Josse de Haan


haan-readesnieJosse de Haan – Reade snie en swarte hagelstiennen 2016

Gelukkig publiceert Josse de Haan, de belangrijkste nog levende Friese literaire auteur van de 20e (en inmiddels ook begin 21e) eeuw, de laatste tijd weer vrij regelmatig werk. In 2013 een dichtbundel, in 2014 een roman, begin dit jaar een essaybundel en nu een novelle. Blijkens het naschrift is deze novelle geschreven eind 2010 en begin 2011. Snel gaat het uitgeven van Friese boeken blijkbaar niet.

Volgens de flaptekst (van de uitgever of de auteur zelf?) is deze novelle een ‘alternatieve boerenstadsroman in monoloogvorm’, een genre, zegt de flaptekst vervolgens, dat De Haan toevoegt aan zijn ‘breed literair palet’. Met dat laatste, dat breed literair palet, zal iedereen het eens zijn. In zijn meer dan een halve eeuw bestrijkende auteurschap is De Haan als geen ander literaire experimenten aangegaan. Maar wat is in vredesnaam een boerenstadsroman (zo vertaal ik het Friese “boerestedsroman” maar) en dan ook nog een “alternative boerestedsroman”, ben je geneigd te vragen. Een boerenroman, ouderwets, dus een alternatieve boerenroman, oké, maar dat boerenstadsroman gaat dus nog een stap verder.

Nu zijn over het algemeen flapteksten niet aan mij besteed, hoe ronkender de tekst des te argwanender word ik. En het ergst is het als er te veel verteld of uitgelegd wordt. Ook hier kreeg ik aanvankelijk spijt van het lezen van de flaptekst. Na een citaat uit het boek staat er dat de hoofdpersoon van deze monoloog zich heeft bekwaamd in het wraak nemen op de mannen die ze tegenkomt, want die zijn niets meer dan reptielen. Er overkomt haar hetzelfde als haar moeder, ‘gebruikt worden door een man die andere vrouwen pakt’, maar uiteindelijk wint ze. Voordat de man het door heeft, raakt hij alles kwijt, zoals de vrouwen in dit boek alles kwijt raken, “sels harsels”. Lees ik hier in de flaptekst nou gewoon de afloop van het verhaal? Blijkbaar, en meteen ook maar de thematiek, want het is een verhaal “oer de minne jierren, it tekoart oan jild, de fernederingen, de hypokrysy. En … oer wraak.”

Maar zodra je begint te lezen snap je dat het de auteur niet (alleen) te doen is om een verhaal te vertellen, maar dat het hem speciaal ook te doen is om de manier waarop hij dat doet. En dan is ‘alternatieve boerenstadsroman’ ook nog wel te plaatsen. Want de vrouw vertelt weliswaar in monoloogvorm haar verhaal over haar als miserabel beleefde geschiedenis, maar de oplettende lezer leest ook een ander verhaal. Hoe langer je de monoloog van de vrouw leest, des te argwanender word je tegenover deze vrouw. Hoe eerlijk is de wraak waar ze op uit is? Die argwaan wordt bijvoorbeeld heel subtiel opgeroepen door de manier waarop de vrouw in één lange adem lijkt leeg te lopen in haar monoloog. Op een gegeven moment zegt ze: “It liket wol in bycht dy’t ik hjir fertel.” (p. 104) Maar om duidelijk te maken dat het geen biecht is, herhaalt ze wat ze al een paar keer eerder gezegd heeft: “Mar ik fiel my nearne skuldich oer.” De lezer vraagt zich inmiddels af of die vrouw zich toch niet op zijn minst een klein beetje schuldig zou moeten voelen. Niet eens zozeer over wat haar overkomt, maar wel over de manier waarop ze ermee omgaat en vooral hoe ze erop reageert.

Herhalingen zitten er wel vaker in deze monoloog. Zo legt de vrouw verschillende keren uit dat ze haar ex-man een reptiel noemt. En dan wel een superreptiel, in het verlengde van de aartsreptiel zoals ze haar vader noemt. Ook het feit dat haar zus zes jaar ouder is, noemt de vrouw een paar keer. Geraffineerd laat de auteur hiermee de lezer twijfelen aan wat de vrouw ook een paar keer benadrukt, namelijk dat ze slimmer is dan de mensen denken. Dat denkt ze van zichzelf als klein meisje, als jonge vrouw en nu als de oudere vrouw die ze is. En op het gebied van manipuleren en wraak nemen, is ze inderdaad slimmer, al is sluwer misschien een beter woord, maar verder, op moreel gebied om maar wat te noemen, valt daar nog wel aan te twijfelen.

In haar monoloog zegt de vrouw zich te richten op meisjes en vrouwen die maar al te vaak en te gemakkelijk slachtoffer worden van mannen, de reptielen. Ze is geboren op een boerderij, waar haar moeder meer werkster dan boerin was, en neemt heel bewust afstand van het boerenmilieu zoals zij dat kent. Haar moeder was tweede keus voor de boer met wie ze trouwde, kon het leven op de boerderij niet aan en al helemaal niet als er kinderen geboren worden, waaronder een lichamelijk en geestelijk gehandicapt jongetje, ‘de spast’. Midden in de oorlog wordt de moeder met de kinderen de boerderij uitgezet en geplaatst in een huisje in een dorp vlakbij. Dat gebeurt op het moment dat de moeder zwanger is van de hoofdpersoon van het verhaal die dat ‘dus’ allemaal, onbewust weliswaar, meegemaakt heeft.

Enfin, zo vertelt de vrouw in één vloeiende tirade, in een smeuïge taal die haar op het lijf geschreven is en zo vanaf een toneel gespeeld kan worden, haar levensverhaal met het fiasco van haar eigen huwelijk met de ex-reptiel die schilder is en de ervaringen van haar dochter met een man die muzikant is. Hoewel, één lange tirade … ook hier speelt de auteur een spel door die tirade op te delen in zestien hoofdstukken plus een epiloog. Die hoofdstukken lijken ontstaan te zijn door vrij willekeurig in de monoloog te knippen, al wijst de ondertitel van het boek (niet alleen “alternative boerstedsroman”, maar ook “17 dagen monolooch”) in een andere richting. In de epiloog wordt, en dat lijkt een tikkeltje gemakzuchtig, ook nog eens het raadsel van de aparte titel opgelost.

En zo heeft niet de vertelster, maar de auteur uiteindelijk de touwtjes stevig in handen en wordt deze monoloog van een gefrustreerde vrouw een feest om te lezen.

haan-reedrideJosse de Haan – Reedride op glêd iis 2016

Al zo’n halve eeuw is Josse de Haan (Peins, 1941) bezig met Friese literatuur: in 1962 verscheen zijn eerste publicatie, een gedicht in het literaire tijdschrift quatrebras. In 1968 was hij een van de oprichters van het project ‘Operaesje Fers’, in 1971 verscheen zijn eerste dichtbundel, in 1973 zijn eerste roman. Daarna verschenen met enige regelmaat romans en vooral dichtbundels en schreef hij talloze artikelen waarin hij vooral het literaire experiment beschouwde en propageerde. Pas in 2007 kreeg De Haan de Gysbert Japicxprijs voor het vernieuwende van zijn hele oeuvre, dat zich misschien wel het meest openbaarde in zijn vijfde roman Piksjitten op Snyp (1999).

Reedride op glêd iis is een flinke verzameling verhalend en polemisch proza, poëzie, literatuurkritiek, essays, collages en ‘anarkys’ (visuele poëzie). Het is de vierde bundel waarin dergelijke gevarieerde stukken verzameld zijn, die sinds 2005 (Kastanjes poffe) verscheen. Het werk, dit keer geheel in het Fries, is voor een deel eerder gepubliceerd in boeken of tijdschriften, al dan niet digitaal.

De kwaliteit, of beter het belang van de artikelen, is wisselend en ook de lengte varieert: van anderhalve bladzij herinnering aan een overleden collega tot een vijftig pagina’s tellende analyse van een verzameld werk. Voorbeeld van het eerste is een stukje met wat anekdotes over de in 2001 overleden Hylkje Goïnga, maar het stukje over Trinus Riemersma, overleden in 2011, is niet veel langer of belangrijker. Het langste stuk gaat over het verzameld werk van Tjitte Piebenga dat in 2011 uitgegeven is. De Haan weet in dat stuk tamelijk aannemelijk te maken dat de inleidingen van Joke Corporaal over leven en werk, en van Hylke Tromp over het proza van Piebenga te kort schieten. Daarnaast wijst hij op het belang van Piebenga die met een roman, een novelle en enkele hoorspelen een waardevolle, want eigenzinnige bijdrage aan de Friese literatuur geleverd heeft.

Het eerste hoofdstuk in Reedride op glêd iis is een Friese vertaling van een gedicht van de Mexicaanse schrijver Octavio Paz en die keus is natuurlijk niet toevallig. In Paz komt, zegt De Haan zelf in een toelichting, een groot aantal zaken bij elkaar, zoals de bewuste en on(der)bewuste taal, realiteit en surrealiteit, beschrijvende en beeldende taal, het visuele en rationele van de mens. Talloze malen zie je in deze bundel dat De Haans waardering van literatuur berust op het aspect ‘vernieuwing’ en op bovengenoemde elementen. Soms noemt hij ze iets anders, of vat hij ze op een bepaalde manier samen. Een bundel van Albertina Soepboer is muzikaal, speels en eigenzinnig. Dat laatste woord komt nog al eens terug in besprekingen.

Een bespreking van de dichtbundels die genomineerd waren voor de Gysbert Japicxprijs 2013 begint met opmerkingen over het geringe aantal vrouwelijke winnaars van deze belangrijkste Friese literaire prijs. Daarna noemt De Haan drie auteurs die voor een oeuvreprijs in aanmerking zouden kunnen komen en over elk van hen is ‘een eigenzinnig verhaal’ te schrijven. De Haan schuift daar Jelle Kaspersma naar voren als ‘de meest aparte en speciale’. Ten slotte komt hij bij de genomineerde bundels en hij eindigt met zijn voorkeur: Elske Kampen, vanwege de authenticiteit van haar gedichten en haar compleet eigen stijl en stem. Over niet alle genomineerde bundels heb ik overigens dezelfde mening als Josse de Haan, maar wel over wie toen de Gysbert Japicxprijs had moeten krijgen.

Soms nogal ontluisterend zijn de hoofdstukken waarin Josse de Haan zijn ondervindingen met enkele recensenten van zijn werk en met literaire instanties in Friesland beschrijft. Al eerder schreef hij over de uiteenlopende reacties op zijn meesterwerk Piksjitten op Snyp (1999). Pijnlijk duidelijk maakt hij dat niet iedereen zich ook weer bij het tot stand komen van de Nederlandse vertaling (Kikkerjaren, Meulenhoff, 2001) van zijn beste kant heeft laten zien. Forse kritiek heeft De Haan (en hij staat daarin bepaald niet alleen) op het hoofdstuk over de moderne Friese literatuur in Zolang de wind van de wolken waait (2006) dat een standaardwerk over de geschiedenis van de Friese literatuur had moeten worden. Allerlei betrokkenen gaven aan zich deze kritiek ter harte te nemen en bij een eventuele herdruk het hoofdstuk nader te bekijken, maar het boek werd zonder enige correctie of aanvulling integraal op internet (DBNL) gepubliceerd.

In de vorige verzamelbundel stond al een artikel waarin De Haan zich druk maakte over de wonderlijke en in zijn ogen verwerpelijke machinaties rond de Franse en Nederlandse vertaling van de novelle Leafdedea (oorspronkelijk uit 1963) van Homme Eernstma (pseudoniem van baron Van Heemstra). In hoofdstuk 8 van Reedride op glêd iis komt hij daar nog eens op terug en geeft onder andere voorbeelden van de manier waarop passages in het Frans en het Nederlands vertaald zijn. Zo naast elkaar gezet is het niet moeilijk om forse kritiek op de vertalingen te hebben. Het is wel jammer dat De Haan hierbij niet of nauwelijks de rol van de auteur betrekt waarop de vertaalster zich in artikelen en brieven beroept. Is het weglaten van het laatste hoofdstuk nu echt een doodzonde van de vertaalster of is dat min of meer in opdracht van de auteur gebeurd? Dat maakt namelijk nogal een verschil, ook al vind je zelf dat oorspronkelijke einde veel beter in overeenstemming met de aanvankelijke bedoeling van de auteur.

Centraal in het boek staan de ‘anarkys’, de visuele gedichten. Hoofdstuk 18 (van de 36) toont er veertien die mooi in kleur zijn afgedrukt. Deze anarkys maakte De Haan in de jaren negentig. Hierbij had ik graag het artikel gezien waarin De Haan de procedure en denkwereld achter de anarkys (‘anarchistische kiekjes’) beschrijft. Nu blijven ze te veel hangen in mooie plaatjes, wat, neem ik aan, niet alleen maar de bedoeling is. Ook is het onduidelijk wat de formaten van de originele versies zijn. Soms is met een vergrootglas een met pen geschreven tekstje op een anarky te lezen, waaruit bijvoorbeeld valt op te maken voor wie het kunstwerk gemaakt is. Niet onbelangrijk, zoals bij de laatste anarky, waarop ‘foar Willem’ te lezen is, en waar een beetje kenner/liefhebber van Friese literatuur titels in herkent van werk van Willem Abma (De roekkat, De brek).

Naast deze visuele poëzie staat er ook ‘gewone’ poëzie in deze verzamelbundel: 37 gedichten zijn opgenomen, verdeeld over vier hoofdstukken. In hoofdstuk 9 staan drie gedichten onder de titel ‘in swel op reis’ (een zwaluw op reis), opgedragen aan de Friese dichteres Baukje Wytsma. In langgerekte gedichten (regels van één tot hooguit en bij uitzondering zes woorden) die geraffineerd opgebouwd zijn, weet de dichter een mooi ingehouden soort verliefdheid te beschrijven. Acht gedichten (waaronder een anarky uit 2014 en een gedicht uit 1980 uit de Leeuwarder Courant) staan in hoofdstuk 23 en hoofdstuk 32 bevat twaalf gedichten. Bij de eerste vijf gedichten in dat hoofdstuk, die allemaal met Peins te maken hebben staan foto’s van oud-Peins en in de cyclus van drie gedichten over Peins weet de dichter moeiteloos een uitdrukking van zijn opa met een dada-gedicht van Theo van Doesburg te verbinden. Het laatste hoofdstuk bestaat uit veertien gedichten, culminerend in een tweeluik voor de geliefde van de auteur en als toegift een gedicht voor een kleindochter van veertien met als slotstrofe:

dûnsjend fan juster hjoed nei moarn
soms opfytsend tsjin in fûle stoarm
oant de sinne laitsjend de dei begjint*

Er staan twee niet eerder verschenen verhalen in deze bundel. Het eerste en kortste (hoofdstuk 4, vier bladzijden) heet ‘Wachtsje’. Het gaat over een man die in de tweede persoon (‘do’) over zichzelf spreekt en zich wel eens Adam noemt. Zijn echte naam is hij kwijt omdat niemand die meer gebruikt, want hij mijdt iedereen. ’s Nachts slaapt hij nauwelijks, wacht en vult de tijd met toevallige beelden die hem verschijnen. Veel vrouwen duiken op en allemaal zijn ze een substituut van Anna, zijn droomvrouw. (Over de naam Anna, of liever de ‘vrouw Anna’ in het werk van Josse de Haan zou iemand zich eens moeten buigen!) Achter het verhaal plaatst De Haan een kort commentaar. Eigenlijk wel jammer, want hij legt daarin allerlei zaken uit die een goede lezer zelf ook wel uit het verhaal zou moeten kunnen halen. Ook in het tweede verhaal (hoofdstuk 25, twaalf bladzijden) is er een Anna die het leven van een man bepaalt. De hoofdpersoon (een ‘hy’) moet op latere leeftijd steeds vaker aan Anna terugdenken. Heel sterk bijvoorbeeld op het moment dat hij geïnterviewd wordt voor de radio en de interviewster hem aan Anna doet denken. In dit verhaal zitten, zoals ook in het eerste, zowel betoverend poëtische beelden als een spannende erotische lading.

Net als de vorige verzamelbundel is Reedride op glêd iis een heerlijk bonte verzameling van nogal uiteenlopend materiaal: vertaalde poëzie, eigen poëzie, visuele gedichten, nieuw proza, literatuurhistorische artikelen van divers pluimage (over Joop Boomsma bijvoorbeeld of over het tijdschrift quatrebras), diverse recensies (onder andere over Jitske Bilker en Piter Boersma) en nog meer, zoals een artikel over het Guggenheimmuseum in Bilbao of over de Rijkskweekschool in Leeuwarden. Het geheel oogt misschien wel wat chaotisch, enige logica in de volgorde van de opgenomen stukken heb ik niet ontdekt, maar dat is ook niet erg. Wel storend is dat niet altijd een duidelijke bron vermeld wordt. Ook kun je je afvragen waarom prima toegankelijke artikelen (op de website van het literaire tijdschrift ensafh bijvoorbeeld) hier herdrukt zijn, terwijl er, volgens De Haan zelf in zijn voorwoord, in het beperkt uitgegeven eenmanstijdschrift iP2r90 Rendez-Vous zoveel belangrijk literair historisch werk staat. Of is dat nu allemaal herdrukt?

*dansend van gister vandaag naar morgen
soms tegen een zware storm in fietsend
tot de zon lachend de dag begint

(februari 2016)

haanjossede-frou_mei_mandolineJosse de Haan – Frou mei mandoline op sofa. Oantekens oer skriuwen, oerlibjen en in hôf fan Eden. Roman (2014)

Josse de Haan (1941) staat, sinds het overlijden van Trinus Riemersma (1938-2011), op eenzame hoogte in de Friese literatuur. Zoals het in de Nederlandse literatuur jongere schrijvers maar niet lukte om op hetzelfde niveau te komen als Hermans, Reve en Mulisch, zo lukt het in Friesland jongere schrijvers maar niet om hetzelfde niveau te halen als Riemersma en De Haan. Misschien is dat zelfs ook wel moeilijker, want zowel Riemersma als De Haan bleven zich ook bij het klimmen der jaren telkens vernieuwen, waar we de ‘grote Nederlandse drie’ nauwelijks op kunnen betrappen.

De Haan publiceerde de laatste jaren poëzie en essays en nu is er gelukkig ook weer een nieuwe roman, Frou mei mandoline op sofa. De vrouw uit de titel is niet de hoofdpersoon van deze roman, maar wijst de lezer wel de weg naar het interpreteren van het boek. Ook de ondertitel geeft een duidelijke hint: ‘oantekens oer skriuwen, oerlibjen en in hôf fan Eden’. De hoofdpersoon is een niet met name genoemde man die bijna wanhopig de liefde zoekt: “Jin hechtsje oan in frou – oan syn freondinne op in stuit – wie deagewoan leafde foar immen fiele, en dêrfoar heel wat oerhawwe. Foar him wie dat gjin utopy, mar stomwei it libben” (p.196). En daar horen bij het uitwisselen van ideeën en fantasieën, maar ook ontwikkeling, naast een gevoel van veiligheid, geborgenheid en tegelijkertijd van ruimte en vrijheid. Dat is nogal wat, maar het ergste is dat de hoofdpersoon daar al jarenlang niet bij in de buurt gekomen is, vastzittend in een steeds benauwder wordend huwelijk en een te weinig inspirerende werkkring. De ‘hij’ beschrijft als 67-jarige een deel van zijn leven, met de nadruk op de periode van de scheiding en het beëindigen van zijn baan in de jaren tachtig.

Een groot deel van het boek gaat dan ook over het proces van losmaken; losmaken uit de verstikkende relatie en het uiteindelijk verlaten van het onderwijs waar hij 35 jaar in gewerkt heeft. Beide zaken gaan niet van een leien dakje, maar vooral het verbreken van de relatie gaat met problemen gepaard. De ex is er alleen maar op uit om hem zwart te maken en hem, vooral ook financieel, kapot te maken met een buitenproportionele claim die door de rechter ook toegewezen wordt. Dat heeft nogal wat invloed op de hoofdpersoon en trouwens ook op de lezer. Uitentreuren en bij veel herhaling, tot vervelens toe, lezen we tirades van de man daarover. Dat gaat met ferme woorden gepaard, vaak cynisch en soms met zwarte humor, in de trant van: “De pearse ekstreme frouljeslobby hie sa’n macht krigen dat manlju dy’t skiede woene mar in pear mooglikheden litten waarden – selsmoard, in dizeniche baan sykje, of gewoan betelje en op in houtsje bite. De bern fermoardzje wie ek in opsje – om it wiif yn de siele te reisjen [sic]. Guon manlju diene soks yn wanhoop.” (p. 38)

Je hoeft niet erg in de Friese literatuur ingevoerd te zijn om te zien dat de hoofdpersoon op zijn minst trekken heeft van de auteur zelf. Net als Josse de Haan is de hoofdpersoon geboren in 1941 en hij heeft vergelijkbare onderwijservaringen en meningen daarover; hij is schrijver, met een voorkeur voor het surrealisme en bewondering voor vaak dezelfde auteurs als De Haan en soms zijn er toespelingen op diens werk, zoals de slotzin van hoofdstuk 8, “Ienris soe it geeffike pearse gers groeie”, verwijst naar een dichtbundel van De Haan uit 1987. Een bevriende schrijver heet ‘Tr[inus Riemersma], en ongetwijfeld is er meer aan te wijzen, zoals woonplaatsen die met een initiaal worden aangeduid. Maar pas op: niet voor niets is dit boek niet in de ik-persoon geschreven, maar lezen we het verhaal grotendeels via een hij-personage. En een enkele keer waarschuwt de auteur zelfs met een knipoog dat hij bepaald niet altijd samenvalt met de hoofdpersoon: de ‘hij’ heeft het op een gegeven moment over de bijna onmogelijkheid om een geluksgevoel te beschrijven: “In skriuwer hie it yn De Lytse Dea soms ferdomd goed beskrean. Neffens him.” Genoemde titel is de titel van een dichtbundel van De Haan uit 1996.

Josse de Haan is bepaald geen schrijver van ‘verhaaltjes en romantische rimram’ en dat wil de hoofdpersoon ook niet zijn. Gemakkelijk is dat niet, zoals het begin van hoofdstuk 18 laat zien. In vertaling: ‘Schrijven betekende het onder woorden brengen van beeld en gedachte, en wel op zo’n manier dat er een correlatie ontstond tussen wat in letters op papier kwam en wat gezien werd – buiten op straat, of aan de binnenkant van de kop, in de vorm van innerlijke monologen. Vooral wat niet te zien was moest naar voren gebracht worden, omdat daar de spanning en het toevallig verrassende elkaar ontmoetten. (…) Echtheid was hier het juiste woord.’ Foto’s zouden daar soms bij kunnen helpen, maar de werkelijkheid moet ook weer niet te dichtbij komen. Aan het einde van het hoofdstuk wordt de hoofdpersoon aangesproken op gedichten die hij aan zijn geliefde opgedragen heeft. Wordt het dan niet te anekdotisch, vraagt iemand hem. “Boppe dy gedichten stie allinnich foar Maria – ‘der binne hiel wat Maria’s’ hie er sein”(p. 66).

Het is duidelijk, ook zonder de ondertitel zou de lezer al snel door hebben dat Frou mei mandoline op sofa ook over schrijven (en taal) gaat. Niet voor niets citeert de ‘hij’ bij vlagen gedichten, bijvoorbeeld omdat in een gedicht ‘werelden van verschillende liefdes’ beschreven kunnen worden, of omdat ‘een dichter’ in een conceptueel gedicht de herinnering aan een ware liefde wist te beschrijven (een gedicht van Josse de Haan zelf, op p. 103) of omdat een dichter in taal kan beschrijven wat anders alleen in schema’s en formules beschreven kan worden.

Daarbij komt dan nog dat het hoofdpersonage zich als schrijver voortdurend afvraagt welke plaats het schrijven in zijn leven inneemt en hoe hij daar gestalte aan kan geven. Een van de zaken waar hij mee worstelt, is het besef dat niet altijd duidelijk is wat precies feit is en wat fictie. Taal schiet, aldus het hoofdpersonage, al gauw tekort, omdat het voor vertekening zorgt en zelfs schade berokkent. ‘Zodra een feit op papier kwam, werd het fictie’. Uitgangspunt daarbij is het zuivere waarnemen, maar dat valt niet mee, aangezien je te maken hebt met het ‘doelloze tegenwoordige’. Meer dan eens wordt een parallel gezocht met de (schilder)kunst: “Yn feite wie Piet Mondriaan mei syn flakken en linen mei itselde dwaande – de ûnderfining fan it doelleaze tsjinwurdige” (p. 54). Een van de problemen daarbij is het verraderlijke van de tijd die vervreemdend kan werken: “As hy weromgong nei 1951, doe’t hy tsien wie, no op syn 67e, beskreau er yn taal in tiid dy’t doe net sa yn taal beskreaun wie.” Bovendien kan een auteur gemakkelijk de werkelijkheid van een maand op papier samenvatten in een dag. De Haan laat daarbij het hoofdpersonage een mooi (voor)beeld bedenken door een foto van zichzelf als zesjarige te leggen naast een foto van zijn moeder als zesjarige: “Jo seagen nei in foto fan Jo mem doe’t se in jier of seis wie, en fan Josels – elk seis jier. (…) It dûbelsinnige fan dy foto fan dat famke en dat jonkje – skynber boartersgenoaten – kaam yn it skriuwen werom. Yn keunst yn it algemien” (p. 62).

Op de achterflap van het boek wordt ‘de vernietigende maar tegelijk ook inspirerende werking van erotiek en liefde’ als een centraal thema in het oeuvre van De Haan genoemd. Dat is zeker in deze roman ook het geval. De hoofdpersoon raakt in een vechtscheiding en is in een nieuwe, moeizaam lopende relatie op zoek naar de ware liefde en op menig pagina staan heerlijk zinderende erotische passages. Maar er is veel meer aan de hand in dit boek. Zo wordt het verhaal van de hoofdpersoon verteld in 51 korte hoofdstukjes van één tot vier bladzijden. Tussen die genummerde hoofdstukjes door staan telkens tussen twee hartjes geplaatste en in cursief lettertype gedrukte hoofdstukjes van ongeveer een bladzijde. De hoofdpersoon van deze tussenstukjes lijkt soms wel dezelfde als de hoofdpersoon van het hoofdverhaal, maar is soms ook een vrouw, en het komt ook voor dat het niet direct duidelijk is wat zo’n tussenstukje met dat hoofdverhaal te maken heeft.

Zowel voor- als achterin het boek geeft de auteur aan dat hij voor die stukjes fragmenten gebruikt van tien schrijvers (onder wie Nathalie Sarraute, Georges Perec, Eugène Ionesco en Piter Boersma) uit vijftien verschillende werken, die ‘een alternatief beeld geven op de hoofdstukken waar ze tussen staan’. De Haan gaat hierbij nog een stapje verder dan in zijn vorige roman, Elja (2006), waarin fragmenten uit vier Franse romans verwerkt waren. Het vergt van de lezer heel wat inspanning om, als hij dat al zou willen, te traceren aan wie of wat welke stukjes ontleend zijn, maar, en dat is veel belangrijker, soms ook wel om goed zicht te krijgen op wat hij met bepaalde tussenfragmenten moet. Een uitdaging is dat zeker wel!

De titel van de roman heeft te maken met een schilderij dat de Duitse expressionistische schilder Max Beckmann in het jaar van zijn dood (1950) maakte: ‘Frau mit Mandoline in Gelb und Rot’. Voor de hoofdpersoon biedt dat kunstwerk hoop, schoonheid en plezier en dat is iets waaraan hij in de beschreven, roerige periode van zijn leven behoefte heeft. Als hij het schilderij ziet, wil hij erin kruipen, ‘niet alleen in het zichtbare, maar ook in het onzichtbare’. In het schilderij bewondert hij de kracht van de vrouw die wel haar lichaam toont, “har titen, har werklik prachtige skonken en earmen”, maar door haar gezicht af te keren van de toeschouwer juist wil laten zien dat ze meer is dan een seksbom, waardoor ze juist des te aantrekkelijker wordt. De kracht van het schilderij van Beckmann zit hem in het feit dat achter de mooi geschilderde façade het echte schilderij zit. Mutatis mutandis geldt dit natuurlijk ook voor (echte) literatuur en zeker voor deze roman.

Over deze nieuwe roman van Josse de Haan is dus nog veel meer te zeggen. Over het mooie omslag, bijvoorbeeld, een variatie van Monique Vogelsang van het schilderij van Max Beckmann, of over de opdracht en het ‘naspel’ waarin de Deésse (Citroën DS) de hoofdrol speelt. Er kan gewezen worden op de duidelijk in het boek aanwezige maatschappijkritiek. Het onrecht dat door de rechterlijke macht bij een scheiding bewerkstelligd kan worden, komt nadrukkelijk aan de orde, maar er worden ook diverse schimpscheuten naar andere maatschappelijke instanties uitgedeeld. Naar het onderwijs herhaaldelijk, en een ziekenhuis wordt een ‘industrieel centrum voor gezondheid’ genoemd, een instelling die ‘lichamen onderzoekt en kan repareren’. Er valt ook een hoop te zeggen over paradoxen en tegenstellingen in het boek, zoals daar zijn het esthetische tegenover het erotische of het innerlijke tegenover het uiterlijke. Een mooi voorbeeld daarvan is een passage waarbij een beschrijving van een idyllisch tafereel op een schoolplaat van Cornelis Jetses nogal contrasteert met de ruwe verhaalwerkelijkheid.

Kortom, met één keer lezen van dit boek ben je er niet, maar het is bepaald geen ramp om Frou mei mandoline op sofa te herlezen. Dat is de kracht van een roman van een schrijver als Josse de Haan die meer wil en kan dan alleen een goed verhaal schrijven.

(juli 2014)

haanjossede-readebus-kopieJosse de Haan – Reade bus yn magysk lânskip (2013)

Reade bus yn magysk lânskip is een mooie kleine uitgave van uitgeverij Perio in Leeuwarden, doeltreffend eenvoudig en smaakvol vormgegeven door Richard Bos. Op de voorkant, en op de eerste pagina’s is een rode bus te zien op het jonge ijs in een plattelandsomgeving. Tenminste, in de Friese versie. In de Nederlandse versie staat een rode bus op gedroogde klei en in de Engelse uitgave staat de bus op een wat bemost tegelpad. Het is duidelijk dat de bus in al deze gevallen op een wat onwerkelijke plek staat en die onwerkelijkheid wordt nog versterkt doordat niet een echte bus, maar duidelijk een speelgoedbus afgebeeld is.

Zo’n onrealistische voorkant is natuurlijk geen toeval. De dichter van het werk, Josse de Haan, afficheert zich nadrukkelijk als een surrealistisch dichter en dat is in dit bundeltje, mede door de verschillende voorkanten, ook weer te zien. Om meteen maar gerust te stellen: dat levert helemaal geen onbegrijpelijke poëzie op, integendeel. In twaalf gedichten wordt een ‘busreis’ beschreven die de ‘ik’ samen met de busconductrice ANNA maakt. Het is een papieren, gefantaseerde reis met BUS-201:

BUS-201, de konduktrice en ik gean’ op reis
wy wenje yn de wurden dy’t ik skriuw
en ride nei stêd en doarp dy’t ik sjoch en skep.

De dichter heeft dan in zijn openingsregels al ‘gewaarschuwd’ dat het gaat om beelden die soms opgevangen en opgeslagen zijn in woorden. Het is overigens de bus zelf die de reiziger (lezer) uitnodigt mee op reis te gaan: ‘reizgje mei my, ik bring Jo de wrâld oer’.

De argeloze en vooral de wat jongere lezer heeft wel enige voorkennis nodig: niet iedereen kent het verschijnsel busconductrice uit de jaren vijftig van de vorige eeuw, met een kaartjesautomaat op de buik waaruit de kaartjes konden worden gedraaid. Zonder die voorkennis worden sommige regels surrealistischer dan nodig is:

de konduktrise toveret út har nâle in kaartsje
dat ik bewarje as in hillich ikoan fan ANNA
tútsje it en spikerje it fêst boppe myn bêd**.

Ook lang niet iedereen zal weet hebben van de rode LAB-bussen die in die tijd in Friesland reden. In mijn hoofd ‘vertaal’ ik dat overigens met de groene Naco-bussen die destijds in Noord-Holland reden, maar daar past eigenlijk niet zo’n sexy conductrice bij.

Die conductrice heeft de ik-figuur in zijn jeugd behoorlijk het hoofd op hol gebracht en dat vormt de basis van deze cyclus. In een deel van de gedichten worden mooie (mooier gemaakte?) beelden uit de jeugd van de ik beschreven die te maken hebben met de rode LAB-bus en zijn conductrice. Over zaterdagavond bijvoorbeeld:

dan stiene wy as jonges yn twa rigen
op ‘e brêge nei iepen mûle en eagen
draaiden ús hollen stadich op it ritme fan
har tripkjen oer de sinken leggers
ANNA ús konduktrice sliepte in wykein thús
mei har kaam de wrâld it doarp yn fjouwerjen***

Maar vooral op vrijdagavond was ANNA op haar mooist, als ze haar vrijdagrokje net wat hoger optrekt, netkousen draagt en wat meer blouseknoopjes losmaakt om de twee vogels in haar borsten vrij te laten schateren. Die beschrijving in het voorlaatste van de twaalf gedichten vormt ook een prachtige tegenstelling met de veeboeren die pokeren ‘voor het leven en de dood’. Twee gedichten eerder waren die veeboeren al meedogenloos beschreven als de “mei BOKMA folgetten feeboeren” en als “de freedsboeren – de swetsers / mei har jild oan in ketting”. Je hoeft echt geen kenner, of zelfs maar liefhebber van surrealistische poëzie te zijn om deze gedichten te waarderen. Dit bundeltje bevat ‘gewoon’ heldere en beheerste poëzie waarin met prachtige beelden jeugdherinneringen worden beschreven (met merknamen als Droste, Kwatta, Miss Blanche en Stuyvesant) waarop de dichter verder fabuleert, en die de lezer meeneemt op een in dubbel opzicht fantastische reis. Die reis voert naar wereldsteden (Londen, New York, Mekka, Bethlehem, Jerusalem) net zo goed als naar halte 52H.3, de driesprong Hoantsjepûle, Hystesturten en de brug fan Hoptille, waar overgestapt wordt op BUS 202.

De naam ANNA, maar ook andere (merk)namen, schrijft de dichter in hoofdletters en hij verwijst en passant ook naar andere Anna’s, of liever Nana’s: naar de Nana van de 19e-eeuwse Franse auteur Emile Zola en de grote kleurrijke Nanasculpturen van de 20e-eeuwse beeldhouwer Niki de Saint Phalle. ANNA blijft ook ’s nachts in het hoofd van de dichter, ze ‘waakt over de nacht van mijn gebaren en gedachten’. Hij schrijft haar een brief die hij bij de bushalte neerlegt waar ANNA over moet stappen. In de laatste gedichten heeft de tijd zijn werk gedaan en is ANNA een kunstwerk geworden. Het laatste gedicht is bijna ontroerend: de dichter praat met ANNA en vertelt van zijn fascinaties. Ze moet er wat om lachen.

sa praten wy dêre oan it Skieppedykje
ús eigen taal kaam op ‘e nij ta libben
SUNLIGHT ANNA – sa sierlik en sa skjin****

Reade bus yn in magysk lânskip/Rode bus in een magisch landschap/Red bus in a magical landscape is een mooie, bijzondere uitgave. Het zijn drie kleine boekjes in één envelop, met elk twaalf gedichten; het ene boekje in het Fries, geschreven in november-december 2010, de andere twee boekjes uit het Fries vertaald in het Nederlands (door Josse de Haan zelf) en in het Engels door Tom Johnston. De Nederlandstalige versie was in 2011 in een nog eenvoudiger versie al verschenen bij uitgeverij Brumes Blondes in Bloemendaal, als nummer vijftien in de serie Brumes Blondes Katernen. Brumes Blondes is een uitgeverij die surrealistische literatuur uitgeeft, waaronder een internationaal tijdschrift Brumes blondes, opgericht in 1964 door Her de Vries en Laurens Vancrevel. In 2014 verscheen What will be / Ce qui sera / Lo que será, de almanak van de internationale surrealistische beweging, met bijdragen van 173 schrijvers en andere kunstenaars uit 25 landen. Daarin ook een bijdrage van Josse de Haan – in de inhoudsopgave haast surrealistisch te vinden via de D: Josse DE HAAN (Friesland/Basque Country) – die ‘Four miniatures’ bijdroeg, van het Fries in het Engels vertaald door Tom Johnston.

*BUS-201, de conductrice en ik gaan op reis / we wonen in de woorden die ik schrijf / en rijden naar stad en dorp die ik zie en schep
** de conductrice tovert uit haar navel een ticket / dat ik bewaar als een heilig ikoon van ANNA / kus het en spijker het vast boven mijn bed
***dan stonden wij als jongens in twee rijen / op de brug met open mond en ogen / draaiden ons hoofd gestaag op het ritme ban / haar trippelen over de zinken leggers // ANNA onze conductrice sliep een weekend thuis / met haar kwam de wereld het dorp in galopperen
****zo praatten wij daar aan het Schapedijkje / onze eigen taal kwam opnieuw tot leven / SUNLIGHT ANNA – zo sierlijk en zo schoon

haanjossede-frozenmoonlightJosse de Haan – Frozen moonlight yn myn hannen (2013)

Een van de grootste Friese auteurs en Gysbert Japicxprijswinnaar Josse de Haan schreef naast talloze romans en dichtbundels ook kritisch werk. Frozen moonlight yn myn hannen, zo zegt de auteur zelf, is de opvolger van twee eerdere bundels essays, kritieken, analyses en polemische stukken die materiaal bevatten tot 2007, te weten Kastanjes poffe (2005) en Kidelstiennen heine en slaan (2007). Wat daarna in diverse tijdschriften en andere plekken gepubliceerd is, staat nu in de nieuwe bundel.

In tegenstelling tot de eerdere bundels zijn de artikelen niet alleen in het Fries, maar een enkele keer in het Engels of Nederlands. Daarnaast bevat de nieuwe bundel niet alleen kritisch en beschouwend proza, maar ook scheppend werk, zoals een heel korte eenakter, en poëzie, waaronder ‘anarkische’ poëzie, gebaseerd op collagetechnieken. Dat is kenmerkend voor De Haan, die bij voorkeur niet de gebaande paden volgt. Behalve in zijn poëzie is dat ook te zien in zijn andere werk, zelfs in de toespraak bij de uitreiking van de Gysbert Japicxprijs 2007, voor zijn net zo vaak geprezen als bekritiseerde magnum opus Piksjitten op Snyp.

Zoals het De Haan betaamt, schuwt hij felle kritiek niet en meestal weet hij die kritiek ook aannemelijk te onderbouwen. Vaak wordt uit de titel van een bespreking zijn mening al duidelijk. In ‘Leafdeleaze biografy oer Jopie Huisman’ maakt hij korte metten met de catalogus die hoorde bij de jubileumexpositie van Jopie Huisman in 2011. De catalogus moet ‘een soort biografie voorstellen’, maar De Haan ‘heeft nog nooit zo’n vod gelezen’. Hij wijst op het gebrekkige en soms onbegrijpelijke Nederlands in het boekje en benoemt leugens en halve leugens. Niet veel milder is De Haan over de biografie van de schilder Boele Bregman door Doeke Sijens (titel, vertaald: ‘Boele Bregman verdient een echte biograaf’). Volgens De Haan staan er in het boek te veel kleinigheden, informatie die met het werk van deze kunstenaar niets te maken heeft, verknipte recensies en wordt er nauwelijks een poging gedaan het werk te interpreteren.

Kritisch is De Haan ook over de rijmende en metrische vertalingen van de poëzie van H. Marsman uit diens bundel Tempel en kruis (1939) die Eppie Dam maakte ter gelegenheid van de Maand van het Friese boek in 2011. R.R. van der Leest schilderde dertien afbeeldingen bij fragmenten van deze gedichten. Acht ervan zijn met de originele tekst van Marsman en de vertaling van Dam als prentbriefkaart verschenen en dat alles neemt de Haan over, maar hij zet er zijn eigen vertaling tegenover. Terecht levert hij daarbij soms scherp commentaar op de vertaling van Eppie Dam die nogal eens een te vrije vertaling geeft, bijvoorbeeld omwille van rijmwoorden. Aan de andere kant vind ik dat de Haan wel wat gemakkelijk over de verschraling heenstapt die zijn eigen vertaling oplevert door niet te zoeken naar rijm waar Marsman dat wel heeft.

Het felst in zijn kritiek is De Haan op de ‘opgeschoonde’ en in zijn ogen verminkte Nederlandse vertaling van Homme Eernstma’s Leafdedea (1963), of als het Fries historisch en letterkundig museum Tresoar ter sprake komt. Zo noemt hij Tresoar een ‘literatuurfabriek’ en hij herhaalt zijn grotendeels terechte kritiek op de Nederlandstalige geschiedenis van de Friese literatuur ‘Zolang de wind van de wolken jaagt’ uit 2006, nu Tresoar dat boek zonder de min of meer beloofde correcties of commentaren op het internet opnieuw gepubliceerd heeft.

Een aantal artikelen in het begin van deze bundel gaat over het kaatsen, met onder andere een vergelijking met het Spaanse pelota en ook in die artikelen weet De Haan soms kritische pijlen af te schieten. In nogal wat artikelen kijkt De Haan, bij vlagen zelfs wat nostalgisch, terug op vroegere momenten uit zijn leven, zo ook in de kaatsartikelen, waarin hij onder andere beschrijft hoe hij tussen zijn veertiende en zeventiende gekaatst heeft op alle dorpen in ‘de kaatshoek’.

Het boek bevat veel illustraties. Vooral uiteraard de stukken in deze bundel die met kunst te maken hebben zijn rijkelijk geïllustreerd. Maar ook bijvoorbeeld de verschillende artikelen die oorspronkelijk gepubliceerd zijn in ‘De Keatsfreon’ bevatten veel beeldmateriaal, zoals van schilderijen en beelden die met het kaatsen te maken hebben. Het laatste kaatsartikel verenigt kunst en kaatsen. ‘Baskysk keatsen en de keunst’ gaat over een tentoonstelling die liet zien hoe schilders en beeldhouwers in de loop der eeuwen de Baskische variant van het kaatsen hebben vereeuwigd.

Behalve op de al genoemde biografieën van Huisman en Bregman, reageert De Haan op meer biografieën van Friese auteurs (Anne Wadman) en andere kunstenaars. Uitgebreid bespreekt De Haan de biografie van de gebroeders Rinsema en gaat daarbij in op hun avantgardistische kunst en hun banden met Theo van Doesburg, Kurt Schwitters en De Stijl. Ook in dit artikel staan diverse prachtige afbeeldingen. Zeer positief is de Haan in een lang artikel over de biografie van Piter Jelles Troelstra, onder andere omdat de auteur daarvan, Piet Hagen, ook wel eens via de (Friese) poëzie van deze dichter/politicus inzicht geeft in diens motieven en achtergrondfilosofieën.

Prachtig zijn ook de brieven aan de inmiddels overleden ‘vriend en collega’ Trinus Riemersma (1938-2011). Met Trinus Riemersma was Josse de Haan in de jaren zestig van de vorige eeuw het puikje van de jonge garde vooruitstrevende literatoren, die naast ‘oude rot’ Anne Wadman de literaire wereld in Friesland domineerden zoals Mulisch, Hermans en Reve dat in het Nederlandse taalgebied deden. In de zeven brieven, geschreven in 2007-2008, refereert De Haan aan grote romans van Riemersma, vergelijkt die soms met zijn eigen werk en terecht vallen daarbij naast de drie bovengenoemde namen ook die van auteurs als Louis Paul Boon, Jerzy Kosinsky of Günther Grass.

Over dit rijke boek van Josse de Haan is veel meer te zeggen, bijvoorbeeld over de poëzie die daar, ook wel een beetje als een vreemde eend in de bijt, in staat. Zoals er over Josse de Haan veel meer te zeggen is. Of te vragen. Eén flauw, maar prangend voorbeeld: waar blijft een nieuwe roman?

Hendrik Beekman + Josse de Haan – As wurden slipe wurde (2008)

haanjossewurdenslipe4As wurden slipe wurde (Als woorden geslepen worden) is een fraai uitgegeven boekwerkje, waarin beelden van Hendrik Beekman vergezeld worden door Friese gedichten van Josse de Haan.

Hendrik Beekman (1945) werd kok, ontwikkelde zich in zijn vrije tijd tot surrealistisch schilder en kreeg tentoonstellingen in binnen- en buitenland. Omdat hij naast zijn kunstenaarschap ook een ‘gewoon’ beroep had en bovendien surrealistisch schilderde, kreeg hij aanvankelijk misschien minder aandacht dan hij verdiende. In 1992 begon hij ook met beeldhouwen, vooral met hout. Van 1994 tot 2007 had Beekman een eigen galerie in het Friese Marrum, waar hij naast eigen werk ook veel schilderijen en beeldhouwwerken van binnen- en buitenlandse kunstenaars tentoonstelde. Sinds kort woont en werkt hij voornamelijk in Spanje, aan de voet van de Pyreneeën. Dit alles is te lezen in de twee bladzijden waarmee het boek opent en waarin een overzicht van leven en werk van Beekman wordt gegeven.

In deze uitgave staan foto’s van vijftien houten sculpturen en van tien bronzen. Deze beelden, met name de houten beelden, zien er uitermate gepolijst en gestileerd uit. Ik wist, door de inleiding, dat Beekman een surrealistisch kunstenaar genoemd wordt, maar al bladerend had ik voor het gemak geconstateerd dat de beelden er nogal abstract uitzagen. Op zich niks mis mee, maar dat gladde, dat gepolijste nam mij niet voor de beelden in. Ik vond ze te strak, te gladgestreken, te mooi gemaakt. Overigens wel schitterend gefotografeerd, stijlvol belicht tegen een achtergrond waar soms de schaduw van het beeld een mooi extra effect oplevert.

Vervolgens las ik de gedichten van Josse de Haan (1941); de Friese gedichten, die elke keer rechtsonder op dezelfde (linker)bladzij staan als het beeld. Van de dichter staat merkwaardig genoeg geen beschrijving van leven en werk. Wel staat in het colofon dat De Haan voor de eerste keer in zijn leven reële beelden gebruikt heeft voor zijn gedichten, beelden die hij, zegt het colofon nog steeds, in taalmetaforen omzet en personifieert. Grote woorden, maar dat mag misschien bij een schrijver als De Haan, die in 2007 de Gysbert Japicxprijs kreeg voor het vernieuwende van zijn hele oeuvre dat bestaat uit romans, verhalen, gedichten en essays. De vraag is natuurlijk: voegt hij met deze gedichten weer iets nieuws toe aan het tiental dichtbundels dat vanaf 1971 verscheen?

In het eerste gedicht dat begint met de regels ‘As wurde slipe wurde / Glêd makke en wreaun’, lijkt het erop alsof De Haan het beeld beschrijft, in zekere zin verklaart, al zegt hij daarin ook toch al meer dan het beeld bij een vluchtige blik laat zien. En bij elk volgend gedicht wordt steeds duidelijker dat De Haan inderdaad veel meer doet dan het beeld beschrijven. Ja, in de eerste regels van het gedicht geeft hij vaak een soort beschrijving, of beter nog een interpretatie van het beeld; van dat gepolijste, verstilde, abstracte beeld. Maar wat daarna komt, ontstijgt wat te zien is. De Haan gaat verder dan beschrijven of zelfs interpreteren. De dichter doet iets wat de beeldhouwer niet voor elkaar krijgt, waarschijnlijk zelfs niet wil: hij brengt de beelden tot leven. En opeens zie je wat de beeldhouwer gedaan heeft: midden in een film heeft hij een spannend moment stilgezet, bevroren en de dichter brengt dat moment weer in beweging. Zo voegt De Haan in ieder geval iets toe aan het beeld.

Dat hij dat doet in zulke kleine gedichtjes is opvallend. Het zijn bij uitzondering negen korte regels, vaker acht, maar het kan ook in zes of vijf regels en als het moet in vier. En in zo’n kort bestek, met zo weinig woorden, voegt de dichter beelden toe aan de beelden. Beknopt, omdat de taal zo bewerkt, zo letterlijk geslepen is, dat net als in de beelden al het overbodige weggehakt en weggevijld is. Surrealistisch? Jazeker, zo zou je het fantastische beeld dat de dichter in het gedicht noteert, opgeroepen door het beeld van de beeldhouwer kunnen noemen, maar voor hetzelfde geld noem je het creatief of invoelend. En voor de lezer opent hij daarmee wat het beeld is, of zou kunnen zijn, zonder overigens voor de kijker alles in te vullen. Want daarvoor zijn de gedichten zelf ook weer te beeldenrijk, te veelzeggend, in deze gepolijste vorm.Wat de beeldhouwer in het beeld opgesloten heeft, haalt de dichter er weer uit, of het nu gaat om situaties met vrouwen, mannen, vogels of vissen: de dichter ziet dat de beeldhouwer ze vangt op spannende, veelzeggende, maar niet altijd even realistische momenten:

haanjossewurdenslipe1Een hoofd wiegelt
Tussen de handen

Zo begint een gedicht en je denkt: ja, dat is wat het beeld van Beekman, in ieder geval na een eerste verkenning, laat zien, maar dan gaat De Haan verder:

De man daagt uit
Speelt wat al te ruw
Duikt dan het water in en ik
Wacht tot hij boven komt

Eendekrooskrans om zijn hals
Een vis in zijn mond

De gedichten kunnen, denk ik, moeilijk zonder de foto’s van de beelden; dat levert waarschijnlijk wel erg surrealistische of cryptische gedichten op. Andersom lijkt het misschien makkelijker: je kunt de beelden bekijken, en zelf invullen wat de beeldhouwer Hendrik Beekman allemaal weggehakt en weggeslepen heeft. Maar wie kan zo’n rijke, verrassende invulling aan die beelden geven als de dichter Josse de Haan doet? Dit boek is daarom een prachtvoorbeeld van een geslaagde kruisbestuiving tussen twee kunstdisciplines: een beeldhouwwerk roept een gedicht op, dat op zijn beurt het beeld tot leven brengt.

Sculpturen zijn in díe zin superieur aan gedichten dat ze geen beperking van de taal hebben. Dat wordt in deze uitgave mooi gecompenseerd door van de Friese gedichten vertalingen op te nemen in het Nederlands, Engels, Spaans en Frans. Die talen zijn het logische gevolg van het feit dat de Fries-Nederlandse kunstenaars respectievelijk in Spanje en Frankrijk wonen. Bovendien biedt het een uitgelezen mogelijkheid om het werk van zowel de beeldhouwer als de dichter onder de aandacht van een groot publiek te brengen. Hieronder een voorbeeld van hoe dat er dan uit ziet: eerst de linkerbladzij met het beeld en het Friese gedicht; dan de rechterbladzij met de vier vertalingen van het gedicht.

haanjossewurdenslipe2

 

haanjossewurdenslipe3

14 september 2008

 

 

haan-kidelstiennenJosse de Haan – Kidelstiennen heine en slaan (2007)

Dit is een mooi vervolg op Kastanjes poffe (2005) waarin De Haan via essays en kritieken zijn ideeën over literatuur uitlegt en zich uitspreekt voor wat hij noemt de ‘andere’ literatuur: literatuur die het experiment zoekt en wat over de maatschappij te zeggen wil hebben. In dit nieuwe boek staan kritieken, analyses en polemische stukken die De Haan na 2000 grotendeels eerder in tijdschriften publiceerde. In het voorwoord gaat hij in tegen de stelling van hoogleraar Thomas Vaessens dat oude literatuuropvattingen hun tijd gehad hebben. Dan volgen interviews met De Haan over ‘identiteit’ en over zijn roman Piksjitten op Snyp en De Haans uitvoerige reactie op het hier ook opgenomen artikel van Trinus Riemersma over datzelfde boek. In het tweede deel staan recensies van onder andere romans van Itty Sluis en Steven Sterk en analyses van de poëzie van Anne Feddema en het existentiële proza van Piter Boersma. Het slotdeel drie bevat een artikel over surrealisme in het Fries Museum en de zeven ‘Baskyske Brieven’ die De Haan via Farsk publiceerde en waarin hij polemiek voert met diverse auteurs.

haanjossede-eljaJosse de Haan – Elja. De skepping van Gummykut – in film Roman (2006)
Filmmaker El wil een film maken over een naïeve, authentieke liefde, vol erotiek, verlangen, begeerte en jaloezie. Bij toeval ontmoet hij Elja, een chique hoer, die hij als hoofdrolspeelster wil. Elke week eten ze samen en ze praten over de film, waarna Elja El een brief schrijft. Daarin doet zij suggesties voor de film en ze geeft El sterk tegenspel, bijvoorbeeld door hem te verwijten haar filmpersonage in de werkelijkheid aan haar te willen opdringen. Zoals ook El zelf opmerkt: “Of Elja nu een levend wezen was, een karakter uit een roman of een hoofdpersoon in een film, maakte voor El niet zoveel verschil.” Scènes uit de film staan als cursieve fragmentjes tussen de passages waar het perspectief bij El ligt en de brieven van Elja. Die sterk bewerkte stukjes uit vier verschillende Franse romans, associatief, vol droombeelden en uitdagend beeldende taal, zijn ook voor een geoefende lezer niet altijd makkelijk in het verhaal in te passen. Maar dat geeft niet, want dit is een prachtig, nieuw en knap ver doorgevoerd spel over fictie en realiteit van een belangrijke literaire schrijver.

haankastanjesJosse de Haan – Kastanjes poffe Opstellen/essays oer (‘oare’) literatuer, analyses fan proazawurken en poëzy (2005)

Josse de Haan (1941) schreef naast romans en poëzie in diverse tijdschriften ook belangwekkende artikelen óver poëzie en proza die nu gebundeld zijn. Daarbij heeft hij een duidelijke voorkeur voor wat hij zelf noemt de ‘andere’ literatuur. In de vier essays waar de bundel mee begint maakt De Haan duidelijk wat die volgens hem ondergewaardeerde experimentele, avantgardistische, absurde, creatieve of vervreemdende literatuur inhoudt en waarom hij die belangrijk vindt. Literatuur is voor De Haan nooit onpersoonlijk of vrijblijvend. De schrijver maakt kunst en daar kiest hij een bepaalde vorm voor, maar vooral schrijft hij onder andere over twijfel aan het bestaan, existentiële nood en vragen over leven en dood. Concreet wordt duidelijk wat hij bedoelt als hij dichtbundels bespreekt van Sikke Doele, Albertine Soepboer, Willem Abma, Baukje Wytsma, Henk van der Veer en Cor van der Wal, en romans van Trinus Riemersma, Willem Abma, Steven de Jong en Meindert Bylsma. En passant ruimt hij daarbij het misverstand uit de weg dat ‘andere’ literatuur synoniem zou zijn voor onleesbaar geachte literatuur.

haanfeuillesmortesJosse de Haan – Feuilles mortes. de Anna’s (2004)

Josse de Haan (1941) wil zijn lezers niet alleen maar een vlot verteld verhaaltje bieden. In het eerste hoofdstuk van zijn inmiddels zevende Friese roman schrijft een ‘Wij’ een laatste brief naar ‘alle Anna’s op wie we verliefd zijn geweest en die nog in ons hoofd rondspoken’. In de volgende hoofdstukken is er afwisselend een ‘ik’ die zich richt tot zijn overleden moeder, een ‘hij’ die verplicht is om zijn verleden te fantaseren, omdat het familiearchief vernietigd is, en een ‘do’, die nauwelijks onderscheid kan maken tussen echte en gedroomde personen. Het zijn tragische, eenzame figuren die proberen een deel van hun leven, dat met ‘Anna’, te reconstrueren. In het heden kunnen ze niet goed functioneren, contact met anderen hebben ze niet of nauwelijks, aangetekende brieven zelfs blijven ongeopend, maar met het verleden wil het ook niet vlotten. Herinneringen en spijt liggen voor het oprapen, als de dode bladeren, en het leven scheurt mensen uit elkaar die van elkaar houden. Die woorden, uit het chanson van Gréco dat als motto dienst doet, zijn harde werkelijkheid in deze boeiende roman.

haannanetteJosse de Haan – Nanette (2003)

David, een excentrieke Van Gogh-specialist uit Nederland, komt heel toevallig weer in contact met Nanette, een vrouw in Arles, met wie hij 25 jaar eerder in een pension heeft geslapen. Ze blijkt een achterkleindochter van Van Gogh te zijn en heeft een dochter (weer een Nanette) van wie David de vader moet zijn. Zo lijkt het nieuwe boek van Josse de Haan van toeval aan elkaar te hangen. Maar door de opbouw is het juist een spannend en intelligent verteld verhaal, waarin misschien ook tot nu toe onbekend gebleven werk van Van Gogh opduikt. Het boek begint met een brief van Van Gogh aan een geliefde Nanette. In het laatste hoofdstuk staan nog twee brieven uit 1890, waarna de ontknoping volgt, hoewel ook weer niet helemaal. Daartussen volgt de lezer nu eens de hedendaagse Nanette in Arles en haar familiegeschiedenis, dan weer David, met onder andere zijn oorlogsverleden. Beide verhalen zijn interessant en dan is daar nog de spanning over de brieven en de schilderijen van Van Gogh. Met deze zorgvuldig opgebouwde roman slaat De Haan weer een iets traditionelere weg in dan met zijn vorige boek.

haanpiksjitteJosse de Haan – Piksjitten op Snyp (1999)

Dichter/schrijver Josse de Haan (1941) heeft met zijn vijfde roman een waar meesterstuk afgeleverd. Een ik-figuur schrijft het verhaal van een concurrent-schrijver en tegelijk zijn alter ego De Grutsk. De Grutsk vertelt heel vlot verhalen die de ik-figuur tot een roman wil verwerken. In die roman spelen gebeurtenissen van vroeger, beleefd door De Lytsk in het dorp Snyp, een belangrijke rol. Het zijn jeugdherinneringen over het opblazen van kikkers, over het knikkeren, over de dood van zijn opa of zijn eerste seksuele belevenis met De juf Annach. Via aan huis bestelde hoeren roept hij herinneringen op aan vrouwen uit het verleden. De ‘ik’ becommentarieert de verhalen en wil ze tot literatuur maken. Daar slaagt in ieder geval Josse de Haan in. Meeslepend geschreven en herkenbaar, maar net zo goed vervreemdend en surrealistisch door de grootsheid van de beelden en bijvoorbeeld door de merkwaardige naamgeving is dit een dik boek (500 blz) van grote klasse. Bij vlagen humoristisch, soms hard en rauw, soms ontroerend is dit geen makkelijk boek. Wel Friese literatuur van wereldformaat.

Josse de Haan – De lytse dea soms Fersen (1996)

In zekere zin kun je deze nieuwe dichtbundel van deze auteur (1941) als een vervolg zien op de bundel Geeffike pears gers (1987). Niet alleen komen dezelfde beelden en woorden weer terug (bijvoorbeeld ‘gers’ en ‘kidelstien’), maar ook inhoudelijk is er aansluiting. Ook hier weer veel erotiek, al zij er wel verschillen. Het eerste en meest directe verschil: de nieuwe bundel is veel toegankelijker (minder surrealistisch?), wat ook al gezegd kon worden van De Haans vorige bundel Rapsody yn stien foar Jerusalem. Dat maakt zijn nog altijd beeldende poëzie nog steeds niet echt gemakkelijk, maar wel veel leesbaarder. Het tweede verschil is dat in deze qua vorm haast proza-achtige gedichten de liefde op een dood spoor is terechtgekomen: de liefdesdaad wordt vergeleken met ‘de kleine dood’ en de geliefden zijn ouder geworden, zodat bijvoorbeeld de borsten van de vrouw niet meer rond en stevig zijn. En bovenal: uiteindelijk is de geliefde er zelfs niet meer en worden dus alleen herinneringen opgeroepen

Josse de Haan – Katastrofe Novelle (1992)

De Haan (1941), schrijver van diverse romans en dichtbundels, laat deze Friese novelle zich afspelen op een zondagochtend, binnen één kamer, tussen een man en twee vrouvven. De man heet Joazef (verwijzing naar Kafka en de Bijbel), de vrouwen heten, niet minder symbolisch, Rije I en Rije II (Maria). Nadat de man zich verwond heeft als hij met een mes een spiegel heeft stukgegooid, krijgen de witte Rije I (vrouw van Joazef) en de zwarte Rije II (zijn inwonende vriendin) ruzie. Als hij terugkomt van de dokter sluiten de vrouwen een verbond tegen Joazef en maken zich vrij van hem. De thematiek is het best te benaderen met de tegengestelde trefwoorden kleinburgerlijkheid en schoonheid, bij de motieven spelen de spiegel en het mes een grote rol. Het verhaal wordt om de drie pagina’s onderbroken door een tekst die ogenschijnlijk met het verhaal weinig te maken heeft en hoewel het zich qua taal vlot laat lezen, is het bepaald geen makkelijk boek: de filosofische en soms onrealistische inslag van gesprekken en gebeurtenissen doen een stevig beroep op het intellect van de lezer.

Josse de Haan – Rapsody yn stien foar Jerusalem Fersen (1989)

Opvallend in deze negende Friese dichtbundel van De Haan is de directheid van sommige gedichten (‘it reint stiennen yn Jerusalem / it hagelt klinkerts troch de buorren’). Dat wil niet zeggen dat er geen prachtige beelden in staan, wel dat de gedichten toegankelijker zijn dan in zijn vorige, surrealistische bundel. De gedichten zijn gemaakt naar aanleiding van een reis naar Israël. De Haan gebruikt het symbool van de zevenarmige kandelaar om de bundel in te delen in zeven maal zeven gedichten. In die delen komen verschillende aspecten van Israël en met name Jeruzalem naar voren: het joodse verleden, de spanning, de verhouding tussen joden, arabieren en christenen. De macht of onmacht van het woord is een telkens terugkerend motief. De Haan toont zijn eigen macht over de taal nog eens duidelijk in het laatste gedicht, waarin hij een indringender beeld geeft van de intifada dan menig tv-beeld ooit kan. Jammer dat de illustraties van Paulo Martina door het grijze papier minder duidelijk overkomen dan ze verdienen.

Josse de Haan – Geeffike pears gers (1987)

De Haan is sinds 1984 full-time schrijver (in het Nederlands en het Fries) van proza, toneel en poëzie. Dit is zijn negende dichtbundel, de eerste sinds 1979. De titel is ontleend aan een van de korte gedichten in de bundel, ‘Lij wetter’:

geeffike pears gers yn lange snilen
in langermakke hân
ferfart
bylkerich yn de basiskleur.

Het is één van de gedichten waar ik wat moeite mee heb. Het kolofon geeft al aan dat het in deze bundel gaat om liefdesgedichten met een erotische inslag, geschreven in de surrealistische traditie. Dat maakt ze niet gemakkelijk, vooral niet de op zichzelf staande gedichten. Er staan echter een paar heel mooie cycli in, waaronder ‘Talen yn ‘e berm’: vijf gedichten, elk opgebouwd uit drie regels plus één en vooral ‘Sylt traach in fleanmesjine’. Die cyclus, zeven gedichten van vier regels, soms wat lastig te lezen door het ontbreken van leestekens, is een avontuurlijke leeservaring met fantastische beelden. Hoe vreemd de taal en de beelden ook zijn, De Haan weet zijn materiaal heel beheerst vorm te geven, wat de kracht van zijn dichterschap aangeeft. Toch zal hij met deze bundel slechts een klein, select publiek bereiken.