Bennie Huisman

huismanBennie Huisman – Wibren Altena. Swalker yn ‘e geast (2012)

In 1990 komt zanger, theatermaker en auteur Bennie Huisman (1947) een beetje toevallig in aanraking met het werk van de Friese dichter en voordrachtskunstenaar Wibren Altena (1917-1987), bij de presentatie vanDe laitsjende wierheid, een uitgave van diens werk. Huisman wordt meteen geraakt door de muzikale kwaliteit, de poëtische beelden en de inhoud van Altena’s werk dat hij omschrijft als satirisch, humoristisch, gevoelig en filosofisch. Als hij wat meer te weten komt over Altena besluit hij om over diens leven en werk een theatervoorstelling te maken. Daarvoor spreekt hij met diens kinderen en in 1992 speelt Huisman de voorstelling ‘De wite walfisk’ op tal van plaatsen in Friesland. Dit lezen we in het inleidende hoofdstuk van het boek dat Huisman nu over Wibren Altena gemaakt heeft.

In 2008 zijn de nagelaten papieren van Wibren Altena, handschriften, brieven en kladjes door de erfgenamen overgedragen aan het Fries historisch en letterkundig centrum Tresoar. Dat was voor Huisman aanleiding om zich nog eens bezig te houden met het leven en werk van deze schipperszoon, dat ‘leven vol dromen, toezeggingen en verlies dat hem raakt en dat hij wil doorvertellen’, zoals Huisman het zelf formuleert. Niet dat dat gemakkelijk is, want eigenlijk is er niet zo veel materiaal om de biografie van Altena te schrijven.

Dat betekent dat Huisman regelmatig zijn verbeelding moet aanspreken om het verhaal van Altena’s leven rond te krijgen. Gelukkig kan hij dat goed, zoals we ook al zagen in zijn beide vorige boeken. In Lytse histoarje fan langst (2010) romantiseert hij een deel van zijn eigen leven en in Eeltsje & ik (2008) reconstrueert hij op speelse wijze een aantal reizen van de 19e-eeuwse dokter/schrijver Eeltsje Halbersma. Over Wibren Altena, swalker yn ‘e geast ben ik net zo enthousiast als over beide voorgaande boeken.

Natuurlijk levert Huismans manier van werken aan dit boek over Wibren Altena geen wetenschappelijke biografie op, maar dat was ook niet zijn bedoeling. Huisman weet in een aangename stijl het leven van Altena te vertellen en ontbrekende schakels aannemelijk in te passen. Dat doet hij in passages als die over het jaar 1937, als de negentienjarige Altena terugkeert naar Friesland na een priester/gymnasiumopleiding in Brabant en Limburg. “No, yn dizze simmer fan 1937, lit ik myn ferbylding even oan it wurd en stel ik my foar dat er begjin augustus nei Makkum komt.” Overigens legt Huisman ook duidelijk uit waar hij zo’n stukje ingebeeld leven van Altena op baseert. Zo vertelt hij over het seminarieleven van Altena, waar ook weer heel weinig over bekend is, na gesprekken met de Friese auteur Sjoerd Palstra, die Altena gekend heeft en zelf ook enkele jaren op een seminarie in het zuiden van het land heeft gezeten.

Na de terugkomst van het seminarie weet Altena geen ander werk te vinden dan bij zijn vader op het schip en hij begint te schrijven: zijn eerste gedicht staat begin 1940 in het weekblad Sljucht en rjucht. Als een van zovelen heeft ook Altena last van de crisistijd in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog. Huisman noteert dat in een zin als: “Sa leit syn bestean der hinne yn de hjerst fan 1939. Hy is twaëntweintich jier âld, is thús op ‘e kost, dichtet, en besiket wurk te krijen.”

In een volgend hoofdstuk schetst Huisman hoe Altena via Hein Faber van het Kunsthuis in Makkum in aanraking is gekomen met Jan Piebenga, de hoofdredacteur van It heitelân die Altena’s literaire mentor wordt, en via hem met de dichter Douwe Tamminga. Eind 1941 wordt Altena de tijdelijke opvolger van Hein Faber als beheerder van Kunsthuis Statum in Makkum. Dat Kunsthuis exposeert en verkoopt werk van kunstenaars, volkskunst en Friese boeken. De baan is bepaald geen vetpot; om maar genoeg inkomen te hebben fabriceert Altena zelf onder andere tafeltjes met een bovenblad van afgekeurde tegeltjes van aardewerk en later ook sieraden.

Vanwege de extra emotionele lading van die periode is Huisman bewust terughoudend om het leven van Altena in de Tweede Wereldoorlog te reconstrueren en hij beperkt zich daar tot het weergeven van enkele feitjes, zoals een spotvers op Anton Mussert dat Altena maakte voor het zomerkamp van het Roomsk Frysk Boun van 1944. Ook weten we dat Altena de laatste maanden van 1944 niet meer naar zijn moeder ging om te eten, zoals hij tot dan toe vaak deed, maar bleef slapen in het Kunsthuis, op zolder met een vluchtroute naar het huis ernaast. Er zijn enkele berichten dat hij, hoewel niet heel actief, met het verzet heeft meegedaan.

Behalve aan het leven van Wibren Altena wordt in dit boek ruim aandacht besteed aan diens werk. Huisman laat telkens zien hoe het met de ontwikkeling van het dichterschap van Altena en later met zijn voordrachtskunst is gegaan, al zit ook daar wel enige speculatie bij. Het blijkt dat Altena in augustus 1947 op een avond tijdens het zomerkamp van het Roomsk Frysk Boun al met een avondvullend programma van gedichten en sketches de kampdeelnemers aan het lachen krijgt. In het programma zit voor een groot deel het materiaal waarmee Altena in de daaropvolgende jaren zal optreden in Friesland en voor de Fryske Kriten buiten Friesland. Dat betekent dat hij in de jaren na de Tweede Wereldoorlog blijkbaar steeds meer overgeschakeld is van het schrijven van ernstige poëzie naar het humoristische genre.

Al weer heel voorzichtig probeert Huisman, uit de weinige gegevens daarover, het begin van zijn tienjarige carrière als Fries voordrachtskunstenaar te beschrijven en hij vergelijkt dat met die van de veel meer op de publiciteit gerichte cabaretier/revueartiest Tetman de Vries. Hij probeert ook het succes van Altena te verklaren, hoewel dat uiteraard zestig jaar later niet gemakkelijk is. Te zien was er niet veel, zijn voordrachten waren nauwelijks theater, er was geen spektakel. Hij moest het hebben van een goed opgebouwde tekst, vol scherpe observaties en onverwachte zijpaden en stijlmiddelen als sarcasme, ironie en zelfspot. En waarschijnlijk zijn goede timing en mimiek bij de voordracht.

Ook met betrekking tot het huwelijksleven van Wibren Altena met Anny Kemme, ze trouwen in 1952, moet Huisman de weinige feiten aanvullen met enige verbeelding. Anny moet het niet gemakkelijk gehad hebben en is waarschijnlijk veel alleen geweest in Makkum dat ze nauwelijks kende. Altena was vaak op pad om op te treden en kon vaak ’s nachts niet thuis slapen. In de loop van de jaren vijftig komt er af en toe wat frictie met de organisatoren van de voordrachtsavonden, omdat Altena veel geld vraagt, maar nauwelijks met nieuw materiaal komt. Anny zoekt een andere baan voor hem en zo krijgt hij een baan als redacteur van het maandblad van rederij Van Ommeren in Rotterdam. Van het ene op het andere moment verhuist Wibren Altena en stopt hij met zijn voordrachtskunst.

Met een mooi beeld van de Afsluitdijk leidt Huisman het slot van zijn boek in. Heel kort beschrijft hij de jaren in Rotterdam en Barendrecht waar het gezin gaat wonen. In 1967 raakt Altena zijn baan bij Van Ommeren kwijt. Hij is twee jaar werkloos en daarna werkt hij tot zijn pensioen bij een bank. Zij scheiding van Anny wordt alleen maar aangestipt. In een afsluitend hoofdstuk maakt Huisman de balans op van het leven en werk van Wibren Altena die zichzelf als ‘in swalker yn ‘e geast’ typeerde.

Bij de uitgave van De laitsjende wierheid in 1990 merkte ik op dat het jammer is dat de lezer van dat boek het moet stellen zonder de veel geroemde voordrachtskunst van de dichter. Het boek van Bennie Huisman voorziet hier wel in met een bijgeleverde cd. Behalve acht liedjes van Altena, in de oorspronkelijke melodieën gezongen door Bennie Huisman en Frederike Kleefsma staan op de cd zeven voordrachten van Wibren Altena zelf, uit het archief van Tresoar. Maar, zoals Huisman zelf ook zegt: uit die voordrachten van Altena kun je niet echt begrijpen waarom hij zo succesvol was. Daarvoor zijn de voordrachten (de voorlezingen?) te vlak en mis je nog steeds de timing en mimiek die voordrachtskunstenaar Wibren Altena blijkbaar had tijdens zijn optredens.

huismanBennie Huisman – Lytse histoarje fan langst Roman (2010)

Nadat hij in 1974 voor de eerste keer de Rely-Jorritsmapriis kreeg voor een gedicht, debuteerde Bennie Huisman (1947) als dichter in boekvorm in 1978 met de bundel Opgeande tiid. In 1982 kreeg hij dezelfde prijs nog eens voor zowel een gedicht als een verhaal. Het verhaal heette ‘De rop fan it wetter’, dezelfde titel als de verhalenbundel waarmee Huisman acht jaar later in 1990 als prozaïst in boekvorm debuteerde. Daarna hield de auteur zich bezig met allerlei vormen van theater en pas in 2008 verscheen weer een boek in proza, Eeltsje & ik, waarin de auteur op speelse wijze een aantal reizen van de 19e-eeuwse dokter/schrijver Eeltsje Halbersma reconstrueert.

En dan is er nu zijn eerste roman. Het is een soort raamvertelling. Het boek begint met een inleidende hoofdstuk ‘Winterreis. Desimber 2009’ over een ik-figuur die duidelijk Bennie Huisman zelf is: ‘Twa jier lien skreau ik in boek oer de Grouster dichter Eeltsje Halbersma’ staat op de eerste bladzij. In dat hoofdstuk vraagt de auteur zich af hoe hij om moet gaan met autobiografische verhalen die niet alleen de buitenkant beschrijven, maar om wezenlijke zaken gaan. Doordat hij na veertig jaar opeens weer een cantate hoort die hij in zijn eerste jaar als koordirigent instudeerde, wordt hij in de goede richting gedreven.

Dan volgt het eigenlijke verhaal dat ongetwijfeld autobiografisch is. Huisman noemt de hoofdpersoon zelf verderop in het boek zijn alter-ego, maar de auteur neemt enige afstand door het verhaal personaal te vertellen en het hoofdpersonage de naam Thomas te geven. Thomas is, net als Huisman zelf, van alles een beetje: leraar, dirigent, zanger, timmerman en schrijver; en hij is vader, dat lijkt uiteindelijk wel het belangrijkste, vader van een dochter van twaalf, uit zijn eerste huwelijk. Het verhaal speelt zich af in het voorjaar en de zomer van 1979, het eerste deel in de eerste week van mei. Na een tweede ‘Winterreis’ (januari 2010) gaat dat verhaal verder met de eerste week van juli 1979 en na een derde ‘Winterreis’ (februari 2010) wordt de laatste week van juli beschreven. Maar de basis van het verhaal ligt in een dramatische gebeurtenis eind jaren zestig, een gebeurtenis waar Thomas nooit lang genoeg bij stil gestaan heeft. De auteur eindigt het boek met een epiloog die zich in maart en mei 2010 afspeelt, met een prachtige slotparagraaf op een begraafplaats waar een gedenksteentje wordt geplaatst en met de laatste eenvoudige, maar kernachtige zinnen: ‘Want dit is no ienris in dei fan ferhalen. Ferhalen dy’t bliuwe.’

Huisman vertelt met dit boek een mooi ontroerende geschiedenis, waarin hij op elke bladzij en met elke zin de juiste toon weet te vinden: een toon van licht ingehouden melancholie, van ‘klein verlangen’, die zo goed bij het verhaal past. Het eerste deel van het verhaal over Thomas heeft als titel ‘it famke en de dea’ (het meisje en de dood). Het meisje is Anna, een violiste met wie Thomas wel optreedt. Hij begint, na eerdere huwelijken met Eke en met Gerbrich, net aan een serieuze relatie met Anna als hij het bericht krijgt dat zijn oma in coma in het ziekenhuis opgenomen is. Thomas is deels bij zijn opa en oma opgegroeid en gaat nu regelmatig naar het ziekenhuis om naast zijn opa bij het bed van zijn oma te zitten. Door deze gebeurtenis denkt Thomas ook terug aan tien jaar geleden, toen zijn tweede kind dood geboren werd, een gebeurtenis die hij maar geen plek heeft kunnen geven, maar die hij nu wel voor het eerst met iemand, met Anna, kan delen.

In het intermezzo ‘Winterreis. Januwaris 2010′ laat Huisman weer zichzelf zien, onder andere als de zanger/muzikant die ondernemer moet spelen met kaartjes, folders en een website. Maar vooral maakt hij zich zorgen over zijn boek, vraagt zich af of er een rode draad in zit of een hoofdthema, en probeert daar een antwoord op te formuleren. En hij vraagt zich af hoe te laveren tussen werkelijkheid en verbeelding, een vraag die nogal urgent is bij zo’n autobiografisch verhaal. Ik vind in ieder geval dat Huisman er uitstekend in is geslaagd om het dramatische gegeven om te zetten in een zeer boeiende roman. Nergens wordt hij larmoyant, terwijl het verdriet om wat er gebeurd is en het jarenlange onvermogen om daarmee om te gaan wel een grote rol spelen. Hoogstens zou je kunnen zeggen dat Huisman zijn hoofdpersonage misschien wat te sympathiek neerzet, al spaart deze zichzelf ook niet.

In het tweede deel van het verhaal over Thomas wordt hij door allerlei omstandigheden steeds meer geconfronteerd met zijn verleden. Anna is op vakantie en Thomas brengt een dag door met zijn dochter die hem concrete vragen stelt (‘Waarom ben je bij ons weggegaan?’) waar hij eigenlijk geen antwoord op weet te geven. Met een vriend doet hij een klusje in het dorpje waar hij met zijn eerste vrouw gewoond heeft en de vrouw van zijn vriend vraagt hem waarom het in zijn tweede huwelijk misgelopen is. Met de laatste praat hij ook weer over zijn doodgeboren zoontje. Steeds meer komt hij er zelf achter dat hij veel te weinig zijn gevoelens van verdriet en onlust, onder andere ook over zijn baan als leraar, gedeeld heeft met anderen met wie hij een relatie had.

Ook in het laatste deel van het verhaal over Thomas komt deze allerlei bekenden van vroeger tegen, met wie hij praat over zowel zijn eerste als zijn tweede vrouw. Op de laatste dag van het verhaal komt Anna weer thuis na vier weken Frankrijk en Thomas vraagt zich af wat hij met haar en een eventuele verdere relatie aan moet. Daarna volgt nog de epiloog, die een ontroerende afsluiting is. Dat het boek zo goed geslaagd is, zit hem onder andere in de uitgekiende opbouw van de roman. De verschillende tijdlagen geven elke keer precies genoeg informatie om de lezer nieuwsgierig te maken en te blijven pakken. Daarbij hanteert Huisman een stijl die mooi de ontroerende sfeer van het verhaal weet op te wekken: sober en rijk tegelijk, met een weemoedige ondertoon en een constant gevoel van verlangen, naar liefde, naar vrijheid, naar begrip van wat er gebeurd is en nog gebeuren gaat, naar geluk. Dit mag dan een ‘kleine geschiedenis’ zijn, zoals de titel aangeeft, maar die kleine geschiedenis levert wel een prachtige roman op.

huismanBennie Huisman – Eeltsje & ik Reisferhalen (2008)

De gebroeders Halbertsma schreven met de Rimen en Teltsjes hét klassieke boek uit de 19e-eeuwse Friese literatuur. Over de Halbertsma’s is al veel geschreven, maar zelden zo persoonlijk, inlevend en vlot leesbaar als nu zanger/schrijver Bennie Huisman (1947) over Eeltsje Halbertsma (1797-1858) schrijft. De aanduiding ‘reisverhalen’ voor dit boek is speels bedoeld: Huisman reist Eeltsje inderdaad na naar Heidelberg, Emden, Leiden, Rhenen of hij reconstrueert diens laatste reis van Leeuwarden naar Grouw, een paar weken voor zijn dood. Zo’n reconstructie kan alleen, schrijft Huisman, via verbeelding en inleving, want die reis is toen niet beschreven. Wel dook Huisman in brieven en archieven, en hij haalde allerlei feiten rond de reizen naar boven, bijvoorbeeld het weer. Met al die gegevens beschrijft hij, niet chronologisch, maar wel heel levendig, het tragische leven en niet te vergeten de gedichten/liedjes van deze romantische 19e-eeuwse dokter en dichter. Hij citeert uit de brieven en de gedichten, noteert en passant à la Geert Mak in diverse beschrijvingen de weinige overeenkomsten en vele verschillen tussen het midden van de 19e en het begin van de 21e eeuw. Een heerlijk boek.

huismanBennie Huisman – Hûs oan see / Huis aan zee (2007)

Al ruim 25 jaar is Bennie Huisman (1947) een schrijver en troubadour die zich vooral van zijn Friese moedertaal, maar ook van het Nederlands bedient. Deze bundel met bijna vijftig nieuwe liedjes en gedichten getuigt daarvan. In deel 1, ‘Huis aan zee’, gebruikt Huisman nogal eens beelden ontleend aan de zee om bijvoorbeeld te schrijven over herinneringen aan zijn geboortehuis, over zijn vader of opa. Er zijn liedjes en gedichten waarin de lente wordt beschreven, de winter, de zomer; waarin hij bouwt aan een schip ‘voor een eerste reis naar laatste liefde’. Huisman toont zich een romanticus, die gevoelig (hoewel nergens sentimenteel!) weet te schrijven over zijn onderzoek naar zijn verleden en ondertussen droomt van de toekomst, onderweg is ‘tussen droom en daad, tussen liefde en vrijheid’. Dat romantische verlangen naar vrijheid komt nog duidelijker naar voren in het kleinere tweede deel waarin het zwerven, liefst op een fiets, centraal staat. Bij de Friese teksten staat een Nederlandse vertaling. Op de bijgevoegde cd draagt Huisman gedichten voor en vertolkt hij samen met Frederike Kleefstra en Corinne Staal een aantal liedjes.