Obe Postma

postmaObe Postma – Samle fersen Mei in ynlieding fan Philippus Breuker. Besoarge troch Tineke Steenmeijer-Wielenga (2005)

In 1949 verscheen de eerste Samle fersen van Obe Postma (1868-1963), in 1978 een nieuwe uitgave, in de Holder-rige, met uiteraard ook werk dat na 1949 verschenen was. Voor een nieuwe versie van Postma’s ‘Verzamelde gedichten’ zijn verschillende redenen. Ten eerste zijn in de uitgave van 1978 enkele gepubliceerde gedichten niet opgenomen en evenmin een aantal later in handschrift gevonden gedichten. Verder is in 1980 de Friese spelling aangepast, maar vooral is sinds 1978 de Postma-studie in een stroomversnelling terecht gekomen. Van de publicaties die Philippus Breuker na zijn inleiding bij deze nieuwe uitgave in de literatuurlijst opneemt, is meer dan tweederde van na 1978. Een ongewijzigde herdruk van de uitverkochte uitgave van 1978, met de gedateerde inleiding van D.A. Tamminga, ligt dus niet voor de hand, zo meende ook de nieuwe redactie van de Holder-rige terecht.

Dat Obe Postma een belangrijk Fries dichter geweest is, behoeft geen betoog. In het voorwoord van de Spiegel van de Friese poëzie (1994) zegt Teake Oppewal dat Postma een poëtisch oeuvre opgebouwd heeft “dat als het belangrijkste kan worden gezien dat in het Fries is geschreven.” In 1997 verscheen een Fries-Nederlandse bloemlezing van Postma’s gedichten, door Philippus Breuker gekozen en vertaald door Japik Veenbaas. Vorig jaar verscheen een bloemlezing uit de gedichten van Postma, voorafgegaan door vier opstellen over diens werk van Abe de Vries. Maar de ‘Verzamelde gedichten’ waren al lang niet meer te krijgen.

In een ‘Verantwoording’ bij deze Samle fersen legt Tineke Steenmeijer onder andere uit dat de nieuwe uitgave ook aangegrepen is om de poëzie van Postma anders te rangschikken; in twee afdelingen, namelijk oorspronkelijk werk en vertalingen. Om het verband tussen het oorspronkelijke werk en de vertalingen in hun tijd van ontstaan niet verloren te laten gaan, zijn sommige gedichten zowel binnen de bundel waarin ze oorspronkelijk gepubliceerd zijn, als in de afdeling ‘vertalingen’ opgenomen. Het gaat hierbij om een stuk of tien gedichten. De bundels zijn uiteraard chronologisch gerangschikt, de vertalingen staan soort bij soort (vertalingen van Emily Dickinson, Rilke, uit het Nederlands, uit het Amerikaans enzovoort). Over de taal merkt Steenmeijer op dat de gedichten omgezet zijn in de spelling van 1980, maar (gelukkig) wel met handhaving van Postma’s karakteristieke schrijfwijze van een aantal woorden.

De inleiding van Philippus Breuker is een kleine monografie op zich. Daarin vat hij eerst de stand van het huidige onderzoek naar de poëzie van Postma samen. Na een korte biografie van de dichter volgt een inleiding over diens poëzie. Bewust heeft Breuker afgezien om aandacht te besteden aan de invloed van Postma op de Friese literatuur en de literaire betekenis van Postma. Dat zou een aparte studie vereisen, en dat lijkt me een juiste vaststelling.

Het samenvatten van de Postma-studie doet Breuker kort en adequaat. Hij zet het begin van die studie in 1953 als Sierksma voor het eerst het psychisch-monisme van Heymans als filosofische bron voor Postma’s poëzie aanwijst. Met onder andere Abe de Vries (in 2004) zet Breuker daar wel wat vraagtekens bij; hij noemt zelf het neo-kantianisme, terwijl De Vries de levensfilosofie van Postma via Bergson invult. Diverse critici hebben op het gebied dan de interpretatie van Postma’s gedichten bijdragen geleverd. Modern onderzoek ging ook uit naar taal- en woordgebruik, naar diverse soorten poëtica’s en naar homoseksuele invloeden in de gedichten.

Een belangrijk onderdeel van de biografische schets is de vraag hoe een wiskundeleraar van boerenkomaf dichter werd. Breuker wijst onder andere op Postma’s haast rusteloze belangstelling voor zowel wis- en natuurkunde als Friese geschiedenis, Friese en Nederlandse literatuur en niet in de laatste plaats voor filosofie. In dat verband is volgens Breuker de vriendschap met de filosoof/arabist/historicus/theoloog Tsjitse de Boer van belang, via wie Postma onder ander de dichter Boutens gesproken heeft. Ook het neo-platonisme en later Nietzsche en de levensfilosofie hebben hem gevormd. Vervolgens speculeert Breuker over de directe drijfveren van Postma om te gaan dichten. Speculeren, ja, want Breuker is daar erg voorzichtig: ‘mooglike motiven’, ‘it kin ek wêze’, ‘sil wol’, ‘it kin net oars of’, ‘wurdt ek wol as faktor neamd’ en nog eens ‘it kin hast net oars’. En dat allemaal op één A4’tje. De conclusie van al die, wel zoveel mogelijk aannemelijk gemaakte, speculaties is dat Postma is gaan dichten uit gemis, waarbij Breuker onder andere ook wijst op de vele gedichten van Postma over overleden personen.

Even verderop in de inleiding wijst Breuker op de ‘diepe sporen’ die de studie van de Friese geschiedenis in de gedichten van Postma heeft achtergelaten. Dat komt terug in het deel van de inleiding dat over de poëzie van Postma gaat. Vooral dat deel, verreweg het grootste deel van de inleiding, lijkt me zeer geslaagd. Het geeft een uitvoerig beeld van het poëtische oeuvre van Postma dat niet in een paar regels samen te vatten is, hoewel Breuker dat in een ‘Ta beslút’ lijkt te proberen.

Al met al een uitvoerige, verhelderende en dus geslaagde inleiding bij een (brood)nodige heruitgave van de verzamelde gedichten van een groot Fries dichter, met een keurige verantwoording, literatuurlijst, alfabetisch register op beginregels, plus een inhoudsopgave waarin ook vermeld wordt waar en wanneer de gedichten voor het eerst gepubliceerd zijn.

’t Hat west, it is: de aktualiteit fan Obe Postma. Spesjaalnûmmer Trotwaer (1997)

Naar aanleiding van de verschijning van het schrijversprentenboek over de grote Friese dichter en van een bundel met Nederlandse vertalingen van de gedichten van Obe Postma (1868-1963), plus het feit dat vijftig jaar geleden deze dichter de eerste Gysbert Japicxprijs kreeg, heeft de redactie van het Friese literaire tijdschrift Trotwaer een speciaal, overwegend Friestalig nummer uitgebracht geheel gewijd aan ‘de actualiteit van Obe Postma’. Daarin Friese gedichten van onder anderen Tjits Peanstra en Margryt Poortstra, Nederlandse gedichten van onder anderen Ed Leeflang en Kees ’t Hart, en andere persoonlijke reacties op Postma: enkele negatieve van onder anderen Tine Bethlehem en Jelle Kaspersma, maar meest toch bewonderende stukjes van onder anderen Sjoerd Bottema, Reinhard Verveld en de Nederlanders Gerrit Krol en Bart Tromp. Maar het belang van deze uitgave zit hem vooral in twaalf beschouwingen. Daarbij een belangrijk biografisch artikel over de homoseksualiteit van Postma van Doeke Sijens en artikelen over de beeldvorming rond Postma, over het vertalen van Postma door Jabik Veenbaas, over de invloed van Goethe en Rilke en over Postma als vertaler van Emily Dickinson. Dit speciale nummer opent met een mooi interview met Postma-kenner Philippus Breuker.(1997)

postmaskriuwersynbyldObe Postma – Obe Postma (1868-1963) Skriuwers yn byld, diel 6 (1997)

Dit zesde deel in de reeks ‘Skriuwers yn byld’ is een voorbeeldig schrijversprentenboek van de Friese dichter Obe Postma (1868-1963), samengesteld door Andrys Stienstra, Tineke Steenmeijer en Ph. H Breuker. Postma, aanvankelijk wiskundige, later deskundige op het gebied van de Friese historie, dichtte sinds 1900. Belangrijkste inspiratiebronnen waren het Friese (land)leven, andere dichters en vooral later ook een streven naar een ‘hogere eenheid’. Dit alles staat beknopt uitgelegd in de inleiding. Daarna volgen 242 kleine afbeeldingen van Postma zelf, van vrienden en bekenden, van boeken, artikelen, handschriften, van situaties die in Postma’s gedichten beschreven worden, van curiosa als rapportboekjes en natuurlijk ook de oorkonde van de allereerste Gysbert Japicxprijs die Postma in 1947 kreeg. De afbeeldingen worden in korte bijschriften helder en kernachtig toegelicht. Het boek eindigt met een beknopte bibliografie van en over Postma. Een prachtig lees- en kijkboek. (1997)

Obe Postma – Van het Friese land en het Friese leven = Fan it Fryske lân en it Fryske libben Een keuze uit de gedichten vertaald door Jabik Veenbaas; samenstelling en nawoord Philippus Breuker(1997)

Bijna zestig gedichten van Obe Postma (1868-1963) uit het Fries vertaald door Jabik Veenbaas. Niet-Friestaligen kunnen nu niet meer om een van Frieslands grootste dichters heen. Van Postma was al een ruime selectie vertalingen opgenomen in de Spiegel van de Friese poëzie, nu is er terecht een uitgebreide selectie uit de verschillende bundels uitgekomen. De Friese versies naast de vertalingen laten zien dat Veenbaas prima werk geleverd heeft, al geeft het Friese origineel een enkele keer net even beter de zeggingskracht van de dichter weer. Maar dat ligt over het algemeen niet aan de vertaling, maar aan de sfeer die de dichter in een paar woorden zo raak weet te schetsen. De selectie is gemaakt door Postma-kenner Philippus Breuker die ook een informatief nawoord schreef. Daarin een kort overzicht van leven en werk van deze dichter van het Friese land, die door Breuker geschetst wordt als iemand die zichtbare en onzichtbare dingen als een eenheid ziet en dat alles in schijnbaar achteloze woorden vorm geeft. Aantekeningen achterin verduidelijken enkele situaties in de gedichten. (1997)