Sipke de Schiffart

Schiffart, Sipke de - Oan dy tinkeSipke de Schiffart – Oan dy tinke. Leafdesgedichten dy’t it bestean wat lichter meitsje. (2017)

Wat een aparte bundel, deze eerste dichtbundel van Sipke de Schiffart die in 2012 in boekvorm debuteerde met de verhalenbundel Wat it is om bang te wêzen. Een belangrijk thema in die verhalenbundel – het verlangen naar een onbereikbare geliefde – speelt ook in de gedichten een grote rol en net als in zijn prozadebuut werkt De Schiffart dit thema in zijn gedichten opvallend uit.

Het zijn schaamteloos eenvoudige gedichten, vaak meer prozaïsch dan poëtisch, met bijvoorbeeld nauwelijks beeldspraak, waarin een enkel moment van geluk met een geliefde, maar veel vaker schaamteloos overdreven het verlangen naar een geliefde of schaamteloze droefheid om een onbereikbare geliefde beschreven wordt. Het schuurt bij vlagen sterk aan tegen kitscherige romantiek (meisjes zijn engeltjes enzovoort, enzovoort), de sfeer zwenkt dan ook heen en weer tussen himmelhoch jauchzend en zu tode betrübt, maar het allergekste is: bij elkaar gebracht in deze bundel werken de gedichten uitermate goed!

Hoe kan het dat deze schijnbaar eenvoudige beschrijvingen en vaak beeldenloze gevoelsuitingen zonder poëtische taal toch zulke mooie poëzie opleveren? Dat komt in de eerste plaats doordat de dichter heel aandachtig lijkt te observeren of zich dingen weet te herinneren en wat hij ziet of voelt – of desnoods fabuleert – heel nauwkeurig weet op te schrijven. Dat wil hij ook nadrukkelijk, zoals hij letterlijk in het gedicht ‘Te let’ schrijft:

TE LET

dêr’t wy ea ôfskie namen,
lit ik it oars sizze,
presizer,
dêrsto ea ôfskie naamst fan my,
foargoed, foargoed,
noch presizer,
dêrsto ea folslein ûnferwachts
my falle lietst as in bakstien,
op de hoeke fan de Popmastrjitte
en de Salverdaleane,
dêr komt no in ynstelling
foar geastlike sûnenssoarch –
tsien jier te let

De dichter maakt veelvuldig gebruik van wisselende stemmingen en zo lees je ook wisselende stemmen, of, zoals de achterflap zegt: ‘humor, cynisme, plompheid en overdrijving worden afgewisseld met tederheid en weemoed’. Ook de flinke hoeveelheid gedichten over hetzelfde thema, zo’n 75, die tot het eind toe niet vervelen, imponeert in zekere zin.

De dichter deelt de bundel op in maar liefst acht delen. In het eerste deel – ‘Ik hie dy tútsje kinnen’ – begint het openingsgedicht en tevens titelgedicht van de bundel ‘Oan dy tinke’ met de strofe

wy sjogge inoar
noait wer en noait wer
litte wy wat
faninoar hearre

De dichter beschrijft hoe hij vaak aan deze verloren geliefde denkt, wat hij dacht toen hij haar voor het eerst zag en eindigt het gedicht met

as ik oan dy tink,
of oan dy tocht ha,
fiel ik my altyd
in bytsje
lichter
as foardat ik oan dy tocht

In het tweede deel, ‘Sa leaf en tear as in lamke’ gaat het bijvoorbeeld over een ouder geworden geliefde, tegen wie de dichter even bot als aandoenlijk durft te zeggen: “mei dyn rimpelich fel / likesto krekt sa leaf en tear / as in lamke”. Ook is er een gedicht waarin de dichter zich erover beklaagt dat hij zoveel lelijke vrouwen ziet en zich afvraagt of de mooie vrouwen soms uitgestorven zijn. Maar dan, tussen Pingjum en Witmarsum, komt hij “in loftich klaaid, healneaken goadintsje” op een fiets tegen.

Wat uitermate goed werkt, is dat er naast de schaamteloos romantische overdrijving volop relativering is, waardoor een gedicht regelmatig humoristisch overkomt. Op de eerste warme dag komt de dichter – in het gedicht ‘Rokjesdei’ – weer eens een ‘heerlijk meisje’ tegen in een luchtig rokje. Het is alleen wel een rokje dat over de knieën tot halverwege de kuiten hangt. En dus is het in de ogen van de dichter een heel onsympathiek rokje. Tot een windvlaag het rokje seconden lang optilt en de dichter eindigt met de strofe:

ik moat myn oardiel feroarje:
wat in sympatyk rokje!

Hoe onbeholpen, onbeschaafd en onbeschaamd de dichter zich soms presenteert, hij kan ook heel zorgzaam uit de hoek komen, als hij bijvoorbeeld op 22 december een geliefde troost met het vooruitkijken naar de lente en de zomer met bloeiende magnolia’s. Dat is overigens niet helemaal onbaatzuchtig, want als aan het eind van het gedicht de liefste straalt van geluk kan ze de dichter liefhebben “as oait, as noait tefoaren”. Het tweede deel eindigt met een gedicht waarbij het zien van een haar van de geliefde niet alleen haar afwezigheid draaglijk maakt, maar zelfs de begrafenis van de buurman:

by de útfeart fan myn buorman,
seach ik ûnder it stil gebed
nei ûnderen en doe foel myn each op
in hier fan dy op myn trui

fan ‘e weromstuit wie ik net mear rouwich,
krektoarsom, it gelok streamde nei binnen mei it ljocht
fan de leechsteande sinne

Waarschijnlijk krijg je op elke poëzieschrijfcursus de raad om de laatste twee regels te schrappen: ‘te overdreven’, ‘laat niets meer voor de lezer te raden’. Maar in de gedichten van Sipke de Schiffart staan vaker dergelijke schijnbaar overdadige toevoegingen en overdreven beschrijvingen – en ze werken. Deze schrijver weet wat schmieren is en speelt met clichés. Zo kan hij ook rustig een gedicht de titel meegeven: “Alles went (behalve hingjen)”.

Er komt een lange stoet aan meisjes en vrouwen voorbij in deze bundel. Sommigen hebben namen: Geneviève, Beitske, Lucia, Hiltsje, Reierke, Eveline, Laura, Paulien, Lolkje (“myn earste freondintsje, / lang, tige lang lyn”), Sjoeke, Hannah, Yfke of Pieternel. Ik zit nu met deze opsomming van namen nog maar halverwege de bundel. Nou, vooruit, omdat ik toch bezig ben: daarna volgen nog Ymkje, Tetske, Jorinte, Angelyn, Wytske van der Wal, Marieke, Eelkje, Geke, Petra, Sjoukje,  Aaltsje, Neeltsje, Wikelina, Bartina (2x) en Koosje. En dan zijn dit dus alleen nog maar de met name genoemde meisjes en vrouwen.

Zelfs in het derde deel ‘Ienris wiene wy ien’, waarin allerlei voorbije liefdes langskomen, wordt het nergens larmoyant. Melancholiek regelmatig, mistroostig soms, maar ook wel vertederend. Dan weer hardvochtig, en soms humoristisch tegelijk, zoals in het gedicht ‘Op ‘e flecht’, waarin de dichter beschrijft hoe hij zich op een slinkse manier ontdoet van een vrouw. Toch gaat niets de dichter te ver. Hij kan in een ander gedicht dan ook rustig een gebed tot God richten dat begint met “Heare, wês mei myn eks / ik ha har leaver as ea” en waarin hij zonder een spoor van ironie zijn ex het allerbeste wenst. Hij kan door gezamenlijke wandeltochten steeds verliefder worden op een vrouw die er niet aan denkt om haar man ontrouw te worden. Of terugdenken aan het meisje dat hij in bed wilde krijgen door haar in zijn auto rijles te geven:

do hiest inkeld mar each foar it ferkear,
ik hie inkeld mar each foar dy

En natuurlijk, want in dit deel mislukt alles, belandt ze niet in zijn bed:

mar as it my goed heucht,
hellesto doe wol moai yn ien kear it rydbewiis

In andere delen van de bundel gaat de dichter naar een concert, niet voor de muziek, maar om de mooie violiste te zien. Hij stopt zijn neus in de wc-pot als zijn vriendin daar geweest is en wordt vrolijk van de dichter Obe Postma – niet vanwege diens gedichten, maar omdat hij in de Obe Postmastraat zo vaak geneukt heeft. Hij wordt hij à la Piet Paaltjens verliefd op een meisje in de trein, maakt gebruik van familie of hond om vrouwen te versieren, of blijft, zichzelf een lafaard noemend, op een afstandje naar een mooie vrouw bij de bushalte kijken. Eén van de grimmigste gedichten uit de bundel is ‘Prate mei in frou’. Dat begint met

ja, it is myn skuld, leave,
ik ha it dien,
do kinst der neat oan dwaan,
ik bin de oarsaak fan alle ellinde

en vervolgens komt er een opsomming, niet alleen van alle relatieproblemen, maar ook van alles wat er in de wereld fout gaat:

ik brocht it allegear fanwegen,
de miljeufersmoarging,
it terrorisme,
biologyske en gemyske wapens

En daar houdt het nog niet eens mee op. Op een dergelijke manier overdrijven maakt de grimmigheid in dit gedicht, zoals ook de droefenis in andere gedichten, niet alleen dragelijk, maar geeft het een fraaie humoristische twist.

De bundel is ook mooi opgebouwd. In de tweede helft slaat het verlangen steeds vaker om in lust en speelt seks een grote en openlijke rol. De zesde afdeling heeft dan ook de titel ‘dyn flibe is lekker waarm en fris’. Maar in de zevende afdeling ‘kom werom, leaf famke’, neemt de dichter weer gas terug en worden de gedichten aangrijpender, omdat de dood daarin een grote rol speelt. Een van de aangrijpendste gedichten is ‘Jobstiding’. Daarin wordt een geliefde getroffen door een tumor. De dichter durft ook hier weer eerst een clichédialoogje aan:

hast it net fertsjinne, sei ik

net ien fertsjinnet it, seidesto

Dat cliché kan hier zo goed gebruikt worden, omdat er een sterk dramatisch vervolg komt:

hiest gelyk fansels, mar o God
wat binne der in protte
by wa’t it minder ûnrjochtfeardich west hie

Het gedicht eindigt met de prachtig indringende strofe:

yn de maaitiid kaam dat smoarge geswel werom,
tagelyk mei de lamkes yn it lân,
tagelyk mei de bledsjes oan de beammen,
tagelyk mei de sêfte wyn út it suden

De tragiek van die laatste drie regels!

De Schiffart gebruikt dan niet veel poëtische middelen, maar de weinig gebruikte middelen zet hij wel uiterst effectief in. Hyperbolen bijvoorbeeld of ironie. Daarin ligt onder andere de grote kracht van deze gedichten. De ondertitel van dit poëziedebuut luidt: ‘Leafdesgedichten dy’t it bestean wat lichter meitsje’. Dat is precies wat deze hommage aan de vrouw, de liefde, aan verliefdheid en verlangen doet. Voorwaar geen geringe prestatie.

 

schiffartwatitisombangtewezenSipke de Schiffart – Wat it is om bang te wêzen (2012)

In 2006 zat ik voor het derde jaar in de jury van de Rely Jorritsmaprijs. Zoals gewoonlijk was de jury niet erg tevreden over het niveau van de inzendingen, maar er waren uitzonderingen. Over het verhaal ‘Toe Sippy ju!’ fan Sipke de Schiffart was de jury juist bijzonder te spreken. Als juryvoorzitter mocht ik de eerste versie van het juryrapport schrijven en over het verhaal van De Schiffart werd dat het volgende. “Het verhaal grijpt de lezer in de eerste zinnen al bij de strot. ‘Wat is it fijnste, alderfijnste wat der is? Ien de kiel taknipe!’ Met deze woorden vallen we pardoes in de woede van de hoofdpersoon, Sippe Bootsma, ‘njoggenentritich jier, wurkleas, gjin frou, gjin bern en gjin freonen.’ En ‘in man mei in ferline’. Dat trieste verleden wordt helder en bijna luchtig verteld, dat wil zeggen, het verleden zoals dat zich in eerste instantie in Sippes herinnering heeft vastgezet. Beetje bij beetje komt de verdrongen waarheid bij Sippe naar boven en dan komt ook het plan voor wraak: Sippe zal het kwaad met wortel en al uitroeien. Wat er gebeurt en wat er gebeurd is, de drijfveren, de escalatie en de tweestrijd zijn prachtig verwerkt en meesterlijk in modern Fries verteld. In het laatste hoofdstukje is de verbinding van 1974 met 2006 (het WK voetbal) mooi uitgewerkt en hoewel de ontlading aan het eind totaal is, weet de lezer niet hoe de geschiedenis afloopt. Een bijzonder knap verhaal.”

Bij herlezing van dit verhaal, ruim zes jaar later, ben ik nog steeds dezelfde mening toegedaan. Het verhaal herlas ik omdat het is opgenomen in het debuut van Sipke de Schiffart (1959) in boekvorm, de verhalenbundelWat it is om bang te wêzen, samen met negen andere verhalen. Bij die verhalen zit nog een verhaal dat de Rely Jorritsmaprijs kreeg, in 2010 was dit zelfs de enige inzending die in de prijzen viel. De twee bekroonde verhalen werden gepubliceerd in het literaire tijdschrift Hjir; ook vier andere verhalen werden eerder gepubliceerd in Hjir of Ensafh. Verrassend kan deze verhalenbundel dus niet echt genoemd worden, hoewel de verhalen stuk voor stuk een behoorlijk verrassend verloop hebben. Natuurlijk weet je na enkele verhalen dat er wel iets verschrikkelijks zal gebeuren of eerder gebeurd is, maar vooral door de subtiele opbouw van de verhalen, is er toch telkens de verrassing.

Gelukkig is het niet alleen de verrassing, die deze verhalen zo goed maakt, al is die een belangrijk onderdeel van de verhalen. Er is veel meer. De Schiffart heeft ook de gave om een personage in een paar halen te schetsen en dat is een belangrijk aspect bij het schrijven van een goed verhaal. Daarbij weet de auteur regelmatig prachtig gebruik te maken van een paradoxale, maar telkens goed geslaagde combinatie van humor en drama.

Het eerste verhaal bijvoorbeeld, het titelverhaal, begint met een humoristische scène: de verlegen jongere broer van een bruid wordt uitgenodigd om tijdens het huwelijksfeest te speechen. Hij vlucht de wc-ruimte in, achtervolgd door jolige en al halfdronken feestgangers en sluit zich op in een wc-hokje. Scènes waarin de feestgangers door de gesloten deur naar de beklagenswaardige jongen allerlei zogenaamde geestigheden roepen en met elkaar bespreken, worden afgewisseld met beschrijvingen van het weinig vrolijke leven van de extreem verlegen jongen. Wat dat betreft zou je kunnen zeggen dat de hel die dat allemaal oproept, gecombineerd met het laffe en al spoedig helemaal niet meer leuke leedvermaak in de wc-ruimte de akelige ontknoping helemaal niet zo verrassend meer maakt. Aangrijpend is het dan nog wel.

Het verhaal over een begrafenisganger begint uitermate humoristisch, zeker voor iemand die wel tegen een beetje zwarte humor kan, maar in feite is het een droevig verhaal over iemand die er plezier aan beleeft om begrafenissen af te lopen, van bekenden maar vooral ook van onbekenden. Het derde verhaal begint direct al wat grimmiger en niet alleen door de voorspellende titel ‘De lêste simmer fan Sikke Monsma’. In dat verhaal leren we Sikke kennen als een gefrustreerde jongeman die op een warme zomeravond erop uitgaat om hard te lopen, terwijl de meeste mensen binnen blijven omdat er een belangrijke voetbalwedstrijd op tv is. Hij fantaseert, ‘ondanks zijn zachtmoedige karakter’, dat op dat moment alle tv-toestellen ontploffen, zodat iedereen die ernaar zit te kijken omkomt. De ontmoeting met een jonge vrouw met prachtige benen vergroot de frustraties van deze Sikke alleen maar. Weinig humor dit keer, maar wel weer een indringend verhaal, met prachtige details.

Voordat het noodlot toeslaat in het vierde verhaal biedt dat vlak na het begin een prachtig beeld van een man en een vrouw die elk aan een kant van een weg lopen. De hoofdfiguur van dit verhaal (na een Sikke in het derde en een Sippe in het vierde verhaal nu een Sibe) wordt vrij letterlijk per ongeluk een dichter die als een komeet omhoogschiet en na de Rely Jorritsmaprijs, de Fedde Schurerprijs en de Gysbert Japicxprijs een publiek figuur wordt. Omdat hij zijn muze niet terugvindt, wordt hij niet gelukkig, ondanks het bijna sprookjesachtig verhaal.

Het zesde verhaal is met zijn 42 bladzijden het langste, het zevende misschien wel het ontroerendste verhaal. Dat zijn overigens de enige verhalen die een ik-figuur als hoofdpersoon hebben. Het verhaal ‘Ferrassing’ valt op omdat het grootste deel bestaat uit een chatgesprek tussen ene Harry die op zoek gaat naar een nieuwe geliefde en zich op een datingsite Casanova noemt, en iemand die zich ‘Ferrassing’ noemt. Niet gek dat het verhaal niet afloopt zoals Harry zich voorstelt. De chat heeft wel iets intrigerends, toch vind ik dit verhaal het minste in deze prachtige verhalenbundel.

In de meeste verhalen gaat het om een gefrustreerde (jonge)man die tevergeefs verlangt naar de liefde van een voor hem onbereikbare vrouw. Dat is uiteraard geen opzienbarend thema. De manier echter waarop deze auteur van zo’n cliché een boeiend en verrassend verhaal weet te maken is wel opzienbarend. In het Nederlands las ik in 2012 verrassend goede verhalen in de debuutbundel van Annemarie de Gee. Sipke de Schifffart doet daar met deze Friese verhalenbundel bepaald niet voor onder. Sterker nog: ik moet mijn lijstje van beste Friese boeken van 2012 na de valreep alsnog herzien: Wat it is om bang te wêzen moet daar op, en nog heel hoog ook. (januari 2013)