Greet Andringa

andringaikarusblauGreet Andringa – Ikarusblau (2011)

Voor een lezer die alleen maar vlot een simpel verhaal wil lezen, in dit geval bijvoorbeeld om erachter te komen hoe het nu zit met de vader van de hoofdpersoon, heeft het nieuwe boek van Greet Andringa irritante trekjes. Zo staat op p. 79 dit fragment: ‘Ik skeakelje oer op de no-tiid. Op de ien of oare wize slagget it dan better om my yn te libjen. En dat is úteinlik it doel fan dizze hiele eksersysje: my yn te libjen yn Tys syn libben, him yn te libjen yn ús libben.’* Wie die ik-figuur is, die over wil schakelen naar de tegenwoordige tijd, omdat die zich dan beter kan inleven, is op dat moment helemaal niet duidelijk. Het is een vertelinstantie die sporadisch eerder opgedoken is in kleine fragmentjes, want meestal lijkt het of je te maken hebt met een ‘gewoon’ personaal verteld verhaal over hoofdpersoon Tys.

Op de achterflap staat waar het boek over gaat: over leraar wiskunde Tys, opgegroeid in de zeventiger jaren op een ‘ecologische gemeenschap’, een soort commune die stadslui gesticht hebben op een boerderij in het Friese Bannum. Als Tys en zijn vrouw Immy een kind krijgen, gaat bij Tys zijn verleden opspelen en vraagt hij zich af wie zijn echte vader geweest is. De zoektocht van Tys brengt hem dichter bij zijn oorsprong en bij Immy.
Tot zo ver het verhaal op de achterflap, dat maar gedeeltelijk de inhoud van het boek vertelt. Want meer nog gaat het boek over het onvermogen van een man om met zo’n vraag en de gevoelens die dat bij hem oproept om te gaan. Door de manier van vertellen lijkt Tys, zeker halverwege het boek, ook wel symbool te staan voor de man in het algemeen; de man die steun van de vrouw nodig heeft, die hem begeleidt, of misschien nog beter in dit geval, die hem leidt bij zijn ‘zoektocht’. Letterlijk zegt Immy het ook tegen Tys als ze op een ochtend ruzie maken en hij zegt dat zij met zijn zoektocht eigenlijk niks te maken heeft: ‘No moat it net mâlder! Ik ha der alles mei te krijen! Salang’t ik by dy bin, krij ik de rol tabedield fan beskermster, liedtrie en fersoarchster (…).** (p. 104)

Wie de verteller is, wordt pas duidelijk op precies de helft van het boek, in hoofdstuk 22, als Tys en Immy op bezoek zijn bij Pete, de biologische vader van Tys. Vanaf dat moment geeft de verteller ook steeds meer commentaar. Aanvankelijk is dat commentaar vooral nogal negatief voor de mannen in het boek: Tys, Pete, maar ook Wouter, de man die Tys tot voor kort als zijn bepaald niet ideale vader beschouwde. Als Tys het heeft over het overlijden van zijn moeder aan baarmoederhalskanker, denkt hij dat Wouter, als die niet zo eigenwijs was geweest door zelf met een kruid, een steen of een wonderverhaal aan te komen, nog wel invloed had kunnen uitoefenen op zijn moeder en haar wel naar een dokter had weten te krijgen. De verteller geeft dan commentaar: ‘Hy die it net. Hy woe it net. It stroke net mei syn oertsjûgings en sa hat er har úteinlik moai ferrekke litten, syn muze.’***

Hoe verder we in het boek komen, des te meer is de verteller aanwezig en verschuift het commentaar ook naar kritiek op de rol van de vrouwen, inclusief haarzelf. Net als de mannen durven uiteindelijk de vrouwen niet te kiezen voor de rol die het dichts bij hun wezen ligt. Uit angst om het contact kwijt te raken of om de geliefde zelfs helemaal te verliezen volgt de vrouw te vaak het advies op om niet te hard tegen de man te zijn, om te doen wat haar moeder en haar oma ook deden: niet voor de honderd procent gaan, maar je erbij neerleggen dat je niet de ideale situatie kunt bereiken en dus bijvoorbeeld accepteren dat je man een kind maakt bij een vrouw van wie hij denkt dat ze wel perfect is.

Met Ikarusblau schreef Greet Andringa een indringend boek. Inderdaad onder andere over een zoektocht van een man naar zijn vader. Het is misschien een tikje zoet dat Tys zowel met zijn echte vader Pete als met Wouter uiteindelijk in het reine komt. De wandeling die hij met Wouter een dagje maakt als Wouter op weg naar Santiago de Compostella bij hem langs komt, is misschien ook wel net even te makkelijk. Maar het doet ook goed dat Tys dit happy end vindt, na de geboorte van zijn dochter Silke, die natuurlijk simpel aansluiting vindt bij de ‘frjemde pake’. Tys, die zichzelf het resultaat noemt van goede bedoelingen en mislukte illusies, heeft er op een gegeven moment zowaar ook wel wat moeite voor gedaan en hij weet zich te veranderen, al zou hij het zonder zijn Immy nooit voor elkaar gekregen hebben.

Ondertussen krijgen we een af en toe mooi humoristisch en soms ook cynisch inkijkje in de wereld van de idealisten uit de zestiger en zeventiger jaren. Er zijn veel terugblikken naar de tijd dat Tys als jongetje opgroeide in de commune. Je ziet aan de ene kant oprecht idealisme, met mooie plannen voor een nieuwe leefwijze. Aan de andere kant was er niets menselijks vreemd aan de communebewoners, met jaloezie of met pertinent foute opvattingen of inzichten. Zo adopteren de ouders van Tys min of meer de half-Aziatische, half-Friese Ysbrân, die een tijdje fungeert als de ruige oudere broer van Tys. Op het moment dat Ysbrân te ver gaat en een meisje met geweld zwanger maakt, wordt deze ‘broer’ wel erg gemakkelijk weer gedumpt door de idealisten.

Mooi is het taalgebruik van Andringa. Het verhaal is levendig en met vaart geschreven, zonder nodeloze versieringen, maar vaak genoeg met treffende beeldspraak. Als Tys in hoofdstuk 15 maar in cirkels blijft denken over het feit zijn ‘vader’ na opmerkingen van Immy niet ontkend heeft dat hij niet zijn biologische vader is, staat er (en ik vertaal het meteen maar even): ‘Voor de zoveelste keer rijdt Tys over de minirotonde van zijn eigen gedachten en weer is er geen afslag.’ Mooi raadselachtig is aanvankelijk ook het begin van het boek, het niet genummerde hoofdstuk over de vrouw op zolder. Andringa laat de betekenis van die proloog steeds duidelijker worden in de loop van het verhaal.

Datzelfde geldt voor het ‘Ikarusblau’ van de titel. Dat komt op een paar plekken voor in het boek. In hoofdstuk 18 bijvoorbeeld droomt Tys weg in de klas, als hij nadenkt over de woorden van Wouter. Die heeft gezegd dat hij zelf ‘toestemming heeft gegeven voor de minimale bijdrage aan zijn totstandkoming’. Tys vraagt zich af wat er precies is gebeurd. Hij krijgt dan een aanval van hyperventilatie en ‘drijft weg in een zee van Icarusblauw die hem ineens vreemd vredig en warm omsluit’. Het ‘Icarusblauw’ duikt voor het eerst op in hoofdstuk 4, in een idyllische beschrijving van Tys die als kleuter bij zijn vader Wouter in de hangmat ligt, waarbij ze samen een klein blauw vlindertje zien, een icarusblauwtje. Zijn vader noemt het een Ikarusblaujurkje en vertelt vervolgens het verhaal van Ikarus. Natuurlijk speelt de betekenis van het verhaal van Icarus, de mythologische figuur die door zijn overmoed ten onder gaat, een rol in dit boek.

Na de verhalenbundel De diggels van Che (2003), de imposante roman Libben reach (2008) en het geslaagde boekenweekgeschenk Los sân (2010) levert Greet Andringa met Ikarusblau weer een prachtige roman af. Met dit boek verzekert Andringa zich onmiskenbaar van een plaats in de top van de Friese literatuur.

*Ik schakel over op de tegenwoordige tijd. Op de een of andere manier kan ik mij dan beter inleven. En dat is uiteindelijk het doel van deze exercitie: mij in te leven in Tys’ leven, hem in te leven in ons leven.
** Nu moet het niet gekker worden. ik heb er alles mee te maken. Zolang ik bij je ben, krijg ik de rol van beschermster, leidraad en verzorgster.
*** Hij deed het niet. Hij wilde het niet. Het paste niet bij zijn overtuigingen en zo heeft hij haar tenslotte mooi laten verrekken, zijn muze.

andringalibbenreachGreet Andringa – Libben reach (2008)

Met Libben reach schreef Greet Andringa (1971) een imposante roman over de moeizame relaties tussen moeders en dochters. Eén van de sleutelscènes staat op ongeveer tweederde van de roman, in hoofdstuk 9, en heet niet voor niets ‘Dochters’. Geeske, een ruim dertigjarige vrouw, komt met haar dochtertje Tjitske nadat die in het ziekenhuis gelegen heeft, weer voor het eerst bij haar moeder. De moeder vertroetelt Tjitske nogal, noemt haar mooi in haar mooie jurkje en dan vraagt Geeske haar moeder verwijtend of ze dat wel eens tegen haar gezegd heeft. Het wordt een vervelende discussie, waarin de moeder zich verdedigt tegen de verwijten van Geeske die het idee heeft dat haar moeder liever haar nichtje Nynke als dochter gehad zou willen hebben. De scène culmineert in de uitroep van Geeske dat haar moeder haar niets waard vond en dat zij zich dus ook zo voelde en eigenlijk nog altijd zo voelt.

Op dat moment weet de lezer al heel wat van Geeske, de hoofdpersoon van deze eerste roman van Andringa. Greet Andringa is werkzaam als arts in de verslavingszorg en deed bovendien om de technische kant van de artsenopleiding te compenseren, zegt ze zelf, de studie humanistiek in Utrecht. Ze publiceerde in 2003 de verhalenbundel De diggels van Che, nadat in 1999 het literaire tijdschrift Trotwaer voor het eerst een verhaal van haar opnam. In haar verhalen zijn de hoofdpersonen vaak kwetsbare personen die het leven moeilijk aankunnen. In deze roman, de derde in de reeks Fryske Modernen, zien we dat terug bij de belangrijkste personages, voornamelijk vrouwen, en vooral bij Geeske.

In de ‘Opmaat’ die aan de twaalf hoofdstukken van het boek voorafgaat, zit Geeske bij het ziekenhuisbed van haar bijna driejarig dochtertje Tjitske. Die is van de trap gevallen en ligt in coma. Als Geeske in het ziekenhuis haar moeder belt om dat te vertellen volgt het eerste signaal van een moeder-dochterconflict: de moeder verwijt de dochter meteen vloekend dat het haar schuld is. En dan heeft de moeder nog maar het halve verhaal gehoord, want al gauw wordt duidelijk dat Geeske haar dochter misschien wel zelf van de trap geduwd heeft. In de rest van het boek probeert Geeske antwoord te vinden op de vragen die haar bezig houden. Heeft ze haar dochtertje van de trap geduwd om zelf aandacht te krijgen, is ze een erfelijk belaste driftkikker, heeft ze last van een post-natale depressie nadat haar zoontje geboren is of is de val van Tjitske toch een ongeluk dat ze net niet heeft kunnen voorkomen?

Geeske probeert de antwoorden te vinden in de geschiedenis van haar familie, de Wiggersma’s. Zo krijgen we in vrij complexe vorm, heel fragmentarisch, de geschiedenis van Geeskes familie te lezen. Daartoe aangezet door Geeske vertelt grootmoeder Gertrud haar verhaal, vanaf de ontmoeting met Geeskes autoritaire opa, de Friese Gauke, die in de oorlog in Duitsland te werk werd gesteld. Via de verhalen van oma wordt de aparte geschiedenis van het communistische gezin, dat na de oorlog naar Nederland komt, maar ook nog een tijdje naar de DDR teruggaat, langzaam maar zeker verhaald. Via de generatie van de moeder van Geeske en haar tante Kristel krijgen nieuwe idealen van de familie gestalte in bijvoorbeeld anti-kernwapenmanifestaties. De verhalen van de daaronder komende generatie, die van Geeske zelf, worden sterk beïnvloed door haar iets oudere nichtje Nynke. Een soort tussenfiguur is de kunstenares Elza, een jonge tante van Geeske.

In alledrie de generaties is er sprake van frustraties, van twijfel aan de oprechtheid van relaties en aan de duurzaamheid van de liefde. Er zijn in elke generatie kleine en grote drama’s van mislukte relaties, overleden kinderen, van onderdrukking, pesten, waar nauwelijks over gesproken of waar te weinig tegen gevochten is, zoals het verwijt is dat Elza Geeske wel maakt. Geeske kan met al dat echte of vermeende, maar in ieder geval gevoelde onrecht moeilijk leven, als kind al. Als Elza aan haar kleine nichtjes Nynke en Geeske het sprookje van de kleine zeemeermin voorleest, is Geeske niet blij met de afloop, al weet ze dan ook niet goed hoe het wel had moeten aflopen.

Sprookjes spelen een belangrijke rol in de opbouw van dit boek. Alle twaalf hoofdstukken hebben als motto een citaat uit een sprookje en uiteraard komt dat op een of andere manier terug in een van de vele verhalen in dat hoofdstuk. Het boek is namelijk zeer ingenieus opgebouwd. In elk hoofdstuk staan zo’n vijf tot tien verhalen, meestal met een titel, die verschillende hoofdpersonen hebben en zich afspelen in verschillende tijden. Dat maakt het boek bepaald niet gemakkelijk en de stamboom die aan het eind van het boek opgenomen is, moet regelmatig geraadpleegd worden. Maar beetje bij beetje wordt op die manier het web van de familiegeschiedenis, waar elk familielid in vast zit, ontrafeld. Voor de lezer, maar vooral natuurlijk voor Geeske zelf, die zich op deze manier probeert vrij te maken om zo kans te maken op wat je een sprookjesachtig einde zou kunnen noemen, namelijk iets van geluk vinden.

Het laatste hoofdstuk heeft een motto uit Repelsteeltje, waarin de koning de molenaar vraagt of hij kinderen heeft. De molenaar antwoordt dat hij een dochter heeft, die zo knap is dat ze van stro goud kan spinnen. Het laatste verhaal van hoofdstuk 12 heet ‘Van stro goud spinnen’. Dat suggereert een wel heel happy-end, maar zo zoet is het einde nu ook weer niet. In een ‘Nagalm’ zien we welke beslissing Geeske genomen heeft, nadat ze alles op een rijtje gezet heeft. Een voorlopige beslissing, want daarvoor is het eind open genoeg: of Geeske lang en gelukkig zal leven, komen we gelukkig niet te weten.

Critici die tot nu toe wat over het boek gezegd hebben, onder wie Elske Schotanus in De Moanne van juni 2008 en Klaas Jansma op Omrôp Fryslân, piepen wat over de ingewikkelde structuur, maar prijzen de schrijfstijl uitvoerig. Dat laatste is meer dan terecht. Of het nu gaat om het beschrijven van een situatie, zoals in de beginscène in het ziekenhuis, van gevoelens van de personages of van gedachten of gesprekken, het is allemaal mooi uitgewerkt en zowel indringend als levendig beschreven. Dat alles maakt van Libben reach een zeer geslaagd romandebuut.