Die heeft haar te weinig aandacht gegeven en te slaafs haar vader gevolgd. Opvallend is dan wel dat Eelkje na de dood van haar moeder min of meer vanzelf de plaats van haar moeder inneemt. Ook over haar vader praat ze negatief. Ze noemt hem de ‘Gelearde Boer’ (en zij is dan de ‘Unnoazele Eelkje fan de Gelearde Boer’). Maar vooral geeft ze haar vader de schuld van het feit dat het met haar ‘misgelopen’ is. Mooi dubbel is de strijd die ze met haar vader aangaat en die ze zelf een soort guerrilla noemt. Ze manipuleert en bedriegt haar vader en lijkt te doen wat ze zelf wil, terwijl ze zich blijkbaar ook niet los van hem kan maken.

Dan, in het tweede deel van de roman (‘Wilte en de oaren’), komt Wilte in haar leven, een arbeider die met drie broers op een baggerbootje woont. Hij komt op een avond melk halen en Eelkje doet zich weer onnozel voor, terwijl ze hem eigenlijk meteen al probeert te verleiden. Als Wilte zich niet meer laat zien, gaat ze er zelf op af en laat zich bewust ontmaagden. Vanaf dat moment zoekt ze Wilte geregeld ‘s nachts op en ze droomt zelfs van een toekomst met hem. Dat verandert snel in een gevoel van schuld en schaamte als Wilte op een gegeven moment verdwenen is en ze zich laat misbruiken door de broers. Ook in het dorp wordt over haar gepraat en tot overmaat van ramp blijkt ze zwanger.

Op dat moment is Eelkje, die een korte periode de touwtjes in handen had genomen en misschien wel gelukkig dreigde te worden, weer helemaal terug bij af, of nog minder. Haar vader sleurt haar mee naar het baggerbootje en dan volgt de meest ontluisterende scène voor Eelkje: hoe haar vader met de vier mannen die mogelijk de vader van haar kind zijn ‘onderhandelt’ wie er met haar zal trouwen. De mannen komen er die avond niet uit. Eelkje is absoluut niet meer in staat enige greep op haar leven te krijgen en laat het vanaf dat moment allemaal maar gebeuren. Dat is ook één van de belangrijkste thema’s van dit boek dat zo goed bij de tijd van de beginjaren zestig past, een tijd waarin veranderde normen en waarden, onder andere onder invloed van het existentialisme, hun plek kregen3.

In het boek volgt dan nog de korte derde episode (‘Hy en de oaren’). Eelkje is dan weer terug bij haar vader; ze zou bevallen bij haar tante, maar die overlijdt. “Ik stie dêr dus wer op ‘e stoepe, mei myn kofferke en mei de swiere dracht fan it bern dat al sakke wie en dat al om in útwei frege. Ik fielde my lomp en foarmleas en myn earen sûzen. (…) En doe seach ik dat gnyske. (…) Hy wist, de âlde smearlap, dat ik wer thús wêze soe ear’t de earste fleagen har oppenearren yn myn besmodske ûnderliif. Wat waret der al net oan geheime witnis om yn sa’n âldmannebrein?”4

Eelkje vertelt haar verhaal met een mengeling van boosheid, frustratie en ironie. Die frustratie is niet zo gek, want hoe jong ze ook nog is: haar leven lijkt, zoals de levens van veel van Wadmans hoofdpersonages, behoorlijk mislukt. Het kind dat ze krijgt is gebrekkig en het is maar zeer de vraag of het lang zal leven. En het ergste: Eelkje heeft zich niet los kunnen maken van haar verstikkende omgeving. Ze woont nog steeds thuis met haar vader: “De smearlap. De grutste fan al dy smearlappen dy’t myn libben útmeitsje.”5 De uitzichtloosheid van het leven van Eelkje levert geen vrolijk boek op, dat past ook wel in de tijd van verschijnen. Wel is De smearlappen een nog steeds zeer leesbaar en waardevol boek.

1 Over het vernieuwende karakter van Wadmans De smearlappen (en Fabryk van Tr. Riemersma) schreef Babs Gezelle Meerburg haar proefschrift Hwant wy binne it nijs ûnder en boppe de sinne (1997).
2 Mijn vader zei altijd dat ik niet de snuggerste ben, en dat zou best zo kunnen zijn. Een hoop dingen die om het zo te zeggen voor de hand liggen en die andere mensen zomaar aanwaaien, heb ik nooit kunnen begrijpen. Geldzaken, politiek, elektrische apparaten, om er maar een paar te noemen. Mijn schooltijd was geen succes, dat heb ik wel begrepen. Ik was gewoon en per definitie de domste van de klas.
3 Over de invloed van het existentialisme op De smearlappen van Wadman schreef Huub Mous op zijn weblog in een artikel De Sartre van Sneek (14 januari 2010).
4 Ik stond daar dus weer op de stoep, met mijn koffertje en met de zware dracht van het kind dat al ingedaald was en al naar een uitgang zocht. Ik voelde me lomp en vormeloos en mijn oren suisden. En toen zag ik dat lachje. Hij wist, de oude smeerlap, dat ik weer thuis zou zijn voordat de eerste weeën zich voordeden in mijn bezoedelde onderlijf. Wat spookt er al niet aan geheime kennis om in zo’n oudemannenbrein?
5 De smeerlap. De grootste van al die smeerlappen die mijn leven bepalen.

wadmanAnne Wadman – Oer oarmans en eigen. Essayistysk en kritysk ferskaat (mei biblografy 1972-1994. Kritiken en essays 2e pr., Nije Biblioteek, 2010; 1e pr. 1994)

Net als de andere delen is ook de derde bundel met kritieken en essays van Anne Wadman (1919-1997) herdrukt in de reeks Nije bibliotheek. Dit keer zijn het artikelen (‘beschouwend, kritisch en journalistiek werk’) uit diverse kranten en tijdschriften uit de periode 1970-1994. Geen poëziekritiek meer, want, legt Wadman in zijn korte inleiding uit, hij verloor in die tijd zijn interesse voor poëzie. Toch schrijft hij nog wel over zijn eigen bloemlezing Frieslands dichters(onder andere over de problemen bij het vertalen van vooral oudere Friese poëzie in het Nederlands) en over de verzamelde gedichten van Piter Jelles Troelstra. Dat artikel schreef hij oorspronkelijk voor Elseviers Magazine (maart 1982) en vertaalde hij, zoals bij meer artikelen het geval was, voor deze bundel in het Fries. Tot zijn spijt, zo zegt Wadman zelf, kon hij zijn besprekingen van nieuwe Friese romans, die hij vanaf 1986 regelmatig in het tijdschrift Frysk en Frijpubliceerde, niet opnemen. ‘Misschien komt daar later nog eens een gelegenheid voor’, hoopte hij. Dat is nooit gebeurd, maar kan uiteraard alsnog, al is het natuurlijk gemakkelijker om al eerder gedaan werk klakkeloos te herdrukken. Het is mij overigens wel een raadsel waaróm (een keus uit) die kritieken niet opgenomen kon worden. Deze derde bundel bevat nota bene opvallend minder bladzijden dan de andere twee bundels:Kritysk konfoai (1951) heeft 260 bladzijden, It kritysk kerwei (1990) maar liefst 332 en Oer oarmans en eigen(1994) slechts 186.

De helft van de artikelen in Oer oarmans en eigen gaat over muziek, naast literatuur een andere grote passie van Wadman. Hij herdenkt Gustav Mahler bij diens 100e geboortedag (1960) in een later bijgewerkt artikel van dertig bladzijden over diens symfonieën. Compleet met notenbalken uit de partituur van de eerste symfonie van Mahler toont hij onder andere aan dat de kracht van die symfonie wat hem betreft niet ligt in de onduidelijke dramatiek, maar in de eenheid van de motieven. Ook schrijft hij over de in het Nederlands vertaalde autobiografie van Hector Berlioz en over de receptie van Camille Saint-Saëns in Nederland. In een tweede artikel over Saint-Saëns gaat hij uitvoerig in op de vraag in hoeverre deze componist als ‘symfonicus’ mislukt is. Het artikel stond in 1982 in vier afleveringen in het tijdschrift Mens en melodie. Wadman was toen bezig met een biografie over Saint-Saëns, die hij bij gebrek aan een uitgever niet afgemaakt heeft. Hylke Tromp schreef daarover een artikel bij de presentatie van Ta in hichte (2007), het boek van Steven de Jong over Anne Wadman (zie De Moanne, februari 2007). Het is jammer dat dit soort ‘aantekeningen’ blijkbaar niet mogelijk waren bij de verder welkome heruitgave van deze bundel.

In de eerste helft van de bundel staan voornamelijk artikelen over literatuur. Over ‘de biografie’, waarin Wadman onder andere schrijft over eventuele problemen bij het schrijven van een biografie over Vestdijk (waar hij zijn zinnen op had gezet), over het proefschrift over Gysbert Japicx van Ph. H. Breuker uit 1989 (een goudmijn voor verdere Gysbertonderzoekers)en over het literaire tijdschrift Podium in de laatste jaren van de Tweede Wereldoorlog. Het openingsartikel, ‘Oer oarmans en eigen’, gaat over de vraag hoe denkprocessen van romanpersonages weergegeven kunnen/moeten worden en welke relatie dat heeft met het kiezen van een vertelperspectief. Hij concludeert daarin onder andere na een inventarisatie van zijn eigen werk dat in zijn romans de ik-vorm en het personale perspectief zijn voorkeur lijken te hebben, wat, zo zegt hij zelf, mogelijk voortkomt uit zijn introverte inslag.

Het boek besluit met een bibliografie van Wadmans publicaties 1972-1994 en een personenregister.

Anne Wadman – It kritysk kerwei. Kritiken en essays 2e pr., Nije Biblioteek, 2010; 1e pr. 1990)

Onveranderde herdruk van de uitgave van de Fryske Akademy uit 1990 met een keus uit de recensies en beschouwingen die Anne Wadman schreef tussen 1950 en 1970. Net als in Kritysk konfoai (1951) is de bundel opgebouwd uit drie delen. In het eerste deel (‘Kronyk fan it proaza’) staan recensies van romans van onder anderen R. Brolsma, W. Cuperus, A.J. Wybenga, Gerrit Mulder, Sj. van der Schaaf en Ypk fan der Fearr. Het tweede deel (‘Poëzy op ‘e twasprong’) bestaat uit besprekingen van poëzie en daar schrijft Wadman bijvoorbeeld over Rixt bij haar zestigste verjaardag en Obe Postma bij diens negentigste verjaardag. Verder zijn er recensies van nieuwe bundels van onder anderen Tjits Peanstra, Fedde Schurer, Sjoerd Spanninga, Durk van der Ploeg en Marten Sikkema. In het laatste deel (‘Frysk ferskaat’) staan onder andere artikelen over vertalingen in en uit het Fries, over de problemen van de Friese literatuurgeschiedenis en over literaire kritiek (‘It kritysk kerwei’). Met bibliografie van het werk dat Wadman schreef van 1951 tot 1971 en een personenregister.

wadmankrityskkonvoaiAnne Wadman – Kritysk konfoai. Kritiken en essays 2e pr., Nije Biblioteek, 2010; 1e pr. 1951)

Deze bundel was in 1951 de weerslag van vijf jaar literaire kritieken en beschouwingen van één van de belangrijkste Friese schrijvers in de 20e eeuw. Voornaam thema hierin is Wadmans worsteling met de plaats van de Friese literatuur ten opzichte van de Europese literatuur, zoals dat ook uitgebreid aan de orde komt in de Wadmanbiografievan Joke Corporaal. Hier komt het naar voren in tal van recensies uit het eerste deel van de bundel (over Friese romans), bijvoorbeeld in de recensie van Elbrich van Ype Poortinga. In andere kritieken laat Wadman zich onder meer kritisch uit over populaire schrijvers als Abe Brouwer (kan beter vertellen dan suggereren) en Paulus Akkerman (is te realistisch). Hij beschuldigt de nu vrijwel vergeten R. van der Zee van plagiaat en waardeert het werk van Ypk van der Fear, al erkent hij haar beperkingen. In het tweede deel polemiseert hij met dichter/journalist Fedde Schurer, bijvoorbeeld over het begrip ‘volksdichter’ en over de ‘vorm-of-ventdiscussie’, maar hij schrijft ook een mooi, uitgebreid artikel over de poëzie van Schurer zelf. In het laatste deel staan artikelen over Nederlandse auteurs als Huizinga, Slauerhoff en Vestdijk.

Kritysk konfoai is een interessante heruitgave die een mooi beeld geeft van (een deel van) het Friese literaire leven en Wadmans literatuuropvattingen vlak na de Tweede Wereldoorlog. Het boek is herdrukt in de reeks Nije Biblioteek. Zoals ik hierboven en ook al in de bespreking van Piebenga’s literatuurgeschiedenis opmerkte over uitgaven in deze reeks: het is mooi dat de boeken weer verkrijgbaar zijn, maar het is jammer dat er niet ietsje meer aandacht (ja, en geld) aan besteed is. Er zijn genoeg mensen die voor dit boek een informatieve inleiding hadden kunnen schrijven. Daarin had bijvoorbeeld aandacht besteed kunnen worden aan de persoon/schrijver/criticus Wadman, zijn algemene literatuuropvattingen uit die tijd en zijn ontwikkeling daarin, maar ook aan De Tsjerne, het literaire tijdschrift waar de stukken in verschenen en aan Wadmans keus van de artikelen (in deze bundel staat niet zoals in de twee vervolgdelen over de periode 1950-1979 en 1970-1994 een bibliografie van Wadmans geschriften). Het boek is ook beschikbaar via Sirkwy

wadmanfeestgongersAnne Wadman – De feestgongers (werprintinge, 1995; 1e pr. 1968)

Deze zevende roman van één van Frieslands belangrijkste romanschrijvers verscheen voor het eerst in 1968. In 1971 volgde een Nederlandse vertaling. Op zich is het aardig dat deze toch wat gedateerde roman nu opnieuw verschijnt, al is het jammer dat dat zonder enig commentaar gebeurt. Een nawoord, met daarin in ieder geval de ontvangst van de roman, zou op zijn plaats zijn geweest. Men noemde de roman destijds een experimentele roman. Dat had te maken met de cyclische vorm, maar vooral ook omdat de lezer door een soort auctoriale verteller heen en weer geslingerd wordt van het ene naar het andere personage. Tussen haakjes staat steeds uitleg/commentaar, van de verteller of van een personage zelf. Het verhaal beschrijft nogal ironisch een artistiek incrowd-feestje dat maar geen feest wil worden. Het echtpaar Keuning raakt daar ook verzeild en doet, omdat het hoort, mee aan partnerruil. Na het feest wordt gewoon het burgerlijke patroon weer opgepakt en is niemand en niets veranderd.

wadmanAnne Wadman – In ûnbetelle rekken. Boekewikegeskink (1992)

Het Friese boekenweekgeschenk is dit keer geschreven door Frieslands voornaamste literaire schrijver, Anne Wadman. De novelle is een terugblik van een oudere man op een gebeurtenis uit de Tweede Wereldoorlog. Op het moment dat hij als jongeman voor het eerst naar bed gaat met een meisje, wordt zijn vriend, die homoseksueel is, opgepakt door de Duitsers en naar een kamp gevoerd waaruit hij niet meer terugkeert. Als gepensioneerde zit de ik-figuur nog steeds met schuldgevoel en de vraag of het allemaal te voorkomen was geweest. Het verhaal komt wat traag op gang, vooral door de schildering van het milieu van teleurgestelde socialisten waarin de ik-figuur is opgegroeid. Ook het taalgebruik is soms, door het gebruik van tussenzinnen, wat aan de stroeve kant. De thematiek is niet erg nieuw, maar als boekenweekgeschenk, dus geschreven voor een relatief groot publiek, is het boek redelijk geslaagd.

wadmanAnne Wadman – Fjoer út in dôve hurd Roman (1991)

De sinds jaren gescheiden ambtenaar Lukas Draaisma ontmoet bij een concert Andrea Wilgenstein. Met haar heeft hij vijftien jaar geleden een verhouding gehad. Zij heeft toen eens het voorstel gedaan om samen een weekend door te brengen. Dat is niet doorgegaan, nu doet hij haar het voorstel, nadat ze elkaar jaren niet gezien hebben. Andrea, nog steeds getrouwd en door M.S. meestal in een rolstoel zittend, neemt de uitnodiging aan. Het tweede deel van het boek is de beschrijving van het weekend. Andrea en Lukas praten veel met elkaar, zonder dichter bij elkaar te komen. Man en kinderen van Andrea, maar vooral Lukas’ ex-vrouw Hannah en het niet-verwerkte verdriet over de dood van Lukas’ dochtertje staan een hechtere relatie tussen Lukas en Andrea in de weg. Weer een knap geschreven, mooi opgebouwde roman van één van Frieslands grootste literaire schrijvers, al remmen de dromen van Lukas, die hij terugleest in een schrift, de vaart van het verhaal soms wat.

wadmanAnne Wadman – De oerwinning fan Bjinse Houtsma (1984)

Na jaren gezwegen te hebben publiceerde Wadman in 1982 Yn Adams harnas. Nu heeft hij zijn derde roman, uit 1961, licht herzien. Hoofdpersoon is de onderwijzer Hindrik Visser. Hij is getrouwd met de ziekelijke Wypkje en wordt verliefd op Lutske, een voorname boerendochter. Lutske komt op het koor dat Hindrik dirigeert en hij schrijft een cantate voor haar. Uiteraard gaan er praatjes door het dorp en Hindrik krijgt moeilijkheden met zichzelf, zijn vrouw en het schoolbestuur. De expediteur Bjinse Houtsma doet Lutske een aanzoek, maar ze wijst hem af, omdat ze van Hindrik houdt. Op de avond dat Houtsma zich daarom doodrijdt, besluit Hindrik van Lutske afscheid te nemen, maar zij is dan zelf al vertrokken. Geen bijster originele plot, maar mede door het licht ironische commentaar een prima geschreven roman van één van Frieslands belangrijkste schrijvers.

wadmanAnne Wadman – Yn Adams harnas (1982)

In de ene draad van deze roman vertelt Alex, een links politicus, over de vier dagen na de dood van zijn vader en politiek tegenstander, de minister-president Arno Beck. Deze stierf bij een prostitué en men probeert dat geheim te houden tot na de verkiezingen. Dit stuk wordt door Alex geschreven terwijl hij gevangen zit na een rechtse staatsgreep. De tweede draad is het verslag van die gevangenschap. Alex wordt overgebracht naar een strafkamp op een eiland. Daar breekt een opstand uit, maar doordat het buitenland niet reageert, is die tot mislukken gedoemd. Wadman laat knap zien hoe bepaalde situaties tot een (rechtse) dictatuur kunnen leiden. De spanning wordt soms onderbroken door lange politieke bespiegelingen van Alex. Mede daardoor is deze roman geen gemakkelijk leesvoer, al is het wel een boek waarmee Wadman na tien jaar zwijgen zijn plaats in literair Friesland volkomen waarmaakt.