Elmar Kuiper

kuiperElmar Kuiper – Stienkeal (2018)

Elmar Kuiper (psychiatrisch verpleegkundige, beeldend kunstenaar, videofilmer, performer/zanger van de Tigers fan Greonterp, en dichter) publiceerde zeven dichtbundels, waarvan vier in het Fries. Zijn debuutbundel Hertbyt verscheen in 2004, de laatste Friese bundel Stienkeal werd op 2 juni 2018 gepresenteerd in MeM, het talenpaviljoen in de Prinsentuin van Leeuwarden waar het hele jaar aandacht besteed wordt aan kleine talen.

Stienkeal is iets eenvoudiger maar zeker net zo stijlvol uitgegeven als Kuipers vorige Friese bundel Hiemsiik (2015). Ook is de bundel, net als de vorige bundels van Kuiper, zorgvuldig opgebouwd, in vijf delen dit keer. De eerste, derde en vijfde afdeling bestaan uit zeven of acht gedichten. De tweede afdeling, ‘De tiid’ bevat maar liefst 21 gedichten, allemaal aangeduid met een datum tussen 15 mei en 25 augustus. Het eerste gedicht daarvan is ‘15 maaie’:

de tiid is in ôfspraak
mei it glêde bist
syn tonge slikket de minuten

tiid is betocht om de kosmos
in loer te draaien

sa klokt de mins
in kertier om syn bôle
te behimmeljen

sa stjoert er in skip de romte yn
en kweekt er romteslaad

Zoals wel vaker verbindt Kuiper hier moeiteloos de kleinheid van de mens (een broodje eten) met diens grootheid, in dit geval de genialiteit om een ruimteschip de lucht in te sturen en dan ook nog aan boord sla te verbouwen. Dat hij dergelijke zaken met elkaar verbindt, zegt natuurlijk iets, al laat de dichter het aan de lezer over wat dan dat precies is. Ook dat is in veel meer gedichten uit deze bundel het geval en het is een van de vele kwaliteiten van de dichter Elmar Kuiper om enig zicht op het bestaan te bieden, soms zelfs enige richting aan te geven, maar de consequenties van het een en ander aan de lezer over te laten.

In deze afdeling staan gedichten die de speelse kant uit gaan, ook soms door het gebruik van simpele typografische technieken als het uitrekken van zinnen door tussen woorden meer ruimte te gebruiken dan één enkele spatie. Het speelse zit ook in de flinke dosis zelfspot die uit de gedichten van deze afdeling spreekt. In het gedicht ‘6 juny’ wil de ‘ik’, omgord met woorden, de literatuur opblazen, maar het gedicht eindigt met de constatering dat hij voor de Friese schrijverskalender een magere grutto met open snavel op een paal getekend heeft. ’17 augustus’ begint met: “wieger brûkt myn ôfkarde fersen / as krêftfoer foar syn kij”, en in het begin van ’16 maaie’ staat:

ik mei graach oerdriuwe
neffens de peut is soks
klearebare syktewinst

sa            tikket            der
in                         bom
yn             my

Maar, zoals in bovenstaand fragment ook te zien is: naast het speelse zit er ook een dreigend element in de gedichten van deze afdeling. Er belt bijvoorbeeld een vijand op (9 augustus) of er is een akelige droom waarin de ‘ik’ iemand van het slagveld wil halen, maar hij is geen knokker en met woorden wordt de strijd niet gewonnen (’24 maaie’). In ’27 juny’ trilt het huis van de dichter omdat defensie oefent en wordt de ‘ik’ geraakt door het beeld van zijn hondje dat zijn achterpoot optilt tegen de pantserwagen die de loop op zijn huis gericht heeft.

Want ja, gevoelig durft de dichter bij alle speelsheid en dreiging ook te zijn. Zo kan hij bijvoorbeeld lief zijn tegen een klein poesje, maar het mooist is die gevoeligheid te zien in een gedicht over zijn overleden vader, aan wie Kuiper in vorige bundels ook al heel wat gedichten wijdde. Het mededogen met de overleden vader komt hier in het gedicht ’25 maaie’ nog eens terug. Als hij met zijn hand over de rug van de grafsteen strijkt, voelt hij zijn vader die niet van graniet was.

Net als de tweede afdeling springt ook de vierde er duidelijk uit. Niet alleen door het aantal van de negentien, Romeins genummerde gedichten, maar ook doordat de gedichten in deze afdeling, in tegenstelling tot alle andere gedichten in de bundel, in een vetgedrukt lettertype op de pagina’s staan. In deze cyclus valt de ik-figuur zeker niet samen met de dichter – of, wat natuurlijk ook nog kan: de dichter verschuilt zich achter iemand anders. In ieder geval, voordat de cyclus begint staat er als een soort ondertitel: ‘Wat de man op ôfdieling E my tafertroude’. Gezien de titel van de afdeling, ‘De dwylsin’, de achtergrond van Elmar Kuiper als psychiatrisch verpleegkundige, maar natuurlijk vooral gezien de inhoud van de gedichten mag aangenomen worden dat ‘afdeling E’ zich in een psychiatrisch ziekenhuis bevindt.

Toch wijkt de ik-figuur van deze afdeling in de kern niet zo heel veel af van de ik-figuur in veel andere gedichten van de bundel. Net als de ‘gewone ik’ is de ‘waanzinnige ik’ even gevoelig en kwetsbaar als eigenzinnig en sterk, en denkt hij in beelden of ziet hij beelden. Dat zie je meteen in de eerste strofe van gedicht I:

Ik los in krúswurdpuzel op en spylje yahtzee.
Wat ik hjir doch wit net ien.
Se kinne it moai fertelle.
My mankearret neat.
Ik bin sa helder as de oseaan
Sa neaken as in oanspielde kwal.
Myn pupil is in pearel yn in oester.

Ja, de dichter heeft, dankzij de waanzin van de ik-persoon in deze afdeling van de bundel de vrijheid om hier nog uitbundiger met beelden uit te pakken dan in de rest van de bundel. Niet dat de gedichten daardoor gaan lijken op de poëzie uit het vroege en grilliger werk van Kuiper. Daarvoor zijn de gedichten toch te strak geschreven in het pak van ‘de vreemde man op een vreemde planeet’, die nooit geweten heeft ‘dat dit mijn plek was’. Die vreemde man, die een fluitje wil snijden uit bamboe, de zwarte zon ziet, zijn onechte moeder ontmoet (“Ik bin Maria, flústere se”), die in zijn blote kont wakker wordt, liggend op de koude vloer of wakker wordt ‘uit het gat van de tijd’, geslapen heeft zonder te leven en zwom als een stekelbaars en wiens gedachten op een hoop geveegd zijn. Ik geef hier zo’n beetje losjes de eerste zinnen van de gedichten IV t/m XI uit deze afdeling weer.

Net als in veel andere gedichten in deze bundel lees je, soms tussen de regels door en altijd tamelijk beheerst, kritiek op allerlei maatschappelijke kwesties, waaronder, net als soms in zijn vorige bundel, over situaties in de psychiatrie. Het meest uitgesproken is dat in gedicht XII:

Se sizze dat ik gek bin, mar de kritearia
fan gek wêze doge net.

Se binne betocht ûnder leffe bakjes kofje, yn lead-
grize keamers mei imitaasje-Cobra’s oan ‘e wand.

Kritearia binne krinterich.
Se rûke en ûntsnappe nea
troch it systeemplafond.

Ik draach it skuorhimd
fan de ierde en dêr oerhinne
in hip Switsersk jaske.

Neffens de kritearia soe ik gek wêze

omdat ik efterfolge wurd
troch in man dy’t himsels
bekeart

wylst ik dy man
in ivichheit lyn
al ynhelle ha.

Doe’t ik mei him fûstke
sei er dat ik God sels wie.

Dit gedicht is klaarhelder; je begrijpt heel goed waarom de ik-figuur zich niet vinden kan in het oordeel van degenen die hem op grond van, zoals hij dat ziet, foute criteria opgesloten hebben. Het typeert Kuiper dat hij het gedicht, hoe empathisch ook, toch een wrang humoristische twist geeft, waardoor je misschien wel geneigd bent de psychiaters gelijk te geven. De derde strofe laat ook goed zien hoe de dichter in staat is om met prima te volgen beeldspraak en enig taalspel (‘systeemplafond’) een krachtige strofe neer te zetten.

Ook qua vorm gaat de dichter beheerst te werk. Verreweg de meeste gedichten in deze afdeling zijn opgebouwd uit strofen van twee of drie regels, of uit een combinatie daarvan. De afdeling eindigt mooi met een gedicht dat begint met de strofe “Myn job sit derop. / Ik spylje de healwize no / maar mis de flow” en, als de kruistocht volbracht is, eindigt met de strofe: “Ik snap Jezus / dy’t sa beskieden / oan it krús hong.” Apart is ook dat de gedichten in deze afdeling een vrij normale zinsopbouw hebben, met een hoofdletter aan het begin van de zin en een punt als afsluiting.

Want net als in de vorige bundels (met uitzondering van Hertbyt) ontbreken hoofdletters aan het begin van de zin en punten als afsluiting in alle andere gedichten van de bundel, maar op de een of andere manier – onder andere door de strofebouw – is dat minder verwarrend dan wel eens in vorige bundels. Ook met deze bundel bewijst Elmar Kuiper dat hij een duidelijke eigen stem ontwikkeld heeft in zijn poëzie. Dat zit hem in de opbouw van de gedichten, in de thematiek, en ook in de keus van de bundeltitels: Hertbyt, Granytglimkes, Hiemsiik, Stienkeal. ‘Stienkeal’ is weer een apart woord dat in het Nederlands absoluut niet te vertalen is. Hoewel het daar niets mee te maken lijkt te hebben, doet het qua woord denken aan het woord ‘stienkoal’ (steenkool. Het is samengesteld uit de woorden ‘stien’ (steen)  en ‘keal’ (kalf, hoewel ‘keal’ als bijvoeglijk naamwoord ook ‘kaal’ betekent).

Dat ‘stienkeal’ komt uit een gedicht uit de eerste afdeling met dezelfde titel. Het is een gedicht waarin op een hartstochtelijke manier indringende vragen gesteld worden en waarin de dichter op bijna crue manier gebruikt maakt van het beeld van de geboorte van een kalf. Het gedicht begint zo:

stienkeal

wat is de pine fan in man dy’t seit
dat it kwea yn him waakst
wat is de pine fan syn fynbonkige soan

De laatste strofen van het gedicht:

wat is de pine fan in man dy’t tinkt
dat it kwea yn him waakst
as in stienkeal

raast er yn it tsjuster
snijt de pine yn ‘e fine
polzen fan ‘e tiid

as syn fynbonkige soan
him wer oan it keal
ferskuort

de fruchtsek syn fers is
it fûl syn wurden binne.

Dit gedicht laat misschien ook wel de manier van werken zien van de dichter Elmar Kuiper. Zijn gedichten komen niet gemakkelijk tot stand, maar zijn het resultaat van een intens zoeken naar de zin van het bestaan, naar antwoorden op levensvragen of naar de oorzaak van pijn. De gedichten in Stienkeal bieden, net zoals die in Hiemsiik, doorkijkjes naar het omgaan met de grote thema’s in het leven: verlangen, liefde, dood en met name de twijfel hoe dit alles te benaderen. Gedichten geven nooit een eenduidig antwoord op de vraag hoe te leven, maar de gedichten van Elmar Kuiper helpen wel om op de been te blijven.

Troost voor de pijn, onmacht en twijfel is er af en toe wel, maar is niet gemakkelijk te vinden. Zeker ook in de liefde niet altijd. ‘Leafde’ is de titel van de derde afdeling in ‘Stienkeal’. En die begint met het gedicht ‘gjin lucht’ waarvan de eerste strofe luidt:

do dochst krekt of bin ik
lucht leave
mar wie ik mar lucht
dan soe ‘k de hierkes
yn dyn noas kitelje
as in föhn oer dy hinne  blaze

En nee, het zijn geen lieflijke liefdesgedichten. In dat eerste gedicht voelt de ik zich als een kalf dat afgestoten wordt en als een ingedroogde vrucht, draait de geliefde het hoofd af en doet alsof hij lucht is, zodat de dichter het gedicht eindigt met de herhaalde klacht: “(…) mar ik bin / gjin lucht leave, gjin lucht.” Ook in deze afdeling beelden die aan het boerenleven ontleend zijn, zoal ze in andere gedichten van de bundel ook regelmatig opduiken. In het gedicht ‘nim it net persoanlik op’ laat de ik zich ‘over de rand duwen’. Hij ziet een wit, glanzend paard’ en hoort ‘het klagen van een roodbonte koe’ en als hij valt

(…) lake it libben my ta

as in boer dy’t it keal
by de achterpoaten beethold
de kop yn ‘e boarnamer dope

Minder dan in vorige bundels maakt Kuiper gebruik van het motief van de vogel, al komen vogels ook wel in Stienkeal voor. Zo komen direct in de eerste strofe van de bundel meerkoeten en waterhoentjes voor, gebruikt hij de vogel af en toe in beeldspraak en duiken er nu en dan wel vogels op (zwaan, sneeuwuil, meeuw, lijster, reiger). Tegen het eind van de bundel, aan het slot van de afdeling ‘De frijheid’ spelen ze ook weer even een rol, zoals in het een na laatste gedicht ‘it idee’ dat begint met”

it idee lofts en rjochts
in each te hawwen, kearsrjocht
posysje te kiezen, sûnder grûn

te fleanen

dit hifket in fûgel
dy’t útbrekke wol út
in gewoane man

De ‘gewone man’ is een man die weet dat hij er een van zeven miljard is. Maar er is in het gedicht ook een man die een denksprong gemaakt heeft en weet dat hij bijzonder is. En dan komt ‘een vreemde vogel’ op het idee om een ei in de buik van een doodgewone man te leggen

in aai dat swier weaget
in idee fan in fûgel
draacht

tûk útkomt, sûnder grûn
posysje kiest

Ook hier geeft Kuiper een richting aan, legt een kiem zou je kunnen zeggen, maar wat er verder precies met het idee gebeurt, ja, dat open eind moet de lezer zelf maar invullen. Want hoe het verder gaat, hoe het verder moet – wie weet dat wel? In ieder geval eindigt de bundel waarin volop gezocht wordt naar troostrijke ideeën, naar het weghalen van twijfel, naar antwoorden op prangende vragen misschien wel even teleurstellend als hoopvol berustend met het gedicht ‘foargoed’:

ik seach nei bûten
en waard it kezyn en
rút net gewaar

der lei in wite hân oer de wrâld
dy’t lichte druk útoefene
de dize op ‘e grûn hâlde woe

wat der opklearre
wurd moast
wist ik net

ik makke de lippen wiet
de loft waard al tinner
doe’t ik efkes trienfage

de lippen op it glês drukte
de man dy’t nei bûten seach
foargoed yn my opnaam

Aan het eind gekomen kun je constateren dat het misschien wel waar is wat – uiteraard in het Fries – op de achterflap staat. Dat Stienkeal een intieme bundel is, waarin Elmar Kuiper met een scherp oog naar zijn jeugd terugkijkt. Dat ‘keal’ (kalf) voor de jeugd staat, maar ook voor dood, pijn en onbegrip. Dat de dichter op een authentieke manier over zijn jeugd, zijn vader en zijn werk in de psychiatrie schrijft. Dat hij zich verplaatst in de wereld van een psychiatrische patiënt en vanuit een ander perspectief naar de werkelijkheid kijkt. Dat de gedichten geschreven zijn in een taal die associatief, warm, beeldend en heel persoonlijk is en getuigen van eigenzinnigheid en lef. ja, dat klopt allemaal wel aardig. Maar er had ook alleen kunnen staan dat Elmar Kuiper prachtige poëzie schrijft. Je moet toch de gedichten lezen om daarachter te komen. En wat een rijkdom is dat: deze gedichten van Elmar Kuiper lezen.

 

kuiperelmarhiemsiikElmar Kuiper – Hiemsiik (2015)

Beeldend kunstenaar, zanger en dichter Elmar Kuiper (1969) presenteerde vorig jaar oktober zijn vierde Friese dichtbundel, Hiemsiik, uitgegeven door uitgeverij Bornmeer. Inmiddels is er ook een tweede Nederlandstalige dichtbundel verschenen, Ruimtedier, bij uitgeverij Atlas Contact, in februari 2016.

Net als zijn andere kunstwerken (waaronder schilderijen en video’s) getuigen de gedichten van Elmar Kuiper van originaliteit, lef en associatievermogen. Ook in Hiemsiik gaan ze weer over grote thema’s: verlangen, liefde en dood, macht en onmacht. In zijn vorige Friese bundel, Granytglimkes (2011), zijn de gedichten wat toegankelijker dan in de eerste twee bundels, met nog steeds rijke, zij het minder grillige beelden en met persoonlijke en tegelijkertijd universele emoties. Je zou kunnen zeggen dat die ontwikkeling zich doorzet in Hiemsiik. Gelukkig schuwt deze dichter nog steeds de grote beelden niet (zo wordt in de eerste strofe van het eerste gedicht de waarheid wakker als een beer in de taiga), maar net als bij Granytglimkes wordt het niet meer zo grotesk als in de eerste bundels.

Hiemsiik telt veertig gedichten en is prachtig uitgegeven, naar een subtiel grafisch ontwerp van Gert Jan Slagter, die al zo veel Friese boeken geweldig heeft vormgegeven. De titel staat in grote zwarte hoofdletters gestanst op een donkerrode harde kaft, met de naam van de dichter ertussen. Het samenspel van het rood en het zwart wordt in het binnenwerk voortgezet. Zo zijn de bladzijden met de titels van de vier verschillende afdelingen rood, net als de letters van de naam van de dichter op het titelblad. Eenvoudig, maar o zo mooi en krachtig. In de bundel zijn op drie plekken tekeningen opgenomen van Sjoukje Iedema, voornamelijk in potlood en inkt met heel weinig kleur behalve wat rode vlekken. In ieder van de drie tekeningen staat een mens centraal in al zijn of haar grote kwetsbaarheid. Daarin zit ook het raakvlak met de gedichten van Elmar Kuiper.

De derde afdeling van de bundel, ‘Geil’, begint met het titelgedicht van de bundel, ‘Hiemsiik’. Voor dat mooie Friese woord heeft het Nederlands geen goed equivalent (meer). ‘Gekweld door heimwee’ klinkt toch heel anders dan het sterke Friese woord. Het gedicht staat in Hiemsiik, op de beginwoorden na, in een totaal andere versie dan eerder bij het project ‘Marboei’. De versie in Hiemsiik is, zoals wel meer gedichten in de bundel, opgebouwd uit strofen van drie regels. Dat ziet er mooi regelmatig uit, maar de lezer komt wat dat betreft net als in de andere gedichten een beetje bedrogen uit. Kuiper gebruikt geen hoofdletters, geen leestekens en dat betekent dat de lezer zich mag inspannen, te beginnen om zelf zinnen te maken. Het verdient overigens aanbeveling om een gedicht eerst even lekker hardop te lezen. Want daar begint al de pret: de dichtregels hardop te laten klinken, zonder nog te denken aan zinnen, maar de klanken van de lettergrepen te laten rollen, dat is door ’s dichters woordkeus en het sterke gebruik van allerlei rijm al bijna betoverend.

Na het genieten van de muzikaliteit van een gedicht komt het puzzelen: hoe zitten de zinnen in elkaar en daarna nog eens: wat staat er nu eigenlijk, in die regels waarin een werkelijkheid beschreven wordt in lastige zinnen met onverwachte beelden en onwaarschijnlijke wendingen? En dan komt de lezer vaak uit bij de mens in al zijn aarzelingen, twijfels, kwetsbaarheid. En in zijn verlangen. Het is in het gedicht ‘Hiemsiik’ een mens die thuis komt ‘als een hond die de tong laat rollen over een ruwe huid, erover wil zingen als een crooner, een krokodillentraantje wil huilen’ om de eerste regels van datt gedicht ‘Hiemsiik’ maar eens te parafraseren. Maar halverwege het gedicht fluistert iemand “i’ll be leaving soon”, is het onbereikbare verlangen zo groot dat het hopeloos wordt en aan het eind van het gedicht durft die mens zijn hitsige hond niet eens een schop te geven ‘omdat hij zichzelf niet vergeeft’.

Bij de parafrase van regels uit dit gedicht gebruik ik de derde persoon; de dichter doet dat niet, die gebruikt de tweede persoon (“komst wer thús”, “omdatsto dysels net ferjoust”), waarmee hij de lezer als het ware aanspreekt, maar het gedicht tegelijkertijd ook algemener maakt, omdat je het als een onpersoonlijke tweede persoon, een soort ‘men’ kunt opvatten. In veel andere gedichten, ook in de afdeling ‘Geil’, waarin een groot verlangen naar onbereikbaar geluk of een geliefde centraal staat (zelfs als die geliefde fysiek aanwezig is, zoals in ‘It sied’), spreekt de dichter in de ik-vorm. Hij schrijft soms onverbloemd over dat pijnlijke verlangen, zoals aan het slot van ‘It fenyn’, als de ik een klotedag beschrijft waarop “ik omgriem mei it ûngâns / de pine út ‘e palmen skriuw”.

De eerste afdeling van de bundel heet ‘Toarst’ en daarin laat de dichter meteen zien dat hij geen lieflijke dichter is, al verlangt (dorst) hij voortdurend naar de liefde. In het eerste gedicht noemt hij zichzelf het centrum, maar het is wel ‘het centrum van het bloedbad’, met achter zich schaduw en vogels die schreeuwen om het vlees. Net als in zijn vorige bundels maken vogels vaak deel uit van de beelden in de gedichten in Hiemsiik. Eindigt het eerste gedicht met ‘de vogels’, het tweede gedicht opent met een zeemeeuw (“in seekob struit rij syn skriemende / mantra yn it rûn”), in het derde gedicht ‘trekt de kosmos zijn zwaluwstaart aan’ en gedicht vier eindigt met krijsende zilvermeeuwen. Verderop in de bundel zijn naast gewone vogels, gouden vogels, een trieste vogel of een opwindeend nog te spotten: kramsvogels (fjildlysters, maar dat moest ik wel even opzoeken), een vrouwtjeskievit (daar heeft het Fries een apart woord voor, ‘jokje’, voor een mannetjeskievit die ook voorkomt, heeft het Fries het zelfstandig naamwoord ‘hij’), reiger, kiekendief, kraai, roek, lijster, een jonge zwaluw, bonte vliegenvanger, witte kwikstaart, spreeuwen, mussen, merels, kieviten, twee duiven en een leeuwerik.

Een andere leeuwerik schopt het zelfs tot titel van een gedicht (net als de libel, maar dat is geen vogel). Met die leeuwerik loopt het overigens niet goed af. In een doeltreffend ijle vorm die mij deed denken aan het dunne-bomengedicht van Jan Arends laat Kuiper keihard zien hoe je soms teleurgesteld kunt worden. Je denkt de ware gevonden te hebben, maar beseft al snel dat je er weer ingestonken bent, want

at sy út tiere
liere is

snijt sy
derút

sûzet sy stiendea

Het zijn over het algemeen geen vrolijke gedichten in deze bundel, verlies, gemis en onvervuld verlangen overheersen, maar toch is de sfeer niet drukkend. Dat komt door de muzikale taal en ook door de humor die toch in sommige gedichten doorsijpelt. Het meest humoristische gedicht is ‘Artikulearje’, het tweede gedicht uit de afdeling ‘Geil’. Het is misschien een beetje een vreemde eend in de bijt, dit proza-achtige gedicht, opgebouwd uit vier forse strofen van elk tien regels. Daarin vertelt de dichter hoe hij op een regenachtige dag op stap gaat naar een afgelegen winderig plaatsje, waar hij in een zaaltje gevuld met wat grijze koppen een stuk of wat bij elkaar gezochte liefdesgedichten vertolkt. Na afloop komt een oude man met de mededeling

(…) dat ik
tenei better artikulearje moat dat er kiestra goed
kennen hat dy’t dêr altyd op hammere (…)

Een van de mooie aspecten in dit verhalende gedicht is de rol van de taal. Kuiper zet heel mooi zijn eigen, moderne en speelse taal tegenover de ouderwets-traditionele taal van een dichter als D. H. Kiestra (1899-1970) die net als Kuiper, maar dan toch heel anders, veel over de (Friese) natuur dichtte, of van Harmen Sytstra aan wiens overbekende ‘Wâldsang’ Kuiper ook refereert.

De tweede afdeling van Hiemsiik is getiteld ‘Heit’ en telt slechts zes gedichten. Al in Kuipers tweede dichtbundel, Ut namme fan mysels uit 2006 verwerkte de dichter de dood van zijn vader in een aantal aangrijpende gedichten. Nu, tien jaar verder, herinnert de dichter zich nog scherp het aftakelingsproces en wordt hij geconfronteerd met de leegte die de dood van de vader met zich meebrengt: de vader kan niet eens meer zeggen dat de zoon (hem) niet meer hoeft te zoeken:

no’t oer de pôle
in drone gûnzet

de smartphone
smileys stjoert

en ik it net fine kin
en heit altyd

deselde bliuwt

net oerein riist my net
by de hân krijt net seit

soan hâld mar op te sykjen

Want dat is wat de dichter Elmar Kuiper inderdaad niet doet: ophouden met zoeken. Zoeken naar de vader, naar de (ge)liefde, naar zichzelf. Tot in de laatste gedichten in Hiemsiik blijft hij dat doen, wanhopig soms. “koe ik spyt mar as in sânkastiel fuortspiele litte” is het begin van een van de laatste gedichten. “as ik wist wa’t ik wie soe ‘k in namme jaan / oan it swarte skiep dat yn my omdoarmet” dat van een ander gedicht uit de laatste afdeling. De dichter gaat diep, maar richt zich uiteindelijk wel weer op, meer met enig ironische zelfkennis dan op een romantisch-sentimentele manier, in het laatste gedicht van de bundel:

KAPOT

oant de bonke ta ôfbrutsen
rjochtsje ik my wer op en sis
sisa ik ha de holle doopt yn
wijwetter ik ha my kapot lake

(maart 2016)

kuiperelmargranytglimkesElmar Kuiper – Granytglimkes (2011)

Na twee Friestalige dichtbundels in 2004 en 2006 en een tweetalige (Nederlands-Friese) bloemlezing daaruit, publiceerde dichter, filmer, beeldend kunstenaar en psychiatrisch verpleegkundige Elmar Kuiper (1969) in 2010 een Nederlandstalige bundel, Hechtzwaluwen. De critici reageerden over het algemeen verrast en positief. De bundel werd dan ook met drie andere Nederlandse debuten genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs, die uiteindelijk ging naar De dieren in mijvan Delphine Lecompte. De Nederlandse critici waren vooral gefascineerd door de eigenheid van Kuiper en de gecontroleerde onberekenbaarheid van zijn gedichten.

Granytglimkes (2011) is de derde Friese dichtbundel en daarmee heeft Kuiper zich mijns inziens definitief in de top van de Friese dichtkunst gevestigd, want Granytglimkes is weer een uitermate sterke bundel. Het klinkt misschien wat overdreven door te zeggen dat de gedichten in Granytglimkes het hele leven bestrijken, maar ze gaan wel over zo’n beetje alle grote thema’s van het leven: liefde en dood natuurlijk, maar ook over verlangen, zowel geestelijk als lichamelijk, over macht en onmacht tot aan het wanhopige toe. En dat alles in een voor Kuiper redelijk directe taal, met nog steeds rijke, maar minder grillige beelden dan in vorige bundels en met persoonlijke en tegelijkertijd universele emoties.

De bundel bevat bijna zeventig gedichten en is verdeeld in zes afdelingen van elk zo’n zeven tot dertien gedichten. Al die delen hebben als motto een citaat uit een popsong (van onder andere The Cure, Kate Bush, Placebo). Buiten die afdelingen staan twee gedichten, eentje aan het begin en eentje aan het eind. De bundel opent met een half Nederlands, half Fries gedicht waarin de dichter gebruik maakt van de woorden van zijn dochter: ‘ik ben draak / van draakkestein’ en het is niet leuk, zegt de draak, om draak te zijn, want elke nacht om twaalf uur spuwt hij vuur (‘om twaalevuur / spuuw ik vuur’). Een mooi kinderlijk begin van een bepaald niet kinderachtige bundel: de draak vindt het niet leuk om te zijn die hij moet zijn, misschien net zoals de dichter?

Het slotgedicht is één grote smeekbede aan de geliefde om hem te redden en van hem te houden. Het is één van de prachtige liefdesgedichten waar deze bundel er meer van kent en waarin de dichter zich helemaal overgeeft: hij is afhankelijk van de liefdesboei die zijn geliefde hem toe moet werpen, moet door die geliefde gefileerd worden en kan zich nergens achter verschuilen. Hoe bloot kun je je geven in een gedicht?

De eerste afdeling is getiteld ‘Hân’ en heeft als motto een couplet en een refrein van de song ‘Slave’ van Gary Numan, waarin het onder andere gaat over een herinnering aan iemand. Het eerste gedicht opent met een mooi beeld: “de jûn docht in laachje / lippestift op ‘e wolken” en toont de kwetsbaarheid en de onzekerheid van de dichter tegenover een geliefde. In het derde gedicht komt heel kort (het gedicht telt drie regels) de dode vader, ook al nadrukkelijk aanwezig in de tweede bundel, om de hoek. Ontroerend is ook het gedicht ‘myn nuetsje’ waarin een parallel getrokken wordt tussen een ziek konijn en de zieke vader. Tussen die aangrijpende gedichten laat de dichter ook zijn spierballen wel even zien, zoals in een gedicht waarin een figuur wordt geïntroduceerd die net zo doet als Bruce Willis in de film Die Hard, maar dan wel ‘f u c k i n g oars’.

De gedichten uit deze afdeling zijn vrijwel allemaal opgebouwd uit strofen van twee of drie regels, behalve het laatste gedicht. Dat is een stroom woorden en zinnen, opgebouwd uit regels die tot halverwege het gedicht telkens een stukje langer worden en daarna telkens weer een stukje korter. Het gedicht heeft daarmee het uiterlijk van een omgevallen heuvel of een vrouwenborst. Het is een gedachtestroom die begint met de mededeling ‘ik jou om dy’ (ik geef om jou), een roep die af en toe in het gedicht opduikt te midden van die stroom van woorden waarin de dichter in een maalstroom van gebeurtenissen, tot aan een oorlog toe, verzeild raakt.

Ook in andere afdelingen vallen sommige gedichten op door de vorm. Zo duikt er verspreid door de bundel een half dozijn prozagedichten op. In de tweede afdeling staat zo’n prozagedicht: ‘paf paf’ dat is gedateerd ‘nachttsjinst 14 maart 2010’. De onmacht en de wanhoop, niet alleen van de klaarblijkelijk door oorlog getraumatiseerde Afrikaanse psychiatrische patiënt die in dit gedicht aan het woord is, spat van het papier af, maar juist zonder dat hij daar commentaar op levert, ook die van de verpleegkundige die dit aanhoort.

En zo zijn er in alle afdelingen van de bundel prachtige gedichten te lezen die aansluiten bij zijn eerder werk, maar bij vlagen nog persoonlijker en tegelijk ook universeler lijken. De dichter kan af en toe bijzonder fel uit de hoek komen, zoals in de twee gedichten in de vijfde afdeling waarin hij afrekent met een docent. Soms spreekt hij zich zelfs bijna politiek uit. Dat laatste bijvoorbeeld in een prozagedicht over cartoonist Gregorius Nekschot. In een ander prozagedicht, ‘lette bikentenis’, lijkt hij autobiografischer dan ooit te schrijven: “ik ha noait sein dat myn earste dei yn de psychiatry in snuffelstaazje op grut lankum ôfdieling 228 frijwat beskamsum wie (…)”. Precies daarvoor staat het gedicht ‘ferbeane tiid’ dat begint met: “Ik kin in hâlding oannimme / dêr’t de swannen kjel fan wurden” en waarin de hele familie van de dichter (broer, moeder, zus, overleden vader) langs komen.

Net als in zijn vorige bundels speelt de natuur, spelen dieren een belangrijke rol, maar vaak wat minder grotesk dan in de beelden die hij in oudere gedichten gebruikte. En vooral weet Elmar Kuiper weer gedichten te schrijven in een rake taal, waarin beelden en klanken om voorrang strijden.

kuiperelmarroepderottweilerElmar Kuiper – Roep de rotweiler op! / Rop de rotweiler op! Keuze uit zijn gedichten vertaald door Jabik Veenbaas met een nawoord van Chrétien Beukers. (2006)

Met vier bloemlezingen in de serie ‘De Contrabas tweetalig’ speelt een jonge uitgeverij handig, degelijk en mooi in op het opvallend grote aanbod van uitstekende Friese poëzie van de laatste jaren. De degelijkheid zit hem in het korte, informatieve nawoord, maar ook in de selectie en de Nederlandse vertalingen die telkens tegenover de Friese originelen zijn opgenomen. De uitvoering is eenvoudig en smaakvol. Psychiatrisch verpleegkundige/beeldend kunstenaar/dichter/ Elmar Kuiper (1969) verraste in 2004 met de bundel Hertbyt, waaruit hier een mooie selectie opgenomen is. In die bundel lijkt de dichter vaak slechts te registreren, zij het zeer beeldend, associatief en fantasierijk, in gedurfde taal, met uitroeptekens en al. Zo kan het gedicht een gesprek zijn tussen een roofvogel en een jongetje of gaan over Olitski, een ‘doodgewone visser’ die de stemmen uit het net vist, wijze geruchten van de haak haalt en een haaientand blootlacht. Uit Kuipers tweede, misschien wat minder grillige, maar net zo beeldende bundel Ut namme fan mysels (2006) is o.a. de titelcyclus geselecteerd.

kuiper-utnammefanmyselsElmar Kuiper – Ut namme fan mysels (2006)

Elmar Kuiper toonde in zijn debuutbundel Hertbyt (2004) lef, wat onder andere tot uiting kwam in fantasierijke beelden, perspectiefwisselingen en een verrassend, ritmisch, klankrijk en creatief taalgebruik. Die elementen zijn in zijn tweede bundel gelukkig niet verdwenen. Wel is het dierenmotief, zo veelvuldig aanwezig in de eerste bundel, beperkt tot vrijwel alleen de vogel, waarbij de reiger een paar keer opduikt. Wat bovendien essentieel anders is in Kuipers tweede bundel: de gedichten zijn (of in ieder geval lijken) veel persoonlijker. Dat komt niet alleen door de titel Ut namme fan mysels waarin de dichter al aankondigt dat hij het over zichzelf gaat hebben, maar de ‘ik’ komt ook beduidend meer voor dan in de eerste bundel, waar hij slechts sporadisch opdook.

Opvallend is dat de bundel absoluut niet zwaarmoedig overkomt, terwijl naast het thema van de liefde en de erotiek met al het droevige onbereikbare verlangen dat daar bij hoort, vooral ook dat van dood, rouwverwerking en verdriet heel indringend beschreven wordt door een behoorlijk invoelende ik-persoon. Het eerste ‘hoofdstuk’ van de bundel heet meteen al ‘De measte minsken stjerre op bêd’ en het laatste gedicht van de bundel is ‘drôvige holle’. Het is onmiskenbaar de kracht van de dichter, die door middel van het kiezen van de juiste vorm, de juiste beelden en de juiste woorden de droefheid de baas wordt en de lezer trakteert op indringende, intrigerende en krachtige poëzie.

In de eerste afdeling, ‘De measte minsken stjerre op bêd’, staan drie gedichten. In alle drie de gedichten maakt Kuiper, net als in zijn eerste bundel en in sommige andere gedichten van deze tweede, gebruik van een soort dialoog. In veel van die gedichten laat deze dialoog zien hoe moeilijk de ander te bereiken is, of te begrijpen. Ook blijft het soms toch bij een monoloog omdat de ander niet altijd reageert, waardoor de ik-figuur alleen staat.

In andere gedichten lijkt de dichter in gesprek met zichzelf, zoals in de cyclus die volgt op het eerste deel: ‘reager by útstek’. In het begin beschrijft de dichter de reiger die op zijn lange poten zoekend door het water loopt en daarmee zichzelf blootgeeft. Uit het niets krijgt de dichter toegeroepen dat hij zich niet moet blind staren op zo’n vogel, die toch maar boven zijn stand leeft. De dichter vraagt zich af of hij die reiger is, knipt vleugels tot ‘kristlike proporsje’ en spijkert ‘flerken / oan in himellichem’. Hij wordt opgeroepen om de reiger van de man te scheiden, om zich te beheersen en een menselijke visie los te laten. Tegen het eind van het gedicht lacht hij om zichzelf en schreeuwt het uit. Het levert een beeld op van een aangrijpend verdriet over onvolmaaktheid en de onmogelijkheid de ander te bereiken. Helemaal aan het eind moet de ik zijn hoofd buigen en zelfs daar vraagt hij de onbereikbare ander hem aan te kijken.

De titel van de bundel Ut namme fan mysels is ook de titel van een cyclus van tien gedichten die het vierde hoofdstukje van de bundel vormt. De cyclus werd in 2005 bekroond met een Rely Jorritsmaprijs en gepubliceerd in Hjir (oktober 2005). Net als bij veel andere al eerder (bijvoorbeeld op Farsk) gepubliceerde gedichten, bracht Kuiper voor plaatsing in deze bundel nog wijzigingen aan. De wijzigingen in deze cyclus betreffen vooral de vorm: de versregels zijn twee keer zo lang geworden, waardoor vaak twee tweeregelige strofen é&ecute;n distichon zijn geworden. Bovendien is het aantal enjambementen daardoor afgenomen. De gedichten lijken kaler, doordat, zoals overal in deze bundel, geen hoofdletters gebruikt worden. Maar nog steeds, of misschien wel sterker, gelden voor de cyclus de woorden van de Rely Jorritsmajury dat het intrigerende, krachtige poë zie is. Er wordt een hartstocht opgeroepen waarin de ik zich over wil geven aan de ander, maar de sfeer wordt meteen al mysterieus en zelfs spookachtig en de ander lijkt verstoppertje te spelen. En als de twee wel bij elkaar zijn wordt de schijn opgehouden, met dooddoeners en al. De ik is eigenlijk alleen in nare dromen een echte kerel en kan niet veel anders doen dan met het schepnet van de taal betonslakken uit het water vissen. Om zich te wapenen tegen het licht moeten de blinden voor de ruiten en ook dat creëert een beeld van onbereikbaarheid.

Na deze cyclus staan zes gedichten waarin het onbereikbare verlangen opnieuw een belangrijk thema is. Prachtig schrijnend is het om te lezen hoe de dichter in het eerste gedicht van die afdeling zijn best doet, haast tegen beter weten in, om de moed er in te houden, onder een grimlachende maan. Maar in het gedicht ‘demonstratyf’ heet het: ‘ôfdieling mins is ticht’, en is het geen ‘minskedwaan’ om de geliefde te kussen. In ‘fertriet’ zijn de geliefden wel bij elkaar, maar zit er ander verdriet tussen hen in. In de beide laatste gedichten van deze afdeling ‘ik wol de sfear net ferpeste’ en ‘in dream opskriuwe’ laat Kuiper zien hoe hij te werk gaat met het door hem al eerder in de bundel gebruikte beeld van de vogel. In het eerste gedicht gaat het nog om een door hem uitgeknipte vogel die in een rode lucht geplakt wordt. De dichter identificeert zich daarmee als hij zegt dat hij een blijmoedig versje zingt en zijn snavel aan een heldere steen slijpt. Als hij echter zijn geliefde bij de naam noemt, komt ze eerst nog wel fleurig naar hem toe, maar als hij nogmaals de naam noemt, moet hij constateren: ‘dyn skerpe mûle leit it near / op dit fodsje papier’. Uiteindelijk stelt hij de vraag: ben jij de vogel, en geeft daarop zelf het antwoord: jij bent de vogel. De slotzin van het gedicht is prachtig dubbelzinnig: ‘dat antwurd tekenet my’, want in het gedicht speelt het potlood van de dichter (‘ik slypje de punt. / de punt slipet dy.’) ook een belangrijke rol. In het laatste gedicht van deze afdeling wordt een droom beschreven waarin de dichter een reiger zonder vleugels ziet en waarin even later blijkt dat de dichter die vleugels zelf afgeknipt heeft omdat ze zo mooi aan zijn eigen lijf pasten. Ook in dit gedicht doet de ik een manmoedige en hopeloze poging om stoer te zijn: ‘alfêst foarút te rinnen op ‘e dea / rûte nei himel yn adamsklean / of te lizzen // it lit my kâld’.

Met die regels in het achterhoofd is de laatste cyclus van de bundel, ‘goedmeitsje’, des te schrijnender. Als voorzitter van de jury van de Rely Jorritsmaprijzen 2006 mocht ik over die cyclus, mede uit naam van de andere juryleden, al zeggen dat het een sterke, sprekende, en hoewel de dood om de hoek ligt, toch vitale cyclus is (Hjir, oktober 2006). De cyclus bestaat uit tien gedichten, oorspronkelijk van taal en veelzeggend van inhoud, waarin de relatie van de ik-figuur met zijn vader beschreven wordt. De vader die, zoals ik toen schreef, aan het eind in zijn kist van hardhout ligt. Maar de twee eerste regels van het slotgedicht van de cyclus ‘as in kalken pop leist / yn dyn kiste fan hurdhout’ zijn door de dichter hier weggelaten. Ook in die zin maakt de dichter zijn gedichten dus wat kaler. Wat gebleven is, aan het eind en in de rest van de cyclus, is een diepgaand mededogen van de ik-figuur met de vader. Hij let erop ‘dat it satinen beklaaisel / net flokt mei dyn boesgroentsje’ en geeft zijn vader op diens laatste reis zijn gelukssteentje mee. De doodstrijd van de vader, met beelden die voor een deel aan het boerenleven ontleend zijn, maken het gedicht aangrijpend, bijvoorbeeld in het gedicht waarin een lammetje verscheurd wordt omdat het verkeerd in het moederlijf lag.

De bundel eindigt met het gedicht ‘drôvige holle’ en dat gedicht staat symbool voor de hele bundel. Zo zijn er de fantasierijke beelden (‘wyld eintsje slobbet / it kroas fan myn netflues’), het onvermogen van de ik (‘ik kin der neat oan dwaan’), het verlangen naar de ander (‘ik sil dy krije’), de twijfel zit erin (‘wat moat ik dêr fan fine?’), het mededogen (‘earm klokkehûs), er is het spel met de taal (‘bim bam bûnzjend hert’). En vooral is er de conclusie die weinig ruimte laat voor vrolijkheid: ‘der hinget in drôvige / holle oan ‘e line.’ Ondanks die droevige conclusie van de dichter kan de lezer alleen maar blij zijn met zulke fantastische poëzie.

kuiperhertbytElmar Kuiper – Hertbyt (2004)

De ‘no al legindaryske poëzijrige fan útjouwerij Bornmeer’ noemt Cornelis van der Wal in zijn recensie van de debuutbundel van Arjen Hut terecht de dichtbundels die deze uitgeverij al een paar jaar in even eenvoudige als prachtige vorm uitgeeft. Ook Hertbyt (2004), het debuut van Rely Jorritsmaprijswinnaar Elmar Kuiper (1969) is in die serie uitgekomen.

Elmar Kuiper publiceert al sinds 2001 in literaire tijdschriften en heeft lef, dat kun je wel constateren als je de gedichten leest in deze bundel. De bundel is verdeeld in vijf afdelingen. Het hoogtepunt is voor mij de vijfde afdeling, ‘In mankelik man’, dat één lang verhaal vertelt en een duidelijke en opvallende opbouw heeft. Het verhaal over de melancholieke man is ondergebracht in een cyclus van zes gedichten. De buitenkant van het verhaal is te vinden in de vetgedrukte gedeelten van die gedichten: een melancholieke man zit op een bankje aan zee, hoort in zijn hoofd mannen en vrouwen praten en even later ook een vogel. Hij gaat naar een café aan de haven, drinkt flink jenever. Uiteindelijk gaat hij naar huis en rekent onderweg af met de stemmen van de mannen en vrouwen in zijn hoofd. Eind goed, al goed.

Maar de cyclus is uiteraard veel en veel meer dan de samenvatting van het verhaal. De stemmen van de drie mannen en de drie vrouwen praten op de man in, vertellen door elkaar verhalen vol beelden, die de man alleen maar nog melancholieker maken. Ze verwijten hem dat hij geen fantasie heeft, dat hij zwaarmoedig door het leven gaat, dat er niks flitsends uit zijn handen komt. Gelukkig voor hem is er ook de vogel, die hem juist een moedige man noemt, alleen al omdat hij de stad ontvlucht is en op een bankje aan zee durft te gaan zitten kijken. Als in het café de drank ook nog een rol gaat spelen, wordt de strijd tussen de stemmen alleen nog maar verwarrender, een verwarring die nog versterkt wordt door de telkens veranderende voorstelling van een schilderijtje aan de muur.

Maar zelfs deze ‘uitleg’ van de cyclus doet de cyclus nog geen recht. Het is een romantisch verhaal, maar bepaald niet traditioneel; het zit vol met fantasierijke, fantastische beelden, verrassend taalgebruik en perspectiefwisselingen die het verhaal nergens in de weg zitten. Dat is bijzonder knap gedaan!

Ook in de andere gedichten toont Kuiper lef en zijn fantastische beelden en verrassend taalgebruik te vinden. Prachtige beelden zijn het vaak, mooie taalvondsten regelmatig. Dat levert een flink aantal heerlijk spannende gedichten op. Soms heb ik wel moeite om een verrassende wending te volgen, niet altijd begrijp ik de beelden en af en toe ontspoor ik als lezer helemaal. Misschien ontstpoort het gedicht dan ook wel, maar voorlopig houd ik het erop dat het aan mij ligt dat ik geen toegang krijg tot wat er staat. En, belangrijker: de soms associatieve, niet altijd logische beelden hoeven ook niet één-twee-drie duidelijk te zijn, al zullen er ongetwijfeld poëzieliefhebbers zijn die dit soort poëzie daarom afkeuren.

In veel gedichten spelen dieren een grote rol. Ook in die gedichten zijn de gebeurtenissen en de beelden niet altijd realistisch of logisch en maakt de dichter er af en toe fabelachtige dieren van, zoals in ‘Wûnderbist’. Soms wordt er een relatie gelegd met mensen, maar niet altijd is die verbinding even makkelijk te duiden. Het gedicht ‘Heal om heal’ is daar een goed voorbeeld van. Na tien keer lezen kan ik niet uitleggen hoe het nu precies zit met de man, de vrouw, het paard en de hond. Maar Kuiper is er ongetwijfeld ook niet op uit om de lezer in elk gedicht genoeg sleutels te geven om tot een interpretatie te komen, al kan ik dat nog zo graag willen. Wat ik wel opvallend vind: hoewel ik hou van poëzie waar na enig speurwerk een interpretatie aan te geven is, geniet ik erg van de poëzie van Kuiper, ook al blijf ik na herlezen en herlezen wel eens met de handen in het haar zitten. Dat is geen geringe verdienste van de dichter.

En gelukkig: in lang niet alle gedichten van de bundel raak ik ondanks de sprongen die de dichter maakt, het spoor kwijt. In het gedicht ‘Winterdeis lit in ein of in reager’ zit een sprong van de eerste vier strofen (over een eend en een reiger) naar de laatste vier (over een leeuw en een tijger), maar de overeenkomst (in beide gevallen één winnaar is) wordt duidelijk verteld. Wat ik ook mooi vind is dat gedichten met nogal associatieve beelden en neologismen worden afgewisseld met gedichten waarin op droge, lakonieke toon een redelijk simpel lijkende gebeurtenis beschreven wordt, zoals het gesprek tussen de roofvogel en het jongetje in ‘Petear’. Ook die afwisseling maakt de bundel tot een krachtig geheel.

In de Moanne (jiergong 3, 2004) heeft een briefwisseling over Hertbyt gestaan tussen Tsead Bruinja en Elmar Kuiper.