Johan Andreas dèr Mouw – Dof fiolet is ‘t west

Johan Andreas dèr Mouw – Dof fiolet is ‘t west. 16 sonnetten ferfryske troch Eppie Dam mei bylden fan Friduwih Riemersma.

Een prima idee: Eppie Dam vertaalt gedichten van een eigenzinnige Nederlandse dichter die een eeuw geleden zijn opvallende gedichten schreef, naar het Fries. J.A. Dèr Mouw (1863-1919) wordt in de Nederlandse literatuurgeschiedenis omschreven als een unieke filosoof-dichter die oosterse mystiek in een westers jasje wist te hijsen. Eppie Dam is een bekend (kinderboeken)schrijver, vertaler en hij schreef liturgieteksten en recensies. In 2017 kreeg hij voor zijn gedichtenbundel Fallend ljocht (2014) de Gysbert Japicxprijs, de belangrijkste literaire prijs in Friesland.

Met de vertalingen van Dam is niet veel mis. Wel is het jammer dat die vertalingen niet uitgebreider ingeleid worden. Aan de vertalingen gaat slechts een kort voorwoord vooraf, geschreven door Lucien Custers die dit jaar een biografie van Dèr Mouw publiceerde. In het voorwoord staat nuttige, maar summiere informatie over leven en denkwereld van de man die op latere leeftijd – onder pseudoniem – gedichten ging schrijven. Die gedichten werden een jaar voor zijn dood voor het eerst gepubliceerd in tijdschriften als De Beweging en De Nieuwe Gids. Nee, de namen van die tijdschriften worden in het voorwoord niet genoemd, evenmin als het dichterlijke pseudoniem van Dèr Mouw: Adwaita.

De poëtische kwaliteiten van Dèr Mouw werden wel door enkele contemporaine kenners (Albert Verwey en Frederik van Eeden) herkend, maar net als prozaschrijvers als Necio en Elsschot, kwam grotere belangstelling pas in de jaren dertig. Toch is het werk van Dèr Mouw altijd wel voorbehouden gebleven aan literaire fijnproevers.

Dèr Mouw was een gecompliceerd mens die veel last had van zijn moeizame zoektocht naar antwoorden op levensvragen. Vooral met het idee van het dualisme in de wereld kon hij niet goed leven. Allerlei tegenstellingen (zoals natuur – cultuur, kunst – wetenschap, buitenwereld – binnenwereld, gevoel – verstand, laag – verheven) kwelden hem. Nadat hij in de oosterse filosofie, in het brahmanisme, een antwoord gevonden had, probeerde hij zijn levensfilosofie in gedichten te formuleren. In opvallend nuchtere taal, met zeker voor die tijd (begin twintigste eeuw) verrassende ironie schreef Dèr Mouw in hoog tempo zijn zeer persoonlijke poëzie. Daarbij gebruikte hij als dichtersnaam ‘Adwaita’- tweeloosheid.

Ook is het jammer dat in deze bloemlezing met zestien vertaalde sonnetten geen duidelijke verantwoording staat over de keuze van de gedichten. Ja, het persbericht en de website van de uitgever vermelden wel dat de vertalingen de levenslijn van Dèr Mouw volgen, maar hoe je dat als lezer kunt zien, wordt mij niet duidelijk. Even onbegrijpelijk vind ik het dat tegenover de Friese vertalingen nogal priegelige illustraties te zien zijn, waar ik zo graag de originele gedichten van Dèr Mouw had gevonden. Natuurlijk kan een lezer die zelf wel opzoeken, maar welke lezer neemt daar de moeite voor?

Als het Nederlands origineel ernaast had gestaan, had je niet vreemd opgekeken van een Friese dichtregel als “aëroplanen hast, looping the loop”, omdat het origineel bij Dèr Mouw luidt: “Aëroplanen, scheen ‘t, looping the loop”. Zo was in dat geval opgevallen dat het titelgedicht van deze bundel in het Nederlands van Dèr Mouw, heel opvallend, bijna hetzelfde is (“Dof violet is ’t west en paarsig grijs”). Ook had je dan gezien dat de vertaler niet het hoofdlettergebruik van Dèr Mouw aan het begin van een versregel heeft overgenomen en nog zoveel meer. Misschien had je dan ook wel nóg beter begrepen dat Eppie Dam als vertaler een mooie prestatie geleverd heeft door deze sonnetten van Dèr Mouw te verfriezen.

De zestien vertaalde sonnetten komen uit de bundels Brahman I en Brahman II die in 1919 en 1920, na de dood van Dèr Mouw, verschenen. Tenminste, grotendeels; ik heb niet alle vertaalde gedichten teruggevonden, dus mogelijk komen er ook nog een paar uit de Nagelaten Verzen (1934). Dèr Mouw hanteert in zijn sonnetten een strak metrum. Eppie Dam heeft dat metrum gehandhaafd, wat uiteraard consequenties heeft voor de vertaling. Zo is in de laatste regel van het bekendste gedicht van Dèr Mouw – ‘’K ben Brahman. Maar we zitten zonder meid’ ‘Zon’ vertaald naar ‘Stjer’. Een sonnet van Dèr Mouw begint met de regel: “Nog hoorbaar, heel heel ver, is de avondtrein”, Dam maakt er lenig van: “Te hearren noch, hiel fier, de lêste trein”.

Naast het metrum zorgen rijmklanken uiteraard voor duidelijke verschillen. In hetzelfde gedicht staat als derde regel bij Dèr Mouw: “Hei. Boven bosch de toren van een kerk”. Dam doet het met : “Oer bosk in toer dêr’t men in tsjerke murk”. Want het moet wel rijmen op “in boer oan ’t wurk” – een boer aan ’t werk. Zoals gezegd: Dam lost dergelijke vertaalproblemen vrijwel altijd creatief op. Kijk ook nog eens beter naar het eerste gedicht van de bloemlezing, hieronder, waar Dam slim ‘alleen’ vertaalt met ‘solo’, terwijl hij in de tweede strofe van dat gedicht bij de eerste woorden al vertaalt wat bij Dèr Mouw in de laatste regel van die strofe staat.

In dat eerste gedicht, met de eerste regel waaraan de titel van deze bloemlezing is ontleend, zie je direct al de tegenstelling verheven-alledaags die de dichter probeert te verenigen. De dichter verraadt ook (in ieder geval een deel van) zijn poëtica: in het gedicht gaat het over schaatsen én over poëzie. Het is eigenlijk een beetje jammer dat dat in de versie van Dam nog veel eerder duidelijker wordt dan in het origineel. Daar wordt de relatie met de poëzie pas in de eerste regel van het terzet gelegd, keurig na de volta van het sonnet, terwijl Dam al in de eerste strofe de poëzie binnensmokkelt:

Dof violet is ’t west en paarsig grijs.
Nog wandel ‘k door het zwaar berijpte gras,
En hoor naast me op de vaart het fijn gekras
Van schaatsen over ’t hol rinkelend ijs:

Ik heb ’t gevoel, of ‘k op ’t bevroren glas
Cirk’lend, zwevend, zwenkend op kunst’ge wijs,
Met ’t buigend bovenlichaam daal en rijs:
‘T is in mijn rug, of ‘k zelf op schaatsen was

Zoo hoop ‘k dat, langs wiens geest mijn verzen glijen,
Alleen, in paren, of in lange rijen,
Schomm’lend op maat en rijm van hollandsch staal,

Dat hij de wind, die mij droeg zelf hoort waaien,
En ’t fijn slieren en ’t heerlijk breede zwaaien
Voelt van zijn eigen stemming in mijn taal.

Dof fiolet is ’t west en pearzich griis.
Noch rin ik troch it swier beripe gers
en hear neist my* op ‘e feart it tinkelfers
fan reddens oer it hol rinkinkend iis:

as wie ‘k it sels dy’t op beferzen glês
sirkljend, swevend, swinkend op keunstige wiis
mei ’t bûgjend boppeliif my kromje en riis;
en in rêch dy’t noait fan ’t riden genêst.

Sa woe ‘k dat lâns waans geast myn fersen glide,
solo, yn pearen, of yn lange rigen,
swierend op maat en rym fan hollâns stiel,

dat hij de wyn dy’t mij droech, wit oan ’t waaien,
en ’t fijn slieren en ’t hearlik brede swaaien
fielt fan syn eigen stimming oan myn siel.

Hoe functioneel Dèr Mouw gebruik maakte van metrum en klanken is goed te zien in het derde sonnet van de bloemlezing, al kan het niet anders dan dat er wat klankspel in vertaling wegvalt:

Lang rolt, een bol van klank, de knal van ’t schot,
Bonzend van wand tot wand, ’t gebergte rond:
Lang rôlet, bol fan klank, de knal fan ’t skot,
bûnzjend fan wand ta wand, ‘t geberchte rûn:

Zoals een enkele keer wel meer het geval is, bestaat het octaaf, in de vorm van twee kwatrijnen, van dat gedicht uit één regel en datzelfde geldt voor het sextet. Dam neemt dit in vertaling ook over – zoals hij ook de zinsbouw overneemt in een gedicht dat maar uit één zin bestaat.

Het gedicht, waarin een dier aangeschoten wordt en hinkend wegloopt, laat meer nog dan andere gedichten in deze bloemlezing de gekwetstheid van de dichter zien, met een strofe als:

Him dy’t fol fan takomst swerft troch wyldernis
fan jong gefoel, treft soms, dy’t seker is
fan treflik mikte wurd, in djippe stek.

Die gekwetstheid is blijkbaar al vroeg in zijn leven gekomen en dat zie je ook in het gedicht ‘Ken immen dat gefoel: ’t is gjin fertriet’, met daarin de woorden: “Do fielst dy bern en âld”, waarin tegelijk ook weer een tegenstelling verenigd wordt. Regelmatig gebruikt Dèr Mouw het thema van de ouder geworden man die terugkijkt op zijn jeugd en zo kan hij een gedicht laten beginnen met “’t Is simmer; sneintemoarn noch. In toaniel / sjoch ‘k samar foar my út myn jongesjierren”.

Natuurlijk vertaalde Dam ook het bekendste gedicht van Dèr Mouw, met in de eerste regel direct al de ironisch nuchtere tegenstelling “‘k Bin Brahman. Mar we sitte sûnder faam.” Het gedicht gaat, na een ‘goddelijk begin’ in de twee kwatrijnen verder met de beschrijving van huiselijke zaken waaruit de onhandigheid van de dichter blijkt. De ik-figuur voelt zich weliswaar God (Brahman), maar hij is nederig genoeg om te beseffen dat hij zonder dienstmeid behoorlijk onthand is. In het begin van het sextet ervaart de dichter sterk het besef van een goddelijke impuls: “En altyd eare ik Him, dy’t him ûntjout / ta feeëry fan wrâld en keunst en witten”. Daarna schakelt hij weer soepel over naar het aardse, als hij zijn bordje havermout krijgt.

Dèr Mouw werd in 2007 niet opgenomen in het Pantheon, de lijst van de 100 beste Nederlandse schrijvers die op de permanente tentoonstelling van het toen vernieuwde Letterkundig Museum (nu Literatuurmuseum) getoond werden. In reactie daarop werd het Dèr Mouwgenootschap opgericht, dat zich inspant voor de literaire erfenis van deze dichter. Een van de inspanningen richt zich op de vertaling van een substantieel deel van zijn gedichten. Voorlopig moeten ze tevreden zijn met de vertaling van een klein maar fijn deel van Dèr Mouws gedichten in het Fries.

* N.B. Meestal gebruikt Dam (of de uitgever?) de spelling ‘mij’, ‘hij’, ‘derbij’ in plaats van de gebruikelijke spelling ‘my’, ‘hy’, ‘derby’. Soms wordt in één gedicht, zoals dit, beide spellingwijzen gebruikt: in regel 3 ‘my’, in regel 12 ‘hij’ en ‘mij’. Ook in het gedicht ‘‘k Bin Brahman. Mar we sitte sûnder faam’ staat de regel: “as sij my jout myn pantsje havermout”.