Willem Schoorstra

schoorstra
Willem Schoorstra – De nacht van Mare (2017)

Na twee uitstapjes naar historische romans over bekende figuren uit de Friese geschiedenis, koning Redbad en Grutte Pier, keert Willems Schoorstra in zijn nieuwe roman terug naar zijn eigen tijd. Met De nacht fan Mare schreef hij een uitermate geslaagde combinatie van een coming-of-age-roman en een liefdesverhaal, en meer.

22 augustus 1978. Herman Brood geeft een concert in de Prinsentuin in Leeuwarden. Mare, een zeventienjarig meisje uit Dokkum, spijbelt van school om met een paar leeftijdgenoten dat concert bij te wonen. Tijdens dat legendarische concert ontmoet ze Thomas, “de jonge mei it ljochte hier”, die een paar jaar ouder is dan Mare en ze worden allebei smoorverliefd. Direct na het halen van haar middelbareschooldiploma laat Mare haar burgerlijke omgeving in Dokkum in de steek en gaat met Thomas in een kraakpand in Leeuwarden wonen.

Of het nu gaat om een beschrijving van een sinterklaasavondje bij de familie van Thomas thuis, van de kroeg van Thomas’ ouders, of van de sfeer bij Mare thuis met een vader en moeder van wie Mare denkt dat ze haar totaal niet begrijpen – Willem Schoorstra weet dat alles zo beeldend en intens te noteren dat de lezer de situaties als in een film voor zich ziet, althans de film zoals Mare die ziet. Zo ook de weergave van het concert in het eerste hoofdstuk en de ontmoeting van Mare en Thomas:

De jonge mei it ljochte hier stiet mei de kop foardel neist my. It liket as skodhollet er de hiele tiid. Sa no en dan sjocht er omheech en jout er my it blikje bier, dat wy tegearre leechdrinke. Troch it gedrang dat ûntstiet as Brood nochris Saturday Night ynset, triuwe de omstanners ús tsjininoar oan. No wyk ik net tebek. Dêr is gjin romte foar, en ik wol it net. De rûs dêr’t wy as publyk yn sitte, hâldt oan, in earetsjinst dy’t foarôfgien wurdt troch de hegepryster fan de junks. Net earder hat it libben him sa fûleindich oan my iepenbiere. Ik jou my der mei hert en siel oan oer, dompelje my deryn ûnder as is it doopwetter, in profane segen.

Schoorstra lijkt als geen ander te weten hoe hij vaart in het verhaal moet houden, wat hij over moet slaan en waar hij op in moet zoomen. Tussen opeenvolgende hoofdstukjes zitten soms een paar dagen, soms enkele weken of maanden. Dat overslaan van stukken tijd gebeurt volkomen natuurlijk en logisch. Die natuurlijkheid en logica geldt ook voor het perspectief. Het hele verhaal lezen we via Mare, de ik-figuur, en ook de ontwikkeling die Mare doormaakt, van een naïef zeventienjarig meisje dat een tamelijk drieste stap zet tot een jonge vrouw met kind die door schade en schande het leven een beetje leert te begrijpen en accepteren, is glashelder. Dat wil overigens niet zeggen dat de lezer het altijd eens is met de keuzes die Mare maakt en de stappen die ze wel of niet zet.

Want zo fijn is de verhouding tussen Mare en Thomas niet, al is Mare het grootste deel van de tijd zielsgelukkig met Thomas. Maar ze kiest regelmatig te gemakkelijk voor Thomas en niet voor zichzelf. Ze geeft haar studie op en neemt aanvankelijk genoegen met een simpel baantje in de supermarkt, omdat er toch geld binnen moet komen, ook al is het leven in een kraakpand niet duur. Ze drinkt met Thomas mee, ook als ze er eigenlijk geen zin in heeft. Ook volgt ze Thomas’ sekswensen over haar eigen grenzen heen. Echt triest wordt de situatie als ze in verwachting blijkt te zijn.

Na de geboorte van Tialda komt Mare, die inmiddels een administratief baantje heeft, niet gemakkelijk in haar moederrol, maar de onverantwoordelijke Thomas is wel meteen een zorgzame vader en neemt haar een hoop werk uit handen:

Hy ferskjinnet har, jout har de flesse, soarget foar genôch blikken babymolke yn de kast. As ik him mei it bern op de bank sitten sjoch, taast my dat djip yn ’t moed. De soarchsumens, de leafde en de tagedienens spatte derôf.

En zo is er telkens weer iets wat Mare ervan weerhoudt om echt te zien wat er aan de hand is. De verslaving van Mare aan Thomas die haar in veel opzichten slaafs maakt, is bijna net zo fnuikend als Thomas’ alcoholverslaving.

Doordat je zo dicht op de huid van de hoofdpersoon zit, is het haast onmogelijk om geen sympathie te hebben voor Mare, ondanks de niet altijd slimme keuzes die ze maakt. Maar naast het meeleven met de hoofdpersoon is de schrijfstijl een andere drijfveer om door te blijven lezen, zodat je het boek in een oogwenk uit hebt. Zo mooi kan een hoofdstukje beginnen:

Tiid is de grutste ôfstân tusken twa plakken. Sei Tennessee Williams. Dy útspraak wie, doe’t ik him lies, te abstrakt foar my. Ik begriep der neat fan. No’t ik yn Dokkum út de bus stap en it bewende panorama yn my opnim – de wettertoer as in ienlike wachter oan de rûnwei, de hearehuzen dy’t steatlik oprize achter de beamkes fan it busstasjon – wit ik wêr’t er op doelde.
It is net liker as stap ik in âlde jeugdfoto yn. Wylst it noch gjin jier lyn is dat ik hjir omspande. De ôfstân dy’t ik fiel, is folle grutter as dy tritich kilometer.

Het is heel knap hoe de auteur erin slaagt om met zo’n vaart en zó beeldend te schrijven, en tegelijkertijd overtuigend het perspectief van een zeventien-, achttienjarige te hanteren. Daardoor klopt het zowaar wat de achterflap zegt: het boek pakt je vanaf het begin bij de lurven om je daarna niet meer los te laten.

 

schoorstrapier
Willem Schoorstra – Pier. De profesij fan bline Simen (2017)

Willem Schoorstra publiceerde eind 2015 zijn tweede historische roman, Pier. De profesij fan bline Simen. Hiervóór schreef hij de historische roman Redbad(2011), twee eigentijdse romans, een verhalenbundel en een dichtbundel. Over die eerste, eigentijdse romans ben ik nog steeds het meest enthousiast, over de historische romans wat minder.

Net als van het onderwerp van zijn vorige historische roman, de legendarische Friese koning Redbad (Radboud) uit de vroege middeleeuwen, is van het onderwerp van zijn nieuwe roman niet zo heel veel bekend. Pier Gerlofs Donia werd rond 1480 geboren in Kimswerd en stierf in 1520 in Sneek. In 1515 werd zijn boerderij door Saksische huurlingen in brand gestoken en verwoest, waarbij de vrouw van Pier omkwam. Pier liet zijn twee jonge kinderen bij zijn moeder achter en werd aanvoerder van een troep Friezen die zich wilde wreken. In dienst van hertog Karel van Gelre schopte hij het zelfs tot aanvoerder van een vloot op de Zuiderzee. Vanwege zijn grote, sterke gestalte en zijn daden werd hij Grutte Pier genoemd. Teleurgesteld in de Gelderse hertog trok Pier zich in 1518 terug en ging in Sneek wonen waar hij in 1520 stierf.

In het begin van de 16e eeuw vonden de laatste schermutselingen plaats van de Friezen tegen de Hollanders met als inzet de onafhankelijk van Friesland. Die strijd maakte deel uit van de zogenaamde Gelderse oorlogen. De hertog van Gelre verdedigde de noordoostelijke Nederlanden tegen een inlijving bij het Bourgondisch-Habsburgse Rijk door vorsten als de latere keizer Karel V, die vanuit de Bourgondische Nederlanden (Holland, Brabant) opereerden. In die strijd speelde de imposante boer uit Kimswerd een rol die soms zo tot de verbeelding sprak dat er enkele legendarische verhalen van overgeleverd zijn.

Willem Schoorstra heeft goed gebruik gemaakt van de historische gebeurtenissen en enkele legendarische verhalen. Dat legendarische overdrijft hij overigens bepaald niet: het beroemdste verhaal, over het sjibbolet Bûter, brea en griene tsiis, wa’t dat net sizze kin, is gjin oprjochte Fries verstopt hij bijna midden in een alinea waar hij een aantal (krijgs)daden van Pier opsomt. Pier wordt ook niet opgehemeld. Ja, hij is in de roman soms de strijder die opkomt voor de arme boeren of de Friese vrijheid en de wreker van onrecht, maar hij is even vaak een opportunist die op een gegeven moment verblind door woede nog wreder en onredelijker is dan zijn vijanden.

Dat maakt deze romanheld wel zo geloofwaardig, meestal tenminste. In een enkele passage, zoals wanneer hij na een hevige strijd naar de Grote Kerk van Sneek gaat, is Pier wat merkwaardig filosofisch-religieus, maar het gaat dan ook om “ien fan dy seldsume mominten dat er út inerlike needsaak allinne wêze moat.” Mooi is ook hoe aannemelijk gemaakt wordt dat de gewezen boer door de hertog van Gelre tot admiraal wordt benoemd: zo was hij nog enigszins onder controle te houden en zou hij zich niet tegen de Geldersen keren.

Dat deze roman interessant is, komt ook doordat Schoorstra boeiend kan schrijven. Zo is hij sterk in beschrijvingen van de natuur of van kroegtaferelen. Voorbeeld van dat laatste zijn scènes in de Sneker kroeg het Hearehof waar Pier regelmatig komt en waar de mismaakte, strompelende dwerg Repke met zijn scherpe tong dan vaak een levendige rol speelt. In natuurbeschrijvingen kan de auteur bijvoorbeeld goed overweg met personificaties die de beschrijvingen beeldend maken: “It daagjen op dizze twaentweintichste febrewaris 1516 is wifkjend, suver tryst. De wrâld sit yn it nei-êbjen fan alwer in sêfte winter, liket net te witten wêr’t it hinne moat, wêr’t er kleur fine kin, de krêft om himsels te fernijen” (p. 126). En zo zijn meer fraaie voorbeelden te noemen.

Uiteraard is het taalgebruik in deze historische roman soms wat ouderwets, dat kan niet anders als oude gebruiken, voorwerpen, gebouwen, schepen beschreven worden. Een enkele keer komt de auteur in de buurt van clichés; zo hebben we na de eerste tien bladzijden al iemand een “wan bruien” zien incasseren, heeft iemand “in pear oerkes it fel oer de eagen” gehad of een “hompe brea” afgesneden. Maar verder weet Schoorstra de taal vlot en origineel genoeg te gebruiken om het verhaal lekker leesbaar te maken.

Waar ik wat meer moeite mee heb, is de keus voor het vertelperspectief. Dat zo’n historische roman door een alwetende vertellen verteld wordt, is niet zo gek. Maar met de verteller is meer aan de hand. Regelmatig is de verteller een anonieme ik-figuur uit het gevolg van Pier. Het is iemand die nooit verder geweest is dan de zuidwesthoek van Friesland en in Piers voetsporen de gelegenheid krijgt iets meer van de wereld te zien. Net als Pier heeft hij oog voor de ellende van de gewone mens: “Lykwols doch ik de eagen net ticht foar de ellinde dy’t ek hjir [in de Friese Woudstreek] de minsken as in kweageast op ‘e hakken sit. Ik sjoch hoe’t grutte húshâldens omheukerje yn lytse klintsjes op de heide (…) (p. 92). Soms is de ik-figuur wat filosofisch: hij mijmert aan het begin van hoofdstuk VI over het voorbijvliegen van de tijd. Even verderop diezelfde bladzij geeft hij commentaar op het doen en laten van Pier: “Soms griis ik fan de dingen dy’t er docht en soms komt er my oer ’t mad, as er bygelyks samar in ferske begjint te sjongen (…)”. Ondanks zijn bedenkingen soms, laat de ik-figuur Pier tot het eind toe niet los. “Mear as ea klamp ik my oan Pier fêst. Miskien tsjin better witten yn.” Want bij Pier is alles duidelijk: die vecht tegen de vijand en daarbij gaat het er nu eenmaal soms wreed aan toe en dat vindt die ik-figuur wel zo overzichtelijk.

Maar naast die schimmige ik-figuur is er meestal sprake van een ‘gewone’ alwetende verteller die, zoals het een alwetende verteller betaamt, naar goeddunken zich in tijd en ruimte kan verplaatsen en die precies weet wat er in Pier omgaat of wat de andere personages denken en voelen. Die verteller kan beschrijvingen geven van de omgeving, van de gesprekken, ook die waar Piet niet bij is. Daar is niets mis mee, maar soms lijkt het overgaan van de ik-vertellen in een alwetende verteller wat geforceerd. In zinnen als “Hoewol’t Sleat besjen lije kin is dat net de reden dat wy yn it sok fan Pier troch de stêd panderje” en even verder op p. 108: “No ha ik faker yn Sleat west (…) is de ik-verteller die zich in het gevolg van Piet bevindt aan het woord, terwijl de verteller een alinea verder precies weet wat er in Pier omgaat: “Op oantrún fan de steedhâlder hat er mei lijen en muoite it bestân akseptearre, mar no ’t it safier is fernimt er dat it him goed docht.” Dat komt aan de ene kant speels over, maar wringt ook wel een beetje.

Wat bij mij ook wat wringt is het telkens opduiken van het personage Petrus Thaborita, een lekebroer uit het klooster Thabor bij Sneek, die de taak op zich genomen heeft om de geschiedenis van Friesland te beschrijven. Hij praat daarom af en toe met Piet, want hij weet: Pier schrijft geschiedenis. Hij is het die in de profetie van ene blinde Simen over een wolfshond de gelijkenis ziet met de verhalen over Pier. Die profetie moet het verhaal waarschijnlijk meer spanning geven, maar maakt het eerder wat ongeloofwaardiger. Verder is het blijkbaar de bedoeling dat Petrus af en toe een gesprekspartner is voor Pier, maar dat komt toch niet echt uit de verf.

Ondanks deze bedenkingen vind ik wel dat Schoorstra knap werk geleverd heeft door zich voor te stellen hoe Grutte Pier, die legendarische figuur uit de Friese geschiedenis, zich door de eerste, roerige decennia van de zestiende eeuw bewogen zou kunnen hebben. De sfeer van die tijd, met al zijn ruigheid en bijbehorende wreedheden, is levendig en plausibel beschreven. Voor die wreedheden wordt de lezer al min of meer gewaarschuwd door de twee motto’s in het boek. Het zijn een citaat uit Shakespeares Hamlet: “Ik ben alleen maar wreed om goed te zijn, het begon al erg, en erger is wat komen zal” en een regel uit een Oudfriese wetstekst: “Morth motma mith morthe kela”: moord moet met moord gekoeld worden. Dat laatste is precies wat Pier op een gegeven moment alleen nog wil, of kan.

schoorstraredbad
Willem Schoorstra – Rêdbâd. Kronyk fan in kening (2011)

Over de vorige boeken van Willem Schoorstra (1959), een verhalenbundel en twee eigentijdse romans, was ik nogal te spreken. Dat waren overigens de meeste recensenten ook, al liet een enkeling een wat negatiever geluid horen. Ook zijn nieuwe boek Rêdbâd, een historische roman, vind ik vooral een prachtig meeslepend boek, dat ik bij vlagen maar moeilijk kon wegleggen. Toch is de roman, zeker in zijn opbouw, niet helemaal geslaagd.

Over de legendarische Friese koning Rêdbâd (Radboud) weten we bijzonder weinig. Hij moet geboren zijn ergens in het midden van de 7e eeuw en stierf in 719. Hij zou de zoon zijn van Aldgillis en staat bekend als een heidense vorst die het christendom vijandig gezind was. Volgens een bekend volksverhaal zou hij zich op een gegeven moment tot het christendom bekeren, maar zich op het moment van de doop door Willibrord bedacht hebben. Ook in latere volksverhalen wordt van hem verteld.

Uiteraard maakt Schoorstra in zijn historische roman dankbaar gebruik van de verhalen die over koning Rêdbâd de ronde deden. Dat doet hij bovendien knap, gebruik makend van een misschien niet heel originele, maar wel uiterst effectieve keuze: hij laat het deel van het verhaal over Rêdbâd vertellen door iemand uit diens naaste omgeving. Het boek begint vijf maanden na de dood van Rêdbâd. Hadagrim, ‘de zoon van Egisgar’ en 72 jaar oud, voelt ook zijn einde naderen en hij zal voor hij sterft het leven van Rêdbâd, dat hij van nabij heeft meegemaakt, beschrijven. Want ‘nooit en te nimmer heeft de geschiedenis een koning als Rêdbâd gekend, en zijn naam is groot onder de hemel’.

Het Friese rijk was in de zevende eeuw veel groter dan het huidige Friesland. Een kaartje voorin het boek laat zien dat het meer dan de helft van het huidige Nederland besloeg plus kuststroken in België en Noord-Duitsland. Hadagrims vader is heer van Iselhiem, een nederzetting aan de IJssel, ergens waar nu Zutphen ligt. Hij is tien jaar als de Friese koning Aldgillis zijn zoon Rêdbâd, negen jaar oud, naar Iselhiem brengt. Daar zal hij een jaar bij de familie van Hadagrim verblijven om er van alles te leren. Dat jaar beslaat vier van de 28 hoofdstukken uit het boek.

Schoorstra weet vooral in dat deel op een bewonderenswaardige manier bestaande volksverhalen te vermengen met zijn eigen fantasie. Zijn beschrijvingen van de personages zijn via Hadagrim vaak prachtig gedetailleerd en vrijwel altijd boeiend omdat ze de personages echt laten leven. Ook zijn uitbeelding van oude gebruiken doen nergens geforceerd aan, zelfs niet als hij daarvoor woorden gebruikt die het moderne Fries niet meer kent.

Het verhaal van Hadagrim over Rêdbâd gaat pas achttien jaar later verder, op het moment dat Rêdbâd zijn boezemvriend Hadagrim naar het koninklijk hof in Staveren laat komen. Hadagrim gaat daar fungeren als gesprekspartner en adviseur van Rêdbâd.

De komst van Hadagrim naar Staveren gebeurt zes hoofdstukken na het afscheid van Rêdbâd van Iselhiem. In vijf van die zes hoofdstukken lezen we over wat zich in het Suderryk afspeelt. Het is wat jammer dat de auteur blijkbaar meer wil dan alleen het verhaal van Rêdbâd vertellen, dat gesitueerd is in het Noarderryk. Een substantieel deel van het verhaal speelt zich af in het Suderryk, waar Pepijn (in het boek Pepyn) van Herstal zijn verloren gegane bezittingen terug weet te winnen. Deze Pepyn is een vijand van Rêdbâd en hij wordt dan ook ietwat clichématig als een schurkachtige heerser neergezet. Niet zozeer door Hadagrim, want de gedeelten van het verhaal die zich afspelen in het Suderryk worden niet via het perspectief van Hadagrim verteld, die was daar immers niet bij. In die personaal vertelde delen ligt het perspectief bij Pepyn zelf, zoals in één van de laatste hoofdstukken het perspectief bij bisschop Willibrord ligt. Trouwens, ook een hoofdstuk over Rêdbâd in Staveren, wordt niet via Hadgrim verteld.

Handig is wel dat de schrijver aanzienlijke tijdverdichting weet te bewerkstelligen door Hadagrim op een gegeven moment haast te laten maken. Die voelt zijn einde nabij komen en besluit op te schieten met Rêdbâds levensverhaal door een flinke periode kort samen te vatten. In die latere periode worden Rêdbâds daden, waaronder diens voorgenomen doop, niet altijd door Hadagrim begrepen. Het lijkt dan wel of de boezemvrienden minder open zijn tegen elkaar. In ieder geval verzwijgt Rêdbâd tegenover Hadagrim wat zijn werkelijke plannen zijn. Waarom Rêdbâd daar zo zwijgzaam over is, wordt niet echt duidelijk.

Het is jammer dat er wat onlogische dingen zitten in met name de structuur van deze historische roman. Schoorstra kan namelijk wel heel goed schrijven en met de schrijfstijl van het boek is helemaal niks mis.

(2011)

schoorstraofrekken
Willem Schoorstra – De ôfrekken (2007)

Met zijn tweede roman laat Schoorstra (1959) zien dat de eerste, Swarte ingels(2004), geen literaire toevalstreffer was. Ook De ôfrekken is prachtig opgebouwd en in een vlot leesbare, beeldende stijl geschreven. Het boek begint uitermate krachtig, met de beschrijving van Brussel en de eerste (homo-)seksuele ervaring van Ake, als hij in 1978 in de Belgische hoofdstad gaat studeren. Daarna krijg je bij stukken en beetjes informatie over Akes problematische jeugd in een Fries vissersdorp en over de tien jaar dat hij in Brussel woont. Soms lijkt het ietsje geforceerd als een snufje geschiedenis opgediend wordt (Ake is hoogleraar geschiedenis), of net te gemakkelijk als personages gebeurtenissen anno 1988 bespreken en uitspraken doen over bijvoorbeeld de rol van de Islam, maar alles komt uiteindelijk wel schitterend op zijn plaats. En het wrange, ontroerende en soms zelfs humoristische verhaal blijft van begin tot eind boeien. Dat komt ook omdat de geschiedenis van Akes vader, via brieven verhaald, intrigeert en je meegesleept wordt naar de tweede ontmoeting van Ake met zijn vader in tien jaar.

schoorstra
Willem Schoorstra – Swarte ingels (2004)

Na een dichtbundel in 2001 en een verhalenbundel in 2002 komt Willem Schoorstra (1959) met een voortreffelijk geschreven roman. Het boek is mooi opgebouwd: op de eerste bladzij gaan we van het heden terug naar het begin van het verhaal: de strijd tussen de vader en moeder over de opvoeding van Hilbrand en zijn zusje Fardou. De vader wil dat de kinderen sportief zijn, de moeder zet ze op het spoor van de literatuur. Hilbrand, door wiens ogen we het verhaal volgen, wordt verliefd op zijn zus, maar uit dat aanvankelijk niet. Als zijn zus zijn gedichten vindt, vertelt ze dat ook zij verliefd is op hem. Wat, hoe geheim ook, een gelukkige relatie lijkt, loopt dramatisch af. Net als in zijn verhalen weet de schrijver de lezer de roman in te trekken door een uitgebalanceerde en beeldende stijl van schrijven. Het liefdesverhaal tussen een broer en een zus speelt zich af in het decor van de zeventiger jaren en ook dat decor is subtiel neergezet. Daarbij begrijpt niet alleen de hoofdpersoon, maar ook de lezer dat het hier om een onmogelijke liefde gaat, wat het verhaal spannend maakt.

schoorstraberjochten
Willem Schoorstra – Berjochten út Babel Ferhalen (2002)

Een verhalenbundel van een schrijver die vorig jaar debuteerde met de gedichtenbundel Ynwijing. Net als de gedichten lezen deze verhalen als een trein. Het zijn zeer goed geschreven verhalen in een uitstekende mix van literaire taal en spreektaal. De lezer wordt daardoor heel makkelijk in de verhalen meegesleept, zelfs als het een enkele keer een verhaal is dat enigszins voorspelbaar verloopt. Dat is bijvoorbeeld het geval in ‘Winter yn Yndia’ waarin de hoofdpersoon en diens vrouw in de ban raken van een goeroe die uiteindelijk de vrouw inpikt. Andere verhalen zijn inhoudelijk vaak wat verrassender, al ziet een verhaal er soms bedrieglijk eenvoudig uit. Een verhaal van een vakantie van een paar vrienden in Frankrijk, een dwaaltocht van een gestrande automobilist in Litouwen, een jongen die de tuin gaat verzorgen bij een zich eenzaam voelende vrouw, een literatuurclubje waar een nieuweling de knuppel in het hoenderhok gooit, het zijn stuk voor stuk spannende verhalen, die de lezer ook aan het nadenken zetten over het doen en laten van mensen. Een aanwinst voor de Friese literatuur!