Willem Verf

Willem Verf – It sinfol bestean (2017)

verfIn de zevende roman van Willem Verf is een belangrijk thema van deze Friese auteur weer heel herkenbaar. De beide hoofdpersonen, Jitse en Karin, zijn allebei politiek en maatschappelijk betrokken en hebben van die betrokkenheid  hun werk gemaakt.

Op de terugreis van een kampeervakantie overnachten deze zestigers nog even op een kleine vervallen camping in de Harz. Daar ontmoeten ze Harry de Groot, de Nederlandse eigenaar van de camping en die ontmoeting heeft gevolgen. Zonder het tegen elkaar te zeggen herkennen ze in deze Harry Jan Donker, aan wie ze bepaald onaangename herinneringen uit hun studententijd hebben. De lezer weet dat direct, omdat we in een zeer strakke regelmaat het verhaal afwisselend via de beide hoofdpersonen lezen. Blijkbaar is de auteur (of de uitgever?) er niet helemaal zeker van dat de lezer de twee perspectieven goed uit elkaar kan houden, dus in de inhoudsopgave aan het begin van het boek staat keurig achter elk hoofdstuk bij wie het perspectief ligt en meteen ook maar waar (Harz, Utrecht, Friesland of Amsterdam) en wanneer (nu of bijna een halve eeuw geleden) het verhaal zich afspeelt. Tamelijk overbodig, want zo moeilijk is dat nu ook weer niet te volgen.

Politiek en maatschappelijk engagement speelt net als in eerdere boeken een grote rol in het boek. Jitse is burgemeester van een kleine Friese gemeente die op de nominatie staat om binnen niet al te lange tijd op te gaan in een grotere gemeente. Hij merkt dat hij een ondanks zijn sociale idealen een gladde bestuurder geworden is en vraagt zich af waarom hij zijn beroep nauwelijks nog met passie uitvoert. Zit hem dat in de neergang van de (sociaaldemocratische) partij, de voortschrijdende schaalvergroting, zijn leeftijd of de dominantie van het liberale denken? Ondanks of dankzij dit soort bedenkingen bemoeit hij zich actief met een nieuw beginselprogramma van zijn partij.

Jitse heeft zijn vrouw Karin leren kennen toen ze na hun middelbare school beiden een sociaal-culturele opleiding deden. Karin is fractievoorzitter van een kleine progressieve partij in de Provinciale Staten. Daarnaast doet ze vrijwilligerswerk als regisseur van een amateurtoneelgezelschap. In haar politieke werk worstelt ze onder andere met het sluiten van compromissen en de afwegingen en afspraken die ze daarvoor moet maken of bijstellen. Tegen een fractiemedewerker die zich aan eerder gemaakte afspraken wil houden, weet ze op een gegeven moment niet meer te zeggen dan: “Yn de politiek besteane gjin spikerhurde ôfspraken.”

De auteur brengt diverse onderwerpen ter sprake in deze roman. Naast de actuele stand van zaken in de (linkse) politiek is er nogal wat uit te leggen in de hoofdstukken die zich in het verleden afspelen, zoals over vrouwenemancipatie en de seksuele revolutie. Mede door de afwisseling van perspectief en van het verleden en het heden zit er wel een zekere spanning in het boek. Maar die afwisseling haalt ook de vaart er regelmatig uit, net als niet altijd helemaal ter zake doende uitweidingen over familiebezoekjes of beschrijvingen, bijvoorbeeld van het uiterlijk van de personages. Een fractievergadering kan dan zo beginnen: “Ik obstrewearje de klup. Trudy en Jakob binne beide fjirtigers. Trudy hat koart hier, draacht in rom sittend readachtig blûske en in spikerbroek mei stretch. Jakob hat in pak oan, blau, net al te donker, en in net al te guodkeap boesgroen dêrûnder. Arnold sit derby yn in kolbert út de werbrûkwinkel en in ferwosken swarte spikerbroek. De fraksjemeiwurker is hielendal yn it swart, mei it hier kreas efteroer kjimd.”

Ook de omgeving waar de gebeurtenissen zich afspelen, zowel buiten als binnen, wordt telkens beschreven. Die beschrijvingen zijn nu eens aardig beeldend, zoals de typering van de camping en omgeving in de Harz, maar soms ook behoorlijk clichématig. Tijdens een kort wandelingetje in Amsterdam dat in één alinea beschreven wordt, figureren toeristen met plattegrondjes in hun hand, een rondvaartboot in de gracht en een zwerver op een bankje. De laatste, met een blikje bier in de hand, naast een volle afvalbak, heeft overigens wel een functie, want even later zit op zijn plek Harry de Groot, alias Jan Donker, die Jitse bewust gevolgd is. Uiteindelijk wil vooral Jitse nog wel contact met Donker, als deze met hem de negatieve balans van zijn leven wil opmaken. Zo komen Jitse, Karin en de lezer te weten hoe het Jan Donker vergaan is en hoe hij eigenaar van de vervallen camping in de Harz is geworden.

Willem Verf stipt in deze roman verschillende thema’s aan, zoals (linkse) partijpolitiek en diverse maatschappelijke problemen. Daaronder het ouder worden met bijvoorbeeld de zorg of kinderen goed terecht komen, of over het einde van je eigen carrière. Drugsproblematiek speelt een rol in het boek, inclusief het vraagstuk van de legalisering van softdrugs, waarbij de auteur een aardig inkijkje geeft over hoe men veertig jaar geleden met deze problematiek omging. Maar alle kwesties blijven wel wat aan de oppervlakte. Datzelfde geldt voor de hoofdpersonen, misschien wel juist omdat je de hele geschiedenis afwisselend via het perspectief van de beide hoofdpersonen leest en de hoofdpersonen in de loop der jaren zo op elkaar zijn gaan lijken dat ze bijna inwisselbaar zijn. Wel weet de auteur op een mooie manier in de laatste hoofdstukken naar een bevredigend en zelfs ontroerend einde toe te schrijven.

 

verf
Willem Verf – It swijen net wurdich (2008)

Willem Verf (1949) debuteerde in 1982 met de roman It bliuwt pielen, waarvoor hij in 1980 al de Rely-Jorritsmaprijs gekregen had. In 1984 verscheen een verhalenbundel en in 1987 zijn tweede roman. Vijftien jaar na zijn laatste boek, het Friese boekenweekgeschenk van 1993, verschijnt deze ambitieuze roman van Verf, oud-lid van de Provinciale Staten van Friesland voor Groen Links en directeur van een welzijnsstichting in Leeuwarden.

Het verhaal komt langzaam, maar intrigerend op gang. Minutieus beschrijft Verf in de eerste helft van de roman vier dagen in maart, waarin we de hoofdpersonen leren kennen. In hoofdstukken waarin telkens het perspectief wisselt, maken we kennis met Job Haalstra, haast zeventig. ‘Stille Job’ wordt hij wel genoemd, omdat hij zich na de dood van zijn vrouw wat afzijdig gehouden heeft van de maatschappij. Maar nu wil hij weer meedoen. Net overigens als zijn 32-jarige dochter Nynke, die na zeventien jaar zwijgen besluit weer te gaan praten.

Daarna komt de vaart er flink in. In een paar maanden tijd volgen een dramatische actie van Germ, een zoon van Job en strijder voor de Friese identiteit, de verstoring van een rechtse politieke bijeenkomst met dodelijke afloop waarbij de andere zoon van Job en diens vrouw betrokken zijn, plus een ludieke actie tegen de macht van het geld van Job zelf. Dat lijkt veel, zeker als je bedenkt dat de beschreven actievoerders familie van elkaar zijn en ook nog allemaal hun persoonlijke problemen hebben.

Toch weet Verf het verhaal geloofwaardig te houden, door enige relativering via de personages zelf en doordat de maatschappelijke en persoonlijke problemen ook niet allemaal al te zwaar worden aangezet en ook niet allemaal zomaar even opgelost worden. Het is ook Verfs verdienste dat de roman zowaar troostrijk genoemd kan worden, zonder overigens al te sentimenteel te worden, omdat de hoofdpersonages erin slagen trouw te blijven aan zichzelf en hun idealen. Enige sentimentaliteit ligt, net als een al te grote rol van het toeval, wel op de loer, maar Verf weet maat te houden. Dat ‘verbeelding aan de macht’ soms wél kan en dat een geslaagde roman ook een (redelijk) goede afloop kan hebben, bewijst dit nieuwe boek van Willem Verf.

Willem Verf – De neisimmernacht fan Sjoerd en Eppy (1993)

Sjoerd, sinds kort AOW’er en na de dood van zijn vrouw teruggetrokken levend, gaat voor het eerst weer op stap, naar het openluchtspel van Jorwert. Daar ontmoet hij de bijna even oude Eppy. Na het toneelstuk gaat hij met haar mee en ze vertellen elkaar over hun leven. Sjoerd heeft het over de dood van zijn vrouw, Eppy vertelt dat ze als meisja verloofd is geweest met iemand die in Indië is omgekomen, en sindsdien alleen is gebleven. Hoe later het wordt, hoe meer ze naar elkaar toe worden getrokken. De novelle is opgebouwd uit korte stukjes, waarin het perspectief afwisselend bij Sjoerd en Eppy ligt. Dat is een eenvoudige, doeltreffende manier om de lezer te informeren en wat spanning in het verhaal te brengen. De novelle is het Friese boekenweekgeschenk, wat betekent dat het voor een groot publiek toegankelijk moet zijn. Verf is daar zeker in geslaagd, al komt het verhaal enigszins traag op gang. Vanaf het moment dat Sjoerd bij Eppy thuis zit, wordt het verhaal suggestiever, wekt het nieuwsgierigheid op, al zakt de spanning in de laatste hoofdstukjes weer weg.

Willem Verf – Tiid fan libjen (1987)

Werkloze leraar Eelke gaat voor een kennis met een vrachtauto naar Duitsland. De auto gaat kapot en Eelke blijft in Oost-Friesland achter, waar hij de feministische Gretchen ontmoet. In een schuur achter de woning van haar oma blijkt een rechts-extremistische organisatie plannen te maken voor terreuracties. Eelke en Gretchen roepen de hulp in van een politieman en na een paar spannende scènes wordt de terroristengroep ten slotte opgepakt. Een man ontsnapt echter en die plaatst een bom in de auto van Gretchen. De roman leest in het begin vlot weg, maar in het midden is de vaart er wat uit. Gelukkig komt tegen het eind de spanning weer volledig terug. Herinneringen van Eelke en Gretchen aan de rol van hun ouders in de oorlog zitten logisch in de roman geweven. Het aftakelingsproces van de moeder en oma van Gretchen is soms wat minder functioneel. De vertelwijze, personaal met wisselend perspectief, werkt soms bevorderlijk, soms ook remmend voor de opbouw van de spanning. Deze tweede roman van Verf is nog niet geheel geslaagd, maar is zeker zeer lezenswaardig.